Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2005:AU0241

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
27-07-2005
Datum publicatie
28-07-2005
Zaaknummer
05/002080-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Kassaproject. Toepassing van de aanmeldings-, Transactie- en Vervolgingsrichtlijnen voor fiscale en douanedelicten (ATV-Richtlijnen) leidt tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. De omvang van de te weinig geheven belasting moet worden bepaald aan de hand van de gegevens zoals die beschikbaar waren op het moment van het nemen van de vervolgingsbeslissing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector strafrecht

Meervoudige Kamer

Parketnummer : 05/002080-04

Datum zitting : 14 juli 2005

Datum uitspraak : 27 juli 2005

VERKORT VONNIS

TEGENSPRAAK

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats].

Raadsman: mr. J.C.J Smallenbroek, advocaat te Leiderdorp.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

Keurslagerij [naam] V.O.F. op een of meer verschillende tijdstippen in de

periode 1 januari 1998 tot en met 31 december 2000, in de gemeente Katwijk

en/of (elders) in Nederland, (telkens) een kasadministratie, - (elk) zijnde een samenstel van geschriften welke in onderlinge samenhang bestemd was om te dienen tot bewijs van het daaringestelde, althans van enig feit-,

valselijk heeft opgemaakt met het oogmerk om die kasadministratie(s) als echt

en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken,

hebbende dat valselijk opmaken (telkens) hierin bestaan, dat (telkens) in die

kasadministratie(s) een of meer ontvangsten winkelomzet niet werden vermeld

en/of (telkens) een te laag bedrag aan ontvangsten winkelomzet werd vermeld

en/of (telkens) een of meer loonbetalingen niet werden vermeld en/of (telkens)

een te laag bedrag aan personeelkosten werd vermeld, zulks terwijl hij, verdachte, als vennoot van genoemde vennootschap onder firma al dan niet tezamen en in vereniging met een of meer anderen tot bovenomschreven strafbare feiten/strafbaar feit opdracht heeft gegeven dan wel feitelijk leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedraging(en);

(vindplaats van delen van die kasadministratie, bijlagen D/045 en D/046)

2.

Keurslagerij [naam] V.O.F. op een of meer verschillende tijdstippen in de

periode april 1998 tot en met januari 2001 in de gemeente(n) Katwijk en/of

Leiden, althans in Nederland, (telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) voor de omzetbelasting over de of over een of meer van de kwartalen gelegen in de jaren 1998 tot en met 2000, onjuist of onvolledig heeft gedaan bij de inspecteur der belastingen/Belastingdienst/Hoofd Ondernemingen te Leiden, zulks terwijl die feiten/dat feit er (telkens) toe strekte(n) dat te weinig belasting wordt geheven, hebbende die onjuistheid of onvolledigheid (telkens) hierin bestaan, dat in of met een of meer aangiftebiljetten betreffende die kwartaal/dat kwartaal (telkens) een te laag bedrag aan verrichte leveringen/diensten werd vermeld en/of (telkens) ten onrechte een zogenaamde nihil-aangifte werd gedaan en/of (telkens) een te laag bedrag aan te betalen omzetbelasting werd vermeld en/of (telkens) ten onrechte een bedrag aan terug te vragen (voor-)belasting werd vermeld en/of (telkens) een te hoog bedrag aan terug te vragen (voor-)belasting werd vermeld,

zulks terwijl hij, verdachte, als vennoot van genoemde vennootschap onder

firma al dan niet tezamen en in vereniging met een of meer anderen tot

bovenomschreven strafbare feiten/strafbaar feit opdracht heeft gegegven dan

wel feitelijk leiding heeft gegeven aan bovenomschreven gedraging(en);

(vinplaats documenten: bijlagen D/001 tot en met D/0011)

3.

hij op een of meer verschillende tijdstippen in de periode juli 1999 tot en

met november 2001, te Rijnsburg en/of in de gemeente Leiden, althans in

Nederland, (telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) voor de inkomstenbelasting over het/de jaar/jaren 1998, 1999 en/of 2000, onjuist of onvolledig heeft gedaan bij de Inspecteur der belastingen of de

Belastingdienst te Leiden, terwijl die feiten/dat feit er (telkens) toe strekte(n) dat te weinig belasting wordt geheven, hebbende die onjuistheid of onvolledigheid (telkens) hierin bestaan, dat in de aangiftebiljetten/het aangiftebiljet betreffende die jaren/dat jaar en/of in de daarbij gevoegde en daarvan deeluitmakende bijlage(n) (telkens) een te laag belastbaar inkomen en/of een te lage (belastbare) winst uit onderneming werd vermeld;

(vindplaats aangiftebiljetten: bijlagen D/020 tot en met D/022)

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 14 juli 2005 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door

mr. J.C.J Smallenbroek, advocaat te Leiderdorp.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot het verrichten van een werkstraf voor de duur van 80 uren subsidiair 40 dagen vervangende hechtenis, en voorts tot de betaling van een geldboete ten bedrage van

€ 12.500,-, subsidiair 197 dagen vervangende hechtenis.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

2a De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

De raadsman van verdachte heeft betoogd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

De raadsman heeft daartoe in de eerste plaats aangevoerd dat het bedrag van de te weinig betaalde belasting € 18.999,- c.q. minder dan € 23.000,- bedraagt en dat daarom niet is voldaan aan de voorwaarden die in de Aanmeldings-, Transactie- en Vervolgingsrichtlijnen voor fiscale delicten en douanedelicten (hierna: de ATV-richtlijnen) aan vervolging zijn gesteld. Volgens de raadsman dient voor het bedrag van de benadeling alleen rekening te worden gehouden met reeds opgelegde aanslagen.

In onderdeel 4.4 van de ATV-Richtlijnen is voor zover hier van belang het volgende bepaald:

“een onderneming komt voor dagvaarding in aanmerking , indien de ontdoken belasting gedurende de onderzoeksperiode € 11.500,- of meer bedraagt (…) en de zaak tenminste drie punten krijgt krachtens de lijst prioriteitsbepaling.”.

In onderdeel 6 van de ATV-richtlijnen is bepaald:

“Onder “particulieren” worden verstaan:

a. natuurlijke personen die niet een bedrijf of zelfstandig beroep uitoefenen, en b. natuurlijke personen andere dan bedoeld onder a. voor zover zij een fiscaal delict (…) buiten de winstsfeer begaan.

Onder ‘ondernemingen’ worden verstaan a. rechtspersonen en b. natuurlijke personen die geen particulieren zijn.

Uit deze bepalingen volgt dat verdachte in zijn hoedanigheid van firmant van Keurslagerij [naam] V.O.F. als onderneming in de zin van de ATV-richtlijnen moet worden beschouwd.

Het Openbaar Ministerie heeft het bedrag dat over de jaren 1998 tot en met 2000 door Keurslagerij [naam] V.O.F. te weinig aan omzetbelasting is betaald, op € 10.790,- en het bedrag aan inkomstenbelasting dat door verdachte over die jaren te weinig is betaald, op € 25.388,- begroot. De som van beide bedragen is € 36.178,-. Op grond van het bepaalde in onderdeel 5.2 van de ATV-richtlijnen wordt in gevallen als deze waarin het bedrag aan ontdoken belasting meer is dan € 23.000,- maar minder dan € 45.500,- aan de zaak twee prioriteitspunten toegekend. Anders dan de raadsman voorstaat, dient niet alleen rekening te worden gehouden met op het tijdstip waarop de vervolging wordt ingesteld reeds opgelegde aanslagen, maar ook met te weinig betaalde belasting die als gevolg van de in artikel 16 en 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) niet meer kan worden nagevorderd of nageheven maar waarvoor de in verband met de vervolging op grond van artikel 69 AWR jo artikel 70, onder ten derde, van het Wetboek van Strafrecht van toepassing zijnde verjaringstermijn van twaalf jaar nog niet is verstreken.

In de door de raadsman voorgestane uitleg zou laatstgenoemde verjaringstermijn in geval van vervolging op grond van artikel 69 AWR in strijd met de duidelijke tekst van de wet en de kennelijke bedoeling van de wetgever worden beperkt tot vijf jaar.

Gezien het overigens in onderdeel 5.2 van de ATV-richtlijnen bepaalde, kon op de grond dat sprake is van een combinatie met een ander dan een fiscaal strafbaar feit, te weten valsheid in geschrifte aan de zaak een derde prioriteitspunt worden toegekend.

Nu aan de zaak drie prioriteitspunten konden worden toegekend, moet het verweer van de raadsman in zoverre worden verworpen.

De raadsman heeft voorts betoogd dat in het proces verbaal van ambtshandeling met nummer AH/A/006 staat vermeld dat ondernemers die voor 1 januari 2003 een bedrijf hebben beëindigd, niet zullen worden bezocht.

Nu verdachte zijn bedrijf voor genoemde datum heeft beëindigd, is vervolging volgens de raadsman in strijd met het gelijkheidsbeginsel en moet de officier van justitie ook op die grond niet-ontvankelijk worden verklaard.

In verband hiermee acht de rechtbank het volgende van belang. AH/A/006 bevat een verslag van de wijze waarop de afnemers die door de FIOD-ECD zijn bezocht, zijn geselecteerd en betreft dus het strafrechtelijk onderzoek en niet de vervolging. Ook overigens is niet aannemelijk geworden dat het Openbaar Ministerie door verdachte te vervolgen het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden. Dit verweer van de raadsman moet daarom worden verworpen.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank overweegt omtrent het bewijs in het bijzonder het volgende:

Gelet op de gedetailleerde bekennende verklaring van verdachte afgelegd bij de politie en ter terechtzitting, de verklaringen van medeverdachten [namen] en de bevindingen van de verbalisanten [namen] opgenomen in het proces-verbaal genummerd 27762, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

1.

Keurslagerij [naam] V.O.F. op een of meer verschillende tijdstippen in de

periode 1 januari 1998 tot en met 31 december 2000, in de gemeente Katwijk

en/of (elders) in Nederland, (telkens) een kasadministratie, - (elk) zijnde een samenstel van geschriften welke in onderlinge samenhang bestemd was om te dienen tot bewijs van het daaringestelde, althans van enig feit-, valselijk heeft opgemaakt met het oogmerk om die kasadministratie(s) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, hebbende dat valselijk opmaken (telkens) hierin bestaan, dat (telkens) in die kasadministratie(s) een of meer ontvangsten winkelomzet niet werden vermeld en/of (telkens) een te laag bedrag aan ontvangsten winkelomzet werd vermeld en/of (telkens) een of meer loonbetalingen niet werden vermeld en/of (telkens) een te laag bedrag aan personeelskosten werd vermeld, zulks terwijl hij, verdachte, als vennoot van genoemde vennootschap onder firma al dan niet tezamen en in vereniging met een of meer anderen tot bovenomschreven strafbare feiten/strafbaar feit opdracht heeft gegeven dan wel feitelijke leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedraging(en);

(vindplaats van delen van die kasadministratie, bijlagen D/045 en D/046)

2.

Keurslagerij [naam] V.O.F. op een of meer verschillende tijdstippen in de

periode april 1998 tot en met januari 2001 in de gemeente(n) Katwijk en/of

Leiden, althans in Nederland, (telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) voor de omzetbelasting over de of over een of meer van de kwartalen gelegen in de jaren 1998 tot en met 2000, onjuist of onvolledig heeft gedaan bij de inspecteur der belastingen/Belastingdienst/Hoofd ondernemingen te Leiden, zulks terwijl die feiten/dat feit er (telkens) toe strekte(n) dat te weinig belasting wordt geheven, hebbende die onjuistheid of onvolledigheid (telkens) hierin bestaan, dat in of met een of meer aangiftebiljetten betreffende die kwartaal/dat kwartaal (telkens) een te laag bedrag aan verrichte leveringen/diensten werd vermeld en/of (telkens) ten onrechte een zogenaamde nihil-aangifte werd gedaan en/of (telkens) een te laag bedrag aan te betalen omzetbelasting werd vermeld en/of (telkens) ten onrechte een bedrag aan terug te vragen (voor-)belasting werd vermeld en/of (telkens) een te hoog bedrag aan terug te vragen (voor-)belasting werd vermeld,

zulks terwijl hij, verdachte, als vennoot van genoemde vennootschap onder

firma al dan niet tezamen en in vereniging met een of meer anderen tot

bovenomschreven strafbare feiten/strafbaar feit opdracht heeft gegegven dan

wel feitelijke leiding heeft gegeven aan bovenomschreven gedraging(en);

(vinplaats documenten: bijlagen D/001 tot en met D/0011)

3.

hij op een of meer verschillende tijdstippen in de periode juli 1999 tot en

met november 2001, te Rijnsburg en/of in de gemeente Leiden, althans in

Nederland, (telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) voor de inkomstenbelasting over het/de jaar/jaren 1998, 1999 en/of 2000, onjuist of onvolledig heeft gedaan bij de Inspecteur der belastingen of de

Belastingdienst te Leiden, terwijl die feiten/dat feit er (telkens) toe strekte(n) dat te weinig belasting wordt geheven, hebbende die onjuistheid of onvolledigheid (telkens) hierin bestaan, dat in de aangiftebiljetten/het aangiftebiljet betreffende die jaren/dat jaar en/of in de daarbij gevoegde en daarvan deeluitmakende bijlage(n) (telkens) een te laag belastbaar inkomen en/of een te lage (belastbare) winst uit onderneming werd vermeld;

(vindplaats aangiftebiljetten: bijlagen D/020 tot en met D/022)

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

4a. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Medeplegen van feitelijke leidinggeven aan de verboden gedraging:

Valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 2:

Medeplegen van feitelijke leidinggeven aan de verboden gedraging: opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 3:

Opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.

4b. De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid of feit aannemelijk geworden waardoor de strafbaarheid van verdachte wordt opgeheven of uitgesloten. Verdachte is dus strafbaar.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke en financiële omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

- de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 30 maart 2005.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Het betreft hier een jarenlange welbewust uitgevoerde fiscale fraude, waarbij Keurslager [naam] V.O.F., waaraan verdachte samen met een ander in de tenlastegelegde periode feitelijke leiding heeft gegeven, een centrale rol heeft gespeeld. Verdachte heeft gebruik gemaakt van een computerprogramma waardoor de administratie stelselmatig valselijk werd opgemaakt. Verdachte heeft deze administratie als basis gebruikt voor de berekening van de verschuldigde omzetbelasting van Keurslager [naam] V.O.F.. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het doen van onjuiste aangifte inkomstenbelasting.

Verdachte heeft tezamen met een ander op geraffineerde wijze gedurende een aantal jaren - en telkens zeer bewust - handmatig met gebruikmaking van een computerprogramma een percentage van de omzet afgeroomd.

Door middel van het plegen van de bewezenverklaarde feiten heeft verdachte er voor gezorgd dat de concurrentie op de markt werd verstoord en heeft hij zich een voorsprong verschaft op concurrenten die kozen voor een eerlijk ondernemerschap. Voor deze handelswijze bestond geen directe financiële noodzaak die min of meer begrijpelijk maakt waarom verdachte besloot om tot het plegen van deze feiten over te gaan.

Ter zitting heeft verdachte aangevoerd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europese Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM) is geschonden nu het te lang heeft geduurd voordat zijn strafzaak inhoudelijk is behandeld door de rechtbank. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Op 31 januari 2003 hebben twee ambtenaren van de FIOD-ECD een bezoek gebracht aan Keurslagerij [naam] V.O.F.. Daarbij is door de opsporingsambtenaren aan de medeverdachten [namen] medegedeeld dat zij als verdachte zijn aangemerkt. Voor wat betreft verdachte geldt dat hij pas in januari 2004 is gehoord als verdachte. Pas dit verhoor kan te zijnen aanzien worden aangemerkt als een handeling waaraan verdachte in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem terzake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Op 31 mei 2005 is vervolgens de dagvaarding naar verdachte uitgegaan. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM niet is geschonden.

Gelet op de lange fraudeperiode, de persoonlijke omstandigheden van verdachte, alsmede de listige manier waarop door verdachte is gefraudeerd, is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie geëiste straf passend en geboden is.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 23, 24, 24c, 47, 51, 57, 91 en 225 van het Wetboek van Straf-recht, alsmede op de artikelen 69 en 72 van de Algemene Wet inzake Rijksbelasting.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

het verrichten van een werkstraf gedurende tachtig (80) uren.

Bepaalt dat deze werkstraf binnen één (1) jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden voltooid.

De termijn binnen welke de werkstraf moet worden verricht, wordt verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen alsmede met de tijd dat hij ongeoorloofd afwezig is.

Beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast.

Stelt deze vervangende hechtenis vast op veertig (40) dagen.

En voorts tot

een betaling van een geldboete ten bedrage van € 12.500,- (zegge twaalfduizendvijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door de duur van 197 dagen hechtenis.

Aldus gewezen door:

mr. M. Jurgens, rechter, als voorzitter,

mr. M. Keppels, rechter,

mr. E.C.G. Okhuizen, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. M.S. de Vries, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 juli 2005.