Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2005:AU0509

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
01-06-2005
Datum publicatie
04-08-2005
Zaaknummer
120011
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Algemene voorwaarden, wanneer ze gelding hebben.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ARNHEM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 120011 / HA ZA 04-2089

Datum vonnis: 1 juni 2005

Vonnis

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BERENDSEN TEXTIEL SERVICE B.V.,

gevestigd te Arnhem,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

procureur mr. J.Th.M. Palstra,

advocaat mr. M.C.P. van Dongen te Nijmegen,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] EN ZONEN B.V.,

gevestigd te Nieuwerkerk a/d IJssel,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

procureur mr. J.C.N.B. Kaal,

advocaat mr. D.M.A. Oud te Rotterdam.

Partijen zullen hierna Berendsen Textiel Service B.V. en [gedaagde] BV genoemd worden.

Het verloop van de procedure

Dit verloop blijkt uit:

- het tussenvonnis van 19 januari 2005,

- het proces-verbaal van comparitie van 7 maart 2005.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De feiten

[gedaagde] BV exploiteert een slachterij in Nieuwerkerk aan de IJssel. Ten behoeve van de verhuur en reiniging van de bedrijfskleding van haar werknemers heeft [gedaagde] op 1 oktober 1999 een overeenkomst gesloten met Rentex Borgh Textielverzorging BV. De naam van deze vennootschap is later gewijzigd in Clean Lease Randstad Borgh (verder te noemen Clean Lease).

Clean Lease bericht [gedaagde] BV in haar brief van 14 februari 2001:

“Een en ander houdt in dat de dienstverlening welke wij voor u verrichten niet meer door Borgh Rotterdam behartigd kan worden.

Echter zijn wij met zorg in overleg getreden met het collegabedrijf Berendsen Neproma welk en zeer modern geoutilleerd bedrijf heeft ten behoeve van voedsel verwerkende- en vleesverwerkende industrie. Met goed vertrouwen zouden wij dan ook de dienstverlening wensen over te dragen aan Berendsen Neproma.

Gezien het bovenstaande zouden wij gaarne op korte termijn tezamen met Berendsen Neproma een afspraak met u maken om zodoende een vloeiende voortgang van de dienstverlening te kunnen bewerkstelligen welke naar ieders tevredenheid zal dienen te zijn.”

Berendsen BV is een onderneming die zich onder meer toelegt op het verhuren en reinigen van bedrijfskleding.

Op 20 februari 2001 hebben partijen een formulier ondertekend (hierna te noemen het formulier) waarin naast de gegevens van [gedaagde] BV en Berendsen BV is opgenomen: “opdracht”, 15 maart 2001 als gewenste startdatum, een contractsduur van 36 maanden, een afleveradres, betaling 20 dagen na factuurdatum, levering per week en in het kader ‘goederen’ een omschrijving van goederen alsmede overige informatie:

“Handy-overall food artikelnummer 35200, 1 stuk per eenheid, 1,20 per eenheid per week, 87 minimale gebruiksweken

Jas Food artikelnummer 35300, 1 stuk per eenheid, 1,20 per eenheid per week, 87 minimale gebruiksweken

Wasgoed eigen overall/jas, 2,95 per eenheid per week”.

Boven de handtekeningen staat de volgende zin:

“Opdrachtgever geeft opdracht tot levering, en Berendsen Textiel Services B.V. verplicht zich tot levering van bovengenoemde goederen onder bovengenoemde condities en overeenkomstig de algemene voorwaarden.”

De door Berendsen BV gehanteerde “algemene voorwaarden van huur en verhuur, bruikleen en onderhoud” zijn afgedrukt op de achterzijde van het in overweging 2.4 beschreven formulier.

De algemene voorwaarden bevatten de volgende relevante bepalingen:

“2.1 De overeenkomsten zijn aangegaan voor de duur van drie jaar. De overeenkomst wordt telkenmale van jaar tot jaar verlengd, tenzij één der partijen de overeenkomst schriftelijk - bij aangetekend schrijven - opzegt uiterlijk zes maanden voor afloop van het contractjaar. Partijen kunnen schriftelijk afwijken van deze duur of verlenging van de overeenkomst.

2.3 Indien de overeenkomst eindigt op grond van opzegging door de opdrachtgever ingevolge artikel 2.1 dan wel op grond van het in artikel 2.2 bepaalde is de opdrachtgever gehouden tot overname van de op dat moment van de beëindiging aan hem nog op grond van de overeenkomst in gebruik verstrekte goederen, zulks volgens de condities als bedoeld in artikel 11. (...)

7.2 (...)

Ten aanzien van uniformen en beroepskleding garanderen wij de goede conditie van de goederen. Opdrachtgever dient klachten over de kwaliteit (reparatie en herstel) bij afgifte van de goederen aan ons mede te delen; wij hebben alsdan de verplichting tot herstel. Wordt door de drager werkzaam bij opdrachtgever geen klacht ingediend bij afgifte noch binnen 48 uur daarna, dan vervalt de herstelplicht voor ons en worden terzake kosten verrekend.

11.1 In alle gevallen waarin op grond van deze voorwaarden voor de opdrachtgever de verplichting bestaat van ons goederen over te nemen, zal de opdrachtgever aan ons de navolgende prijzen voor de over te nemen goederen dienen te betalen:

- 100% van de op het moment dat de overnameverplichting bestaat geldende nieuwprijs, indien en voorzover op dat moment die goederen nog niet langer dan één jaar bij de opdrachtgever in gebruik zijn.

- 50% van de op het moment dat de overnameverplichting bestaat geldende nieuwprijs, indien en voorzover op dat moment de goederen reeds langer dan één jaar bij opdrachtgever in gebruik zijn en ongeacht hoe lang alsdan de goederen bij opdrachtgever in gebruik zijn.

11.4 Op alle leveringen van goederen aan opdrachtgever die plaatsvinden op basis van deze voorwaarden, daaronder begrepen de overneming van de goederen door opdrachtgever, zijn naast de onderhavige voorwaarden van toepassing onze “Algemene Verkoop-, Leverings en betalingsvoorwaarden van Berendsen Textiel Services BV”, zoals die zijn gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel te Arnhem, voorzover de onderhavige algemene voorwaarden daarvan niet afwijken.”

[gedaagde] BV kondigt Berendsen BV in een brief van 18 november 2002 aan dat zij per 28 februari 2003 hun kledingservice bij een andere dienstverlener zal onderbrengen. In de brief van 22 januari 2004 laat [gedaagde] BV Berendsen BV weten dat de overeenkomst 36 maanden na 15 maart 2001 afloopt en dat geen gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid het contract te verlengen, onder aanvoering van redenen.

Berendsen BV laat [gedaagde] BV in de brief van 29 januari 2004 weten de beslissing te betreuren, maar te zullen respecteren. Tevens geeft Berendsen BV aan dat op grond van de algemene voorwaarden een bedrag voor restwaarde in rekening zal worden gebracht.

De overeenkomst tussen partijen is op 28 februari 2004 geëindigd.

In de brief van 22 april 2004 van de raadsvrouwe van Berendsen BV aan [gedaagde] BV wordt aanspraak gemaakt op een bedrag van € 64.656,50 ten titel van overnamekosten. Tevens wordt [gedaagde] BV gesommeerd dit bedrag binnen acht dagen te voldoen, bij gebreke waarvan rechtsmaatregelen aangekondigd worden.

Het geschil

in conventie

Berendsen BV vordert nakoming van de op 20 februari 2001 tussen partijen gesloten overeenkomst waarop volgens Berendsen BV de door haar gehanterde algemene voorwaarden van toepassing zijn en vordert op die grond - samengevat - veroordeling van [gedaagde] BV tot betaling van € 72.557,28 inclusief BTW, vermeerderd met rente en kosten.

Berendsen BV voert daartoe aan dat [gedaagde] BV op grond van de toepasselijke algemene voorwaarden in geval van opzegging van de overeenkomst door opdrachtgever, een overnamesom verschuldigd is berekend volgens het uitgangspunt van artikel 11 van de algemene voorwaarden die inhoudt dat een percentage van 100% van de nieuwwaarde dient te worden betaald als de goederen korter dan één jaar bij opdrachtgever in gebruik zijn en een percentage van 50% voor goederen die langer dan één jaar bij opdrachtgever in gebruik zijn.

[gedaagde] BV voert verweer. Op dit verweer en de overige stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

[gedaagde] BV vordert - samengevat - veroordeling van Berendsen BV primair tot betaling van € 66.967,78 en subsidiair tot betaling van

€ 66.567,38, in beide gevallen vermeerderd met rente en kosten.

[gedaagde] BV stelt dat sprake is van overschuldigde betaling, nu Berendsen BV kleding in rekening heeft gebracht die zij niet in gebruik heeft gehad.

Berendsen BV voert verweer. Op dit verweer en de overige stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

De beoordeling

in conventie

algemene voorwaarden van toepassing?

Berendsen BV stelt dat haar algemene voorwaarden van toepassing zijn op de overeenkomst met [gedaagde] BV en [gedaagde] BV betwist dit. [gedaagde] BV stelt allereerst dat sprake is van contractsovername door Berendsen BV en dat Clean Lease haar rechten en verplichtingen uit hoofde van haar overeenkomst met [gedaagde] BV heeft overgedragen aan Berendsen BV, zodat sprake is van een voortgezette overeenkomst. Volgens [gedaagde] BV kunnen de algemene voorwaarden van Berendsen BV alleen al om die reden tussen partijen niet van toepassing zijn.

De rechtbank overweegt als volgt. Of de wederpartij de gelding van algemene voorwaarden heeft aanvaard, moet worden beoordeeld aan de hand van de bepalingen over aanbod en aanvaarding en de totstandkoming van rechtshandelingen in het algemeen. Willen de door Berendsen BV gehanteerde Algemene voorwaarden van huur en verhuur, bruikleen en onderhoud van Berendsen BV op de overeenkomst tussen partijen van toepassing zijn, dan is nodig dat deze voorwaarden uitdrukkelijk of stilzwijgend door [gedaagde] BV zijn aanvaard.

Artikel 6:159 lid 1 van het Burgerlijk wetboek (BW), dat handelt over contractsoverneming, bepaalt dat voor de overeenkomst tussen de overdragende (Clean Lease BV) en de overnemende partij ([gedaagde] BV) een akte is vereist. Nu niet is gesteld of gebleken dat een dergelijke akte is opgemaakt, is niet komen vast te staan dat sprake is van contractsoverneming zoals [gedaagde] BV stelt. Er is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een “nieuwe” overeenkomst, waarvan de algemene voorwaarden van Berendsen BV deel uit zouden kunnen maken. De rechtbank verwerpt derhalve het verweer van [gedaagde] BV.

[gedaagde] BV heeft daarnaast aangevoerd dat de algemene voorwaarden niet van toepassing zijn, omdat op de voorzijde van het formulier geen verwijzing staat naar de op de achterzijde van het formulier afgedrukte algemene voorwaarden.

Niet is betwist dat op de achterzijde van het formulier de in 4.2 bedoelde algemene voorwaarden zijn afgedrukt en dat dit formulier aan [gedaagde] BV voor of tijdens het sluiten van de overeenkomst is overhandigd. Vast staat dat op de voorzijde van het formulier wordt verwezen naar algemene voorwaarden. Niet is gesteld of gebleken dat [gedaagde] BV deze zin vlak boven de handtekeningen niet heeft begrepen. De rechtbank is onder deze omstandigheden van oordeel dat [gedaagde] BV, door niet te protesteren tegen de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden, bij Berendsen BV het gerechtvaardigde vertrouwen heeft gewekt ermee in te stemmen.

Dat op de voorzijde van het formulier niet expliciet wordt verwezen naar de achterzijde van het formulier waar deze algemene voorwaarden zijn afgedrukt, doet aan voorgaande niets af. Het is immers niet nodig dat de gebruiker (Berendsen BV) meende dat de wederpartij ([gedaagde] BV) de inhoud van de algemene voorwaarden kende.

De omstandigheid dat [gedaagde] BV de algemene voorwaarden kennelijk niet heeft gelezen, staat aan de toepasselijkheid van algemene voorwaarden niet in de weg. Daar tegenover staat dat zij de mogelijkheid heeft een beding uit de algemene voorwaarden, te weten artikel 2.3 en/of artikel 11.1, te vernietigen indien deze bepaling(en) onredelijk bezwarend is (zijn) of aan [gedaagde] BV geen redelijke mogelijkheid is geboden om van de algemene voorwaarden kennis te nemen. Van deze optie heeft [gedaagde] BV geen gebruik gemaakt.

[gedaagde] BV heeft ook nog aangevoerd dat de algemene voorwaarden niet van toepassing zijn, omdat Berendsen twee sets algemene voorwaarden gebruikt en dat niet duidelijk is welke set algemene voorwaarden volgens Berendsen BV van toepassing is, nu op de achterkant van het formulier de Algemene voorwaarden van huur en verhuur, bruikleen en onderhoud zijn afgedrukt en op de facturen wordt verwezen naar “Leverings- en betalingsvoorwaarden gedeponeerd K.V.K. te Arnhem”.

Ter comparitie heeft Berendsen BV verklaard dat ook voor door haar te leveren hygiëne artikelen algemene voorwaarden worden gehanteerd, maar dat aan [gedaagde] BV dergelijke artikelen niet zijn geleverd. In de conclusie van antwoord in reconventie stelt Berendsen BV maar één set algemene voorwaarden te hanteren, die bij de Kamer van koophandel is gedeponeerd. Berendsen BV stelt dat in de facturen naar deze algemene voorwaarden wordt verwezen. Op de hygiëne artikelen komt Berendsen BV niet meer terug. In artikel 11.4 van de op het formulier afgedrukte algemene voorwaarden wordt melding gemaakt van “Algemene Verkoop-, Leverings en betalingsvoorwaarden van Berendsen Textiel Services BV, zoals die zijn gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel te Arnhem”. In dit artikel worden deze algemene voorwaarden ook van toepassing verklaard, voorzover zij niet afwijken van de onderhavige algemene voorwaarden (lees: Algemene voorwaarden van huur en verhuur, bruikleen en onderhoud van Berendsen Textiel sevice BV).

Uit het voorgaande blijkt dat vooralsnog niet duidelijk is of Berendsen BV twee of drie sets algemene voorwaarden hanteert dan wel destijds heeft gehanteerd, die inhoudelijk op essentiële punten verschillen. De rechtbank stelt Berendsen BV in de gelegenheid bij akte de door haar (destijds) gehanteerde set(s) algemene voorwaarden in het geding te brengen.

Indien sprake blijkt te zijn van twee of drie sets algemene vorwaarden die op essentiële punten verschillen, dan is de rechtbank van oordeel dat het onder de gegeven omstandigheden voor [gedaagde] BV niet duidelijk was welke algemene voorwaarden van toepassing waren. In dat geval moet het ervoor worden gehouden dat geen van de sets deel uitmaken van de overeenkomst. Aangezien de vordering van Berendsen BV is gebaseerd op een bepaling in de volgens haar toepasselijke algemene voorwaarden, brengt dit mee dat daarmee de grondslag aan de vordering ontvalt en dat de vordering zal worden afgewezen.

Indien de sets niet inhoudelijk op essentiële punten verschillen dan wel indien geen sprake is van drie sets maar van verschillende onderdelen van één set al dan niet met verschillende namen of namen van onderdelen, dan staat dat de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden niet in de weg. In dat geval behoeven de overige verweren bespreking.

artikel 11 van de algemene voorwaarden in strijd met de redelijkheid en billijkheid?

[gedaagde] BV stelt dat artikel 11 van de op de achterzijde van het formulier gedrukte algemene voorwaarden in strijd is met de redelijkheid en billijkheid en om die reden buiten toepassing moet blijven.

Het antwoord op de vraag of redelijkheid en billijkheid aan een beroep op een contractueel beding in de weg staan, hangt af van tal van omstandigheden, zoals de aard en de verdere inhoud van de overeenkomst waarin het beding is opgenomen, de onderlinge verhouding van partijen, de wijze waarop het beding tot stand is gekomen en de mate waarin de wederpartij zich de strekking van het beding bewust is geweest. De rechtbank stelt vast dat [gedaagde] BV haar stelling onderbouwt met één argument te weten het argument dat artikel 11 geen rekening houdt met de omstandigheid dat de kleding door Berendsen BV van Clean Lease is overgenomen. De kleding is, zo stelt [gedaagde] BV, al vier jaar oud en daarmee afgeschreven. [gedaagde] BV stelt dat de afschrijvingstermijn voor dergelijke kleding vierentwintig maanden bedraagt en dat Berendsen BV zelf een kortere termijn, namelijk van 87 weken (ongeveer 20 maanden) hanteert. Berendsen BV heeft ter comparitie verklaard dat kleding gemiddeld zo’n drie jaar meegaat. Ook heeft zij gesteld dat zij niet alleen de van Clean Lease overgenomen kleding (waarvoor Berendsen BV aan Clean lease heeft betaald), maar ook nieuwe kleding aan [gedaagde] BV ter beschikking heeft gesteld en dat zij Clean Lease voor de kleding heeft betaald. Daarnaast heeft Berendsen BV gedocumenteerd aangevoerd dat het betalen van een overnamesom in de branche heel gebruikelijk is. [gedaagde] BV heeft daar niet meer op gereageerd.

De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] BV haar stellingen op dit punt onvoldoende nader heeft onderbouwd, bezien in het licht van de stellingen van Berendsen BV en dat [gedaagde] BV op dit punt niet aan de stelplicht heeft voldaan. Dit verweer zal om die reden worden verworpen.

vordering onjuist?

[gedaagde] BV heeft meer subsidiair gesteld dat Berendsen BV bij de berekening van hetgeen haar op basis van artikel 2.1 en 11.1 van de algemene voorwaarden (afgedrukt op de achterzijde van het formulier)

toekomt, uitgaat van onjuiste aantallen jassen en handy’s en van een onjuiste nieuwprijs.

[gedaagde] BV wijst er op dat in de dagvaarding wordt gesproken over 2460 jassen en 959 handy’s, terwijl tijdens een telling op het bedrijf van Berendsen BV op 20 juli 2004 2090 jassen en 790 handy’s aanwezig waren. Berendsen BV heeft aangevoerd dat de telling op 20 juli 2004 door mensen van [gedaagde] BV is verricht en dat niemand van Berendsen BV daarbij aanwezig was. Voorts benadrukt Berendsen BV dat niet moet worden uitgegaan van het van [gedaagde] BV ingeleverde aantal kledingstukken, maar van het door haar bij [gedaagde] BV uitgezette aantal kledingstukken. Berendsen BV heeft ter comparitie een overzicht overgelegd waaruit blijkt hoeveel kledingstukken als verstrekt aan [gedaagde] BV zijn gescand en hoeveel kledingstukken uiteindelijk als door [gedaagde] BV bij Berendsen BV ingeleverd zijn gescand. [gedaagde] BV heeft dit overzicht betwist. [gedaagde] BV heeft ter comparitie gesteld dat een dergelijk kloppend overzicht door iedereen kan zijn gemaakt.

De rechtbank is van oordeel dat nu [gedaagde] BV gemotiveerd heeft betwist dat op het moment van de beëidiging van de overeenkomst [gedaagde] BV op grond van de overeenkomst nog 3419 (2460 jassen en 959 handy’s) door Berendsen BV verstrekte kledingstukken in gebruik had, zoals Berendsen BV stelt, Berendsen BV haar stelling zal dienen te bewijzen. Berendsen BV heeft op dit punt bewijs aangeboden. De rechtbank stelt Berendsen BV in de gelegenheid bij akte aan te geven op welke wijze zij dit bewijs voornemens is te leveren.

[gedaagde] BV heeft tevens de door Berendsen BV in zijn berekening gehanteerde nieuwprijs van de kleding betwist. [gedaagde] BV heeft drie offertes van concurrenten van Berendsen BV in het geding gebracht, waarin een lagere nieuwprijs is vermeld. Berendsen BV heeft de representativiteit van de uitgebrachte offertes betwist. Voorts heeft zij gesteld dat naast een specifieke modellering voor [gedaagde] BV, een embleem, een barcode en een chip moet worden aangebracht en dat dat allemaal geld kost. Tevens wijst zij erop dat er kleding op voorraad moest worden gehouden en dat de kosten daarvan niet in de huurprijs, maar wel in de overnameprijs zijn verdisconteerd. [gedaagde] BV heeft betwist dat de kleding speciaal voor haar is gemodelleerd, dat dit derhalve geen extra kosten kan meebrengen en dat emblemen blijkens de overzichten van Berendsen BV apart in rekening worden gebracht.

De rechtbank stelt vast dat uit de algemene voorwaarden niet blijkt wat onder “van de op het moment dat de overnameverplichting bestaat geldende nieuwprijs” moet worden verstaan. Evenmin heeft Berendsen BV enig inzicht gegeven in de door haar gehanteerde nieuwprijs. De rechtbank is van oordeel dat Berendsen BV zich hierover nader bij akte dient uit te laten.

in reconventie

[gedaagde] BV stelt dat nu Berendsen BV meer kleding bij haar in rekening heeft gebracht dan Berendsen BV haar ter beschikking heeft gesteld, Berendsen BV het te veel in rekening gebrachte bedrag aan haar moet terugbetalen, omdat sprake is van onverschuldige betaling. [gedaagde] BV stelt dat uit de administratie niet duidelijk was hoeveel stuks kleding zij nu werkelijk van Berendsen BV huurde en dat zij eerst op 27 juni 2001 haar eerste factuur heeft ontvangen. Voorts voert zij aan dat zij een continu bedrijf is dat niet zonder kleding kan werken, zodat opschorting van de betaling van een factuur geen optie is.

De rechtbank is onder de gegeven omstandigheden van oordeel dat geen sprake is van onverschuldigde betaling. Wil hiervan sprake zijn dan dient immers de prestatie (betaling) zonder rechtsgrond te zijn verricht en dan mag er op het moment van presteren geen rechtsverhouding aanwijsbaar zijn die het verrichten van de prestatie rechtvaardigt. Van een dergelijke rechtsgrond en rechtsverhouding is naar het oordeel van de rechtbank wel degelijk sprake. Beide partijen hebben immers kleding geteld.

Berendsen BV stelt dat het door haar aan [gedaagde] BV in rekening gebrachte aantal kledingstukken is gebaseerd op de door [gedaagde] BV opgegeven aantallen. Gedurende de looptijd is dit aantal op verzoek van [gedaagde] BV vele malen gewijzigd, waardoor correcties doorgevoerd moesten worden op de facturen. Voorts stelt Berendsen BV dat de facturen betrekking hebben op door haar aan [gedaagde] BV geleverde kledingstukken en niet op door [gedaagde] BV aan Berendsen BV geretourneerde kledingstukken. Van te veel in rekening gebrachte kledingstukken is volgens Berendsen BV dan ook geen sprake. Berendsen BV erkent dat als gevolg van een wijziging in het verstrekkingssysteem (van persoonsgebonden naar maatgebonden kleding verstrekking) enige tijd van een mate van onduidelijkheid in de facturatie sprake kan zijn geweest, maar dat geen sprake is van onjuiste facturatie. Berendsen BV voert tot slot aan dat alle facturen steeds zonder protest zijn betaald.

Vast staat dat [gedaagde] BV op 20 juli 2004 bij Berendsen BV kleding heeft geteld. [gedaagde] BV stelt dat op die datum alle kleding door haar was ingeleverd en dat zij 2090 jassen en 790 handy’s heeft geteld. Met deze stelling als uitganspunt concludeert [gedaagde] BV, na het maken van een op basis van ontvangen facturen gemaakt overzicht van aantallen door Berendsen BV in rekening gebrachte kleding, dat er dus door haar te veel is betaald. Berendsen BV stelt bij de telling niet aanwezig te zijn geweest en stelt overigens dat dat verschil is te verklaren uit het feit dat niet alle door haar aan [gedaagde] BV verstrekte kleding ook daadwerkelijk is teruggegeven. Dit heeft [gedaagde] BV betwist. Nu Berendsen BV de vordering gemotiveerd betwist is het aan [gedaagde] BV haar stellingen te bewijzen. De rechtbank stelt [gedaagde] BV in de gelegenheid bij akte aan te geven op welke wijze zij dit bewijs voornemens is te leveren.

Uit voorgaande volgt dat beide partijen kledingstukken hebben geteld, maar uitkomen op verschillende aantallen. In de te nemen aktes zullen partijen moeten aangeven hoe zij uit dit “telprobleem” willen komen.

in conventie en reconventie

De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen, zoals in het dictum is aangegeven, teneinde partijen in de gelegenheid te stellen zich bij akte uit te laten over de hiervoor aangegeven onderwerpen.

De rechtbank geeft partijen tot slot in overweging ter voorbereiding op het - afhankelijk van het oordeel van de rechtbank over het in 4.9 aan de orde gestelde verweer eventueel - door hen te leveren bewijs hun administratie van verhuurde respectievelijk gehuurde kleding inclusief begin en eindstanden en overige uitgangspunten naast elkaar te leggen. Dit met het oog op een vlot verloop van de bewijslevering dan wel op een mogelijke oplossing in der minne.

In afwachting van de bewijslevering door partijen houdt de rechtbank iedere verdere beslissing aan.

De beslissing

De rechtbank:

in conventie en in reconventie

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 22 juni 2005 voor het door Berendsen BV in het geding brengen van de in 4.9 bedoelde stukken, almede het nemen van een akte door Berendsen BV als bedoeld in 4.13 en 4.15 en zich uit te laten zoals bedoeld in 4.20;

verstaat dat de zaak vervolgens op de rol van 13 juli 2005 komt om [gedaagde] BV in de gelegenheid te stellen bij akte te reageren op de akte van Berendsen BV en zich uit te laten zoals bedoeld in 4.19 en 4.20;

de rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.P.C.J. van Bavel en in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2005.

de griffier de rechter