Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2005:AU0234

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
21-07-2005
Datum publicatie
28-07-2005
Zaaknummer
400317 \ HA VERZ 05-1545 \ PH/174/cl
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Toetsingskader ingeval een werkgever een voorgenomen massaontslag niet bij het CWI heeft aangemeld. Voorgestelde afvloeiingsregeling niet met vakbonden overlegd. Kantonrechter beoordeelt de individuele gevallen aan de hand van de criteria uit het Ontslagbesluit en wijst daarom sommige verzoeken toe en andere af. Vaststelling ontbindingsvergoedingen onafhankelijk van voorgestelde afvloeiingsregeling, maar op basis kantonrechtersformule (C=0,75).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector kanton

Locatie Arnhem

zaakgegevens 400317 \ HA VERZ 05-1545 \ PH/174/cl

uitspraak van 21 juli 2005

Beschikking

in de zaak van

de besloten vennootschap [verzoeker]

gevestigd te Arnhem

verzoekende partij

gemachtigde mr. D.T.J. van der Klei

en

[v[verweerder]

wonende te [woonplaats]

verwerende partij

gemachtigden mr. O.J. Ingwersen en mr. W.J.F. Nieuwenhuis

1 De procedure

Bij verzoekschrift van 22 juni 2005 heeft verzoekende partij, verder te noemen [verzoeker], de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomsten met zestien werknemers, onder wie [verweerder], te ontbinden. Mede namens [verweerder] is een verweerschrift ingediend. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 7 juli 2005. Partijen zijn verschenen, vergezeld van gemachtigden, en hebben hun standpunten doen toelichten aan de hand van pleitnotities. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat ter zitting aan de orde is gesteld. Vervolgens heeft de kantonrechter de behandeling geschorst om [verzoeker] de gelegenheid te geven haar verzoek nader met stukken te onderbouwen en op basis daarvan met de werknemers in overleg te treden. De mondelinge behandeling is voortgezet op 15 juli 2005. Partijen zijn opnieuw verschenen, vergezeld van gemachtigden, en hebben hun standpunten verder doen toelichten aan de hand van pleitnotities. Ook daarvan heeft de griffier aantekeningen gemaakt. Tenslotte heeft de kantonrechter bepaald dat beschikking zal worden gegeven, waarbij [verzoeker] de gelegenheid is geboden de griffier uiterlijk 19 juli 2005 om 9:00 uur te berichten of zij alle verzoeken handhaaft. [verzoeker] heeft het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met één - andere - werknemer ingetrokken.

2 De vaststaande feiten

2.1 [verzoeker] is een onderneming die zich richt op het ontwikkelen, produceren en distribueren van computeraanpassingen en IT-hulpmiddelen voor blinden en slechtzienden. Haar activiteiten zijn in drie groepen te verdelen, te weten het verkopen van de [verzoeker] brailleleesregel (een voorziening die het voor een blinde mogelijk maakt een PC te gebruiken), het verkopen van de [verzoeker] MPO (een organizer voor blinden) en het onderhouden van haar producten en het trainen van de gebruikers ervan.

2.2 [verzoeker] is voornemens haar onderneming te reorganiseren en in dat kader binnen korte tijd meer dan vier werknemers te laten afvloeien door middel van de ontbinding van hun arbeidsovereenkomsten door de kantonrechter. Zij heeft dit voornemen niet gemeld bij de FNV, waarbij één van de betrokken werknemers is aangesloten.

2.2 [verweerder], geboren op 7 september 1964, is op 13 september 2000 in dienst getreden van [verzoeker]. Hij is als Boekhoudkundig Medewerker werkzaam op de administratie. Zijn laatst verdiende bruto maandsalaris bedraagt € 1.968,-.

3 Het verzoek

3.1 [verzoeker] heeft de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomsten met de werknemers onder wie [verweerder] te ontbinden met ingang van 31 juli 2005, althans dadelijk of op korte termijn wegens gewichtige redenen en daarbij aan de werknemers een vergoeding toe te kennen overeenkomstig het Sociaal Plan.

3.2 [verzoeker] heeft het volgende aan haar verzoek ten grondslag gelegd. De verkopen van de leesregel en de MPO lopen terug, terwijl ook de omzet van de diensten afneemt. [verzoeker] heeft de afgelopen jaren een aantal maatregelen genomen om deze situatie het hoofd te bieden, waaronder een reorganisatie in 2004. Niettemin is de huidige liquiditeitspositie van [verzoeker] zodanig dat zij in haar voortbestaan wordt bedreigd.

3.3 Aan het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [werknemer] heeft [verzoeker] meer in het bijzonder het volgende ten grondslag gelegd. Met het teruglopen van de omzet moet ook de administratie kleiner worden. Het hoofd van de administratie, [werkneemster], heeft het grootste aantal dienstjaren van de afdeling en moet in staat worden geacht de verminderde werkzaamheden alleen te kunnen uitvoeren. Het OR-lidmaatschap van [verweerder] houdt volgens [verzoeker] geen verband met het onderhavige ontbindingsverzoek.

3.4 [verzoeker] heeft een ontbindingsvergoeding aangeboden zoals in het Sociaal Plan voorzien. Deze vergoeding houdt in, verkort weergegeven, een maandelijks te betalen aanvulling op de WW-uitkering tot het niveau van het laatst verdiende loon gedurende maximaal een jaar, waarbij de WW-uitkering niet geldt als toelatingscriterium maar als rekencriterium.

4 Het verweer

4.1 [verweerder] heeft zich tegen toewijzing van het verzoek verzet.

4.2 Daartoe heeft [verweerder] allereerst aangevoerd dat het ontbindingsverzoek moet worden afgewezen omdat [verzoeker] zich, gezien de omvang van de reorganisatie, niet tot de kantonrechter maar tot het CWI had moeten wenden.

4.3 [verweerder] heeft voorts betwist dat de OR heeft ingestemd met de reorganisatie en met het Sociaal Plan. Door de reorganisatie niettemin door te voeren handelt [verzoeker] in strijd met de wet.

4.4 [verweerder] heeft in eerste instantie erkend dat het [verzoeker] financieel niet voor de wind gaat, maar op basis van een kritische beschouwing van de stukken die [verzoeker] in het geding heeft gebracht betoogd dat het scenario niet zo donker is als door [verzoeker] voorgesteld. Nadat [verzoeker] de onderbouwing van haar stellingen had aangevuld, heeft [verweerder] aangevoerd dat op basis van de nieuwe documenten niet kan worden ontkend dat [verzoeker] in zwaar weer verkeert in die zin dat er in 2005 maandelijks verlies wordt geleden en dat [verweerder] inziet dat de huidige situatie niet gezond is. [verweerder] heeft evenwel aangevoerd dat uit de stukken blijkt dat een herstel is ingetreden zodat een reorganisatie, zo deze nodig mocht zijn, niet de omvang behoeft te hebben die [verzoeker] voorstaat.

4.5 [verweerder] heeft voorts onder meer aangevoerd dat hij op de afdeling fungeert als vraagbaak, dat het facturatiesysteem complex is, dat er achterstanden zijn en dat hij voor de afdeling onmisbaar is. Hij voert aan dat mevrouw [werkneemster] heeft meegedeeld dat zij het werk niet alleen aan zal kunnen.

4.6 Voor het geval dat de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden verzoekt [verweerder] rekening te houden met de fictieve opzegtermijn en maakt hij aanspraak op een ineens uit te keren ontbindingsvergoeding op basis van de kantonrechtersformule met een correctiefactor C = 1, derhalve een bedrag van € 10.627,20.

5 De beoordeling

5.1 Het verweer dat [verzoeker] zich niet tot de kantonrechter maar tot het CWI had moeten wenden faalt, nu partijen bij een arbeidsovereenkomst te allen tijde bevoegd zijn zich met een ontbindingsverzoek tot de kantonrechter te wenden.

5.2 Op basis van de in het geding gebrachte stukken, waaronder de jaarrekening 2004 en de balansen en resultatenrekeningen over de maanden januari tot en met juni 2005 van [verzoeker] [verzoeker]., van welke vennootschap [verzoeker] een dochter is, en mede in het licht van de erkenning door [verweerder], is voldoende aannemelijk geworden dat de bedrijfseconomische situatie van [verzoeker] thans zodanig is, dat er sprake is van veranderingen in de omstandigheden die een gewichtige reden voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst opleveren. Dat een herstel van deze situatie is ingetreden, is onvoldoende aannemelijk geworden.

5.3 Daarmee komt de vraag aan de orde of de arbeidsovereenkomst met [verweerder] voor ontbinding in aanmerking komt. Voor de beoordeling van die vraag wordt aansluiting gezocht bij hetgeen is bepaald in de artikelen 4.2, 4.3 en 4.4 van het Ontslagbesluit.

5.4 [verzoeker] is in beginsel vrij haar onderneming in te richten op de manier die zij verstandig vindt. Dat [verweerder] in zijn ogen onmisbaar voor zijn afdeling is en dat mevrouw [werkneemster] heeft aangekondigd het werk niet alleen aan te kunnen, staat daarom niet aan ontbinding in de weg. Een verband tussen het verzoek van [verzoeker] en het OR-lidmaatschap van [verweerder] is niet gebleken. De reorganisatie is immers ingegeven door economische motieven, terwijl in dat kader ook van de arbeidsovereenkomst van [verweerder]s directe collega [werknemer], die geen OR-lid is, de ontbinding is gevraagd. Het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst is daarom toewijsbaar.

5.5 Daarmee komt de vraag aan de orde of bij ontbinding een vergoeding moet worden toegekend.

5.6 [verzoeker] heeft de FNV, bij welke vakbond een van de betrokken werknemers aangesloten is, niet van de reorganisatie op de hoogte gebracht. Voorts heeft zij onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij de ondernemingsraad op correcte wijze heeft betrokken bij de voorgenomen reorganisatie en bij het opstellen van het Sociaal Plan. Ter zitting is van de zijde van [verzoeker] verklaard dat de regeling in het Sociaal Plan moet worden beschouwd als een aanbod, dat voor aanvaarding openstaat. Daarom wordt geoordeeld dat het Sociaal Plan eenzijdig is opgesteld, zodat aan de inhoud ervan voorbij zal worden gegaan.

5.7 Nu enerzijds aan [verweerder] geen enkel verwijt is gemaakt van het ontstaan van de ontbindingsgrond, terwijl anderzijds voldoende aannemelijk is geworden dat [verzoeker] in een moeilijke liquiditeitspositie verkeert, acht de kantonrechter een vergoeding op basis van de kantonrechtersformule met een correctiefactor C = ¾ billijk, derhalve een bruto bedrag van € 8.767,-. Deze vergoeding zal ineens verschuldigd zijn, nu het niet billijk is dat [verweerder] de onderneming waarvan hij niet meer in dienst is de komende tijd financiert doordat zijn vergoeding volgens een betalingsregeling wordt uitbetaald. Met de fictieve opzegtermijn wordt geen rekening gehouden, nu de wetgever met de invoering van artikel 16 lid 3 WW een anticumulatieregel ten laste van de werknemer heeft beoogd.

5.8 Omdat in het geval van ontbinding aan [verweerder] een vergoeding wordt toegekend die hoger kan zijn dan hetgeen [verzoeker] heeft aangeboden, zal [verzoeker] de gelegenheid worden geboden haar verzoek in te trekken. Zowel in het geval dat [verzoeker] het verzoek intrekt, als in het geval dat zij dat niet doet, wordt zij in de proceskosten veroordeeld. De kosten van haar keuze voor de onderhavige procedure bij de kantonrechter behoren immers voor haar risico te komen.

6 De beslissing

De kantonrechter,

stelt partijen in kennis van zijn voornemen de arbeidsovereenkomst te ontbinden per 1 augustus 2005 onder toekenning aan [verweerder] van een ten laste van [verzoeker] komende vergoeding van € 8.767,- bruto;

stelt [verzoeker] in de gelegenheid het verzoek uiterlijk 29 juli 2005 om 12:00 uur in te trekken door middel van een schriftelijk bericht aan de griffie;

indien het verzoek niet wordt ingetrokken:

ontbindt de arbeidsovereenkomst per de hierboven genoemde datum onder toekenning aan [verweerder] van een ten laste van [verzoeker] komende vergoeding als hierboven genoemd;

ongeacht intrekking:

veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten, tot aan deze beschikking aan de zijde van [verweerder] begroot op € 500,-.

Deze beschikking is gegeven door de kantonrechter mr. P.A. Huidekoper en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2005.