Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2005:AU0228

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
27-07-2005
Datum publicatie
28-07-2005
Zaaknummer
05/002082-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onrechtmatig verkregen bewijs:

Door de raadsman is naar voren gebracht dat van het bewijsmateriaal verkregen door de uitlevering van de administratie op 15 december 2003 geen gebruik mag worden gemaakt aangezien op onjuiste gronden de uitlevering van de administratie is gevorderd nu op het moment van het bevel tot uitlevering nog geen verdenking bestond tegen verdachte. In het tripartiete overleg van 15 mei 2003 is naar aanleiding van een onderzoek naar gekopieerde bestanden besloten tot het instellen van een strafrechtelijk onderzoek. Naar het oordeel van de rechtbank bestond op dat moment klaarblijkelijk reeds een vermoeden van schuld. Dat pas op 9 februari 2004 een proces-verbaal van dat onderzoek is opgemaakt doet niets af aan de reeds op 15 mei 2003 bestaande verdenking. Het verweer wordt derhalve verworpen.

Opzet en feitelijk leidinggeven

Uit de inhoud van bovengenoemde gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, leidt de rechtbank af dat verdachte opzettelijk de weekomzetstaten, de kasadministratie en de belastingaangiften heeft vervalst althans op onjuiste wijze heeft gedaan en dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt als medepleger aan het feitelijk leidinggeven daaraan.

Vrijspraak onjuiste aangiften IB

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder feit 4 is tenlastegelegd.

Het feit dat door verdachte een onjuiste kasadministratie is gevoerd waardoor foutieve bedragen zijn aangegeven op de aanslagbiljetten omzetbelasting en vennootschapbelasting van bedrijven van verdachte, impliceert nog niet dat verdachte dan ook foutieve bedragen op de aanslagbiljetten inkomstenbelasting heeft opgegeven. Uit de bewijsmiddelen blijkt niet van feiten en omstandigheden waaruit kan volgen dat verdachte zijn aanslagbiljetten inkomstenbelasting foutief h eft ingevuld. Ook zijn dergelijke feiten en omstandigheden door de officier van justitie niet aangedragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2005-1502
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector strafrecht

Meervoudige Kamer

Parketnummer : 05/002082-04

Datum zitting : 14 juli 2005

Datum uitspraak : 27 juli 2005

VERKORT VONNIS

TEGENSPRAAK

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats].

Raadsman: mr. E.F.A. Dams, advocaat te Groningen.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een door de rechtbank toegewezen vordering wijziging tenlastelegging, tenlastegelegd dat:

1.

[Bedrijf U] op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode

van 1 januari 1998 tot en met 14 februari 2003 te Delfzijl, althans in

Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) een of meer weekomzetstaten en/of een of meer kasadministraties van

[Bedrijf U],

- (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te

dienen -, (telkens) valselijk heeft opgemaakt, althans doen of laten opmaken

of heeft vervalst, althans doen of laten vervalsen, met het oogmerk om die/dat

geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen

gebruiken, door (telkens) opzettelijk valselijk en/of in strijd met de

waarheid in die weekomzetstaat/weekomzetstaten een lagere (week)omzet te

vermelden, althans te doen of te laten vermelden, dan dat die (week)omzet(en)

in werkelijkheid was/waren en/of die (aldus valselijk opgemaakte of vervalste)

weekomzetstaat/weekomzetstaten (telkens) op te nemen, althans te doen of te

laten opnemen in die kasadministratie(s), in elk geval in die

kasadministratie(s) (een) lagere weekomszet(ten) te vermelden, althans te

doen of te laten vermelden, dan dat die weekomzet(ten) in werkelijkheid

was/waren,

terwijl zij, verdachte, al dan niet tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen tot bovenomschreven strafba(a)r(e) feit(en) opdracht

heeft gegeven, dan wel de feitelijke leiding heeft gegeven aan bovenomschreven

verboden gedraging(en);

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 1998

tot en met 14 februari 2003 te Delfzijl, althans in Nederland, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) een of meer weekomzetstaten en/of een of meer kasadministraties van

[Bedrijf U],

- (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te

dienen -, (telkens) valselijk heeft/hebben opgemaakt of vervalst, met het

oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door

anderen te doen gebruiken, door (telkens) opzettelijk valselijk en/of in

strijd met de waarheid in die weekomzetstaat/weekomzetstaten een lagere

(week)omzet te vermelden, althans te doen vermelden, dan dat die

(week)omzet(en) in werkelijkheid was/waren en/of die (aldus valselijk

opgemaakte of vervalste) weekomzetstaat/weekomzetstaten (telkens) op te nemen,

althans te doen opnemen in die kasadministratie(s), in elk geval in die

kasadministratie(s) (een) lagere weekomszet(ten) te vermelden, althans te doen

vermelden, dan dat die weekomzet(ten) in werkelijkheid was/waren;

2.

de [Bedrijf X] en [Bedrijf U], op een of

meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 april 1999 tot en met 7

april 2003 te Groningen en/of te Heerlen en/of elders in Nederland, (telkens)

opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de

Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) voor de

omzetbelasting over het eerste, tweede, derde en/of vierde kwartaal 1999 en/of

het eerste, tweede, derde en/of vierde kwartaal 2000 en/of het eerste, tweede,

derde en/of vierde kwartaal 2001 en/of het eerste, tweede, derde en/of vierde

kwartaal 2002 en/of het eerste kwartaal 2003 onjuist en/of onvolledig heeft

gedaan, immers heeft die [Bedrijf X] en [Bedrijf U], (telkens) opzettelijk op het bij de Inspecteur der belastingen

of de Belastingdienst of Hoofd Ondernemingen:

- Groningen voor de ingeleverde aangiftebiljet(ten) omzetbelasting over het

eerste, tweede, derde en/of vierde kwartaal 1999 en/of het eerste, tweede,

derde en/of vierde kwartaal 2000 en/of het eerste, tweede, derde en/of vierde

kwartaal 2001 en/of het eerste, tweede kwartaal 2002 en/of

- Groningen via Heerlen voor de ingeleverde aangiftebiljet(ten) over het derde

en/of vierde kwartaal 2002 en/of het eerste kwartaal 2003,

(telkens) een te laag belastbaar bedrag, althans (telkens) een te laag bedrag

aan belasting opgegeven, terwijl dat feit (telkens) ertoe strekte dat te

weinig belasting werd geheven,

tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte, al

dan niet tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen

(telkens) opdracht heeft/hebben gegeven, dan wel aan bovenomschreven verboden gedraging(en) (telkens) feitelijk leiding heeft/hebben gegeven;

3.

[Bedrijf X] op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van

28 februari 2000 tot en met 24 april 2003 te Groningen en/of elders in

Nederland, (telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene

aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten

(een) aangifte(n) voor de vennootschapsbelasting over het/de jaar/jaren 1998,

1999, 2000, 2001 en/of 2002 onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers

heeft die [Bedrijf X] (telkens) opzettelijk op het bij de Inspecteur

der belastingen of de Belastingdienst te Groningen ingeleverde

aangiftebiljet(ten) vennootschapsbelasting over genoemd(e) jaar/jaren

(telkens) een te laag belastbaar bedrag, althans (telkens) een te laag bedrag

aan belasting opgegeven, terwijl dat feit (telkens) ertoe strekte dat te

weinig belasting werd geheven,

tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte, al

dan niet tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) opdracht heeft/hebben gegeven, dan wel aan bovenomschreven verboden gedraging(en) (telkens) foeilelijk leiding heeft/hebben gegeven;

4.

zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 29 februari 2000

tot en met 15 oktober 2003 te Groningen en/of elders in Nederland, tezamen en

in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk

(een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene

wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) voor de

inkomstenbelasting over het/de jaar/jaren 1998, 1999, 2000, 2001 en/of 2002

onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers heeft/hebben verdachte en/of

haar mededader(s) (telkens) opzettelijk op het bij de Inspecteur der

belastingen of de Belastingdienst te Groningen ingeleverde aangiftebiljet(ten)

inkomstenbelasting over genoemd(e) jaar/jaren (telkens) een te laag belastbaar

bedrag, althans (telkens) een te laag bedrag aan belasting opgegeven, terwijl

dat feit (telkens) ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 14 juli 2005 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. E.F.A. Dams, advocaat te Groningen.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2, 3 en 4 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een werkstraf van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis en een geldboete van € 37.500,= subsidiair 322 dagen.

Verdachte en haar raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake de voorvragen en het bewijs.

3a. De geldigheid van de dagvaarding

Door de raadsman is naar voren gebracht dat de dagvaarding ten aanzien van feit 1 nietig dient te worden verklaard nu de tenlastelegging geen verbijzondering bevat van de term 'weekomzetstaten' c.q. 'kasadministratie. Verder heeft de raadsman betoogd dat ook de dagvaarding ten aanzien van de feiten 2 en 3 nietig dient te worden verklaard nu een verbijzondering van de verschillende verwijten ontbreekt.

Door de raadsman is tenslotte gesteld dat de dagvaarding ten aanzien van feit 4 nietig dient te worden verklaard nu in de tenlastelegging enige aanduiding ontbreekt van de persoon aan wie de betreffende aangiftebiljetten inkomstenbelasting zijn uitgereikt.

De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de tenlastelegging niet behoeft te worden aangemerkt als een obscuur libel, nu uit de tenlastelegging voldoende duidelijk blijkt wat verdachte wordt verweten. Verder is de dagvaarding ook in overeenstemming met de eisen gesteld in het eerste lid van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering, zodat niet blijkt van nietigheid van de dagvaarding.

3b. De beslissing inzake het bewijs

Onrechtmatig verkregen bewijs

Door de raadsman is naar voren gebracht dat van het bewijsmateriaal verkregen door de uitlevering van de administratie op 15 december 2003 geen gebruik mag worden gemaakt aangezien op onjuiste gronden de uitlevering van de administratie is gevorderd nu op het moment van het bevel tot uitlevering nog geen verdenking bestond tegen verdachte. De raadsman stelt hiertoe -kort weergegeven- dat de verdenking tegen verdachte pas kan zijn ontstaan op 9 februari 2004, het moment waarop een proces-verbaal is opgemaakt met betrekking tot onderzoek van de harde schijf van [Bedrijf U]

De rechtbank overweegt als volgt.

Uit een lopend strafrechtelijk onderzoek gericht tegen respectievelijk de Vleescombinatie [BedrijfY] te [plaats] en tegen [Bedrijf Z] (hierna: [Bedrijf Z]) is naar voren gekomen dat [Bedrijf Z] onder de naam [Bedrijf Z] aan de verswinkelbranche (slagerijen, bakkerijen, groente- en fruitzaken) een softwarepakket (genaamd Analyse) heeft geleverd voor weegschalen. Met dit softwareprogramma konden dagomzetten worden verlaagd tot maximaal 49%. Naast valsheid in geschrift ontstond bij de FIOD-ECD het vermoeden van belastingfraude bij die ondernemers die volgens de bij [Bedrijf Z] inbeslaggenomen afnemerslijst de geactiveerde omzetafroommodule hadden aangeschaft.

In overleg met de officier van justitie is vervolgens besloten om op basis van een geselecteerde lijst ondernemers te bezoeken die het softwarepakket met de speciale afroomfunctie (Analyse) hadden aangeschaft en deze ondernemers te verzoeken of op vrijwillige basis een image gemaakt kon worden van het programma, dan wel uitlevering van de computer te vorderen op grond van artikel 81 van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen. Dit heeft bij verdachte geleid tot het maken van een image van de harde schijf op 14 februari 2003. De bestanden die zijn aangetroffen zijn onderworpen aan een onderzoek. Op het image zijn de bestanden van het administratiepakket Analyse aangetroffen.

In het tripartiete overleg van 15 mei 2003 is daarop besloten tot het instellen van een strafrechtelijk onderzoek.

Naar het oordeel van de rechtbank bestond op dat moment klaarblijkelijk reeds een vermoeden van schuld, zulks naar aanleiding van het onderzoek naar de bestanden.

Dat pas op 9 februari 2004 een proces-verbaal van dat onderzoek is opgemaakt doet niets af aan de reeds op 15 mei 2003 bestaande verdenking. Het verweer wordt derhalve verworpen.

Betrouwbaarheid resultaten onderzoek

Door de raadsman is voorts naar voren gebracht dat er getwijfeld kan worden aan de betrouwbaarheid van de omzetting van de gegevens van de harde schijf in een leesbaar formaat en in draaitabellen.

Ter staving van het verweer heeft de raadsman slechts in algemene termen de uitkomst van het bestandenonderzoek c.q. de verwerking daarvan bestreden zonder specifiek gemotiveerd aan te geven dat in onderhavige zaak het onderzoek niet op deugdelijke wijze zou zijn verricht.

Het enkel opwerpen van vragen en mogelijkheden vat de rechtbank niet op als een specifiek gemotiveerde bestrijding van de uitkomsten.

Naar het oordeel van de rechtbank is derhalve niet aannemelijk geworden dat de uitkomsten van het bestandenonderzoek onbetrouwbaar zou zijn. Het verweer wordt derhalve verworpen.

Ten aanzien van de kasadministratie

De raadsman heeft betoogd dat een kasadministratie geen geschrift is in de zin van artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht en dat op die grond vrijspraak dient te volgen voor het onder 1 tenlastegelegde strafbare feit. De rechtbank wijst er in dit verband op dat ook een kasadministratie in haar geheel als geschrift kan worden aangemerkt. Het verweer wordt daarom verworpen.

Ten aanzien van het opzet en het feitelijk leidinggeven

De raadsman heeft betoogd dat de opzet tot het vervalsen en het doen van onjuiste belastingaangiften niet uit de inhoud van de bewijsmiddelen kan volgen. Verder heeft de raadsman betoogd dat uit de inhoud van de bewijsmiddelen niet kan volgen dat verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de strafbare feiten die zouden zijn gepleegd door [Bedrijf U].

De rechtbank overweegt als volgt.

Uit de verklaringen van filiaalmedewerkers volgt dat de betreffende filiaalchefs dagelijks op voorgeschreven lijsten de kas opmaakten. Bij de lijsten werden door de filiaalchefs foutbonnen, kasuitgavebonnen, stortingsbewijzen en een afslag dagontvangst weegschaal gevoegd. De dagstaten werden wekelijks naar het kantooradres in Delfzijl gebracht.

De getuige [getuige1] – boekhouder vanaf 1978 tot begin 2001 - heeft verklaard dat medeverdachte [medeverdachte] een groot computersysteem heeft gekocht en via dat systeem kon medeverdachte [medeverdachte] zien wat er in de filialen werd verkocht. Medeverdachte [medeverdachte] controleerde de zaken en zijn personeel heel sterk, aldus de getuige [getuige1]. Verder heeft de getuige [getuige1] verklaard dat de controle voor wat betreft het geld zeer sterk was: vanuit zijn woning kon medeverdachte [medeverdachte] de kassa’s van alle filialen aansturen. Volgens de getuige [getuige1] was medeverdachte [medeverdachte] de baas. Medeverdachte [medeverdachte] nam alle beslissingen en regelde verder alles. De getuige [getuige1] had niet de indruk dat verdachte in de beleidsbeslissingen werden gekend.

De getuige [getuige1] heeft verder verklaard van medeverdachte [medeverdachte] of verdachte een kasblad per filiaal te hebben ontvangen. De kasbladen waren door medeverdachte [medeverdachte] of verdachte ingevuld.

De getuige [getuige1] heeft ter verwerking van de boekhouding niet de eerdergenoemde door de filiaalchefs filiaallijsten ontvangen. Die lijsten heeft de getuige [getuige1] nooit gezien.

De getuige [getuige1] ontving in 1998 al van medeverdachte [medeverdachte] uitdraaien van de ontvangsten uit het computerprogramma dat medeverdachte [medeverdachte] gebruikte.

De getuige [getuige2] heeft blijkens zijn verklaring de eerste 6 maanden van 2001 de financiële administratie gedaan wat bestond uit het boeken van de kasadministratie. De getuige [getuige2] heeft alleen uitdraaien uit het computerprogramma ‘Analyse’ gezien en niet genoemde filiaallijsten. De staten werden aangeleverd door verdachte of medeverdachte [medeverdachte]. Op de computer waarmee de kasadministratie werd geboekt, werkte alleen verdachte. Op deze computer werden de staten gemaakt, aldus de getuige [getuige2]. Voor de verwerking van de omzetgegevens gebruikte de getuige [getuige2] het bedrag dat stond in de kolom “Geld in Lade” op de uitdraai van Analyse.

De getuige [getuige3], als accountant werkzaam geweest voor [Bedrijf U], heeft verklaard dat het verdachte was die de computer bediende waarop de kasadministratie werd gevoerd. De getuige [getuige3] heeft niet gewerkt met genoemde filiaallijsten, maar met weekstaat-totalen, aangeleverd door verdachte en/of medeverdachte [medeverdachte].

De getuige [getuige4] boekt sinds augustus 2001 de administratie. Zij werkte, blijkens haar verklaring, met weekomzetstaten opgemaakt door verdachte. Met de filiaallijsten deed de getuige [getuige4] niets. Verdachte verwerkte de gegevens op de lijsten en de lijsten werden vervolgens vernietigd, aldus de getuige [getuige4]. Volgens de getuige [getuige4] verzorgde verdachte de kasadministratie.

Uit het ingestelde strafrechtelijke onderzoek van de FIOD-ECD is gebleken dat er verschillen zaten tussen de in de kas geboekte ontvangsten (kolom “Geld in Lade”, op grond waarvan de Analyse-uitdraaien zijn gebaseerd) en de daadwerkelijk geregistreerde ontvangsten (“Omzet Artikelen”). Het verschil bedroeg in de periode vanaf 1998 tot en met 2003 EUR 241.362,-. Deze ontvangsten zijn niet opgenomen in kasadministratie die heeft gediend voor het doen van de aangiften.

De raadsman heeft ter zitting gesteld dat het verschil in relatieve zin minder is dan één procent van de totale omzet van [Bedrijf U] en voorts dat een dergelijk minimaal verschil allerlei niet-frauduleuze redenen kan hebben. De raadsman verwijst voor andere dan frauduleuze redenen naar een ter terechtzitting overgelegde verklaring van [Bedrijf Z].

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit onderzoek van de in beslag genomen bestanden dat er over een periode van vijf jaren (1998-2003) in 649 gevallen gebruik is gemaakt van de zogeheten module waarmee omzet is afgeroomd, welke module behoort tot het softwareprogramma Analyse. Voorts volgt uit het onderzoek dat er percentages zijn afgeroomd groot 10%, 11%, 12%, 15%, 16% en zelfs 20% per keer. Gezien het aantal malen dat is afgeroomd gecombineerd met de hoge percentages is in deze zaak niet aannemelijk geworden dat deze afromingen het gevolg zijn van foutbonnen of reeds ingevoerde maar nog niet betaalde bestellingen. In dit verband wijst de rechtbank op de geconstateerde verschillen die per keer soms oplopen tot EUR 1.000,-. Daarbij merkt de rechtbank op dat de raadsman slechts in algemene termen alternatieve redenen voor het afromen aanvoert nu verdachte zelf een beroep doet op haar zwijgrecht en zelf – door de rechtbank daarnaar gevraagd – ook geen redelijke ontzenuwende verklaring voor die verschillen heeft gegeven.

Uit de inhoud van bovengenoemde gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, leidt de rechtbank af dat verachte opzettelijk de weekomzetstaten, de kasadministratie en de belastingaangiften zijn vervalst althans op onjuiste wijze zijn gedaan en dat verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt als medepleger aan het feitelijk leidinggeven daaraan.

Voor wat betreft het feitelijk leidinggeven is de rechtbank van oordeel dat niet is vereist dat verdachte bestuurder, commissaris of een andere dergelijke functie heeft bekleed. Om van feitelijk leidinggeven in de zin van artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht te kunnen spreken is minimaal vereist dat verdachte binnen [Bedrijf U] een leidinggevende positie innam.

Een dergelijke leidinggevende positie brengt, bijzondere omstandigheden daargelaten, met zich mee dat verdachte in de bedrijfsvoering kon ingrijpen en kon bevorderen dat er in naam van [Bedrijf U] zaken op een bepaalde wijze werden ingericht of juist nagelaten. Uit eerdergenoemde getuigenverklaringen volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte een leidinggevende positie innam bij [Bedrijf U]. De rechtbank wijst op de omstandigheid dat medeverdachte [medeverdachte] geen ander personeel de administratie liet doen dan hij en verdachte, alleen verdachte de kasadministratie deed, en verdachte en medeverdachte [medeverdachte] de weekstaten leverden aan diegenen die de boekhouding overigens deden. Verdachte mag dan misschien formeel gesproken buiten de bedrijfsvoering zijn gebleven maar feitelijk had verdachte de mogelijkheid om in te grijpen op de wijze waarop [Bedrijf U] haar bedrijf voerde door de juiste omzetcijfers aan te leveren.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte degene is geweest die in de machtspositie verkeerde van waaruit zij [Bedrijf U] de strafbare feiten kon laten plegen.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder feit 4 is tenlastegelegd.

Het feit dat door verdachte een onjuiste kasadministratie is gevoerd waardoor foutieve bedragen zijn aangegeven op de aanslagbiljetten omzetbelasting en vennootschapbelasting van bedrijven van verdachte, impliceert nog niet dat verdachte dan ook foutieve bedragen op de aanslagbiljetten inkomstenbelasting heeft opgegeven.

Uit de bewijsmiddelen blijkt niet van feiten en omstandigheden waaruit kan volgen dat verdachte haar aanslagbiljetten inkomstenbelasting foutief heeft ingevuld. Ook zijn dergelijke feiten en omstandigheden door de officier van justitie niet aangedragen.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in haar verdediging geschaad.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

1 primair.

[Bedrijf U] de periode van 1 januari 1998 tot en met 14 februari 2003 te Delfzijl, telkens een weekomzetstaten en kasadministraties van

[Bedrijf U],

- elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te

dienen -, (telkens) valselijk heeft opgemaakt, met het oogmerk om die

geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen

gebruiken, door telkens opzettelijk valselijk en in strijd met de

waarheid in die weekomzetstaat/weekomzetstaten een lagere (week)omzet te

vermelden, dan dat die (week)omzet in werkelijkheid was en die aldus valselijk opgemaakte weekomzetstaat/weekomzetstaten op te nemen, in die kasadministratie(s), terwijl zij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander de feitelijke leiding heeft gegeven aan bovenomschreven

verboden gedraging(en);

2.

[Bedrijf X] en [Bedrijf U], in de periode van 7 april 1999 tot en met 7 april 2003 te Groningen en/of te Heerlen telkens

opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de

Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten aangifte voor de

omzetbelasting over het eerste, tweede, derde en vierde kwartaal 1999 en/of

het eerste, tweede, derde en vierde kwartaal 2000 en het eerste, tweede,

derde en vierde kwartaal 2001 en het eerste, tweede, derde en vierde

kwartaal 2002 en het eerste kwartaal 2003 onjuist heeft gedaan, immers hebben [Bedrijf X] en [Bedrijf U], telkens opzettelijk op het bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst of Hoofd Ondernemingen:

- Groningen voor de ingeleverde aangiftebiljetten omzetbelasting over het

eerste, tweede, derde en vierde kwartaal 1999 en het eerste, tweede,

derde en vierde kwartaal 2000 en het eerste, tweede, derde en vierde

kwartaal 2001 en het eerste, tweede kwartaal 2002 en Groningen via Heerlen voor de ingeleverde aangiftebiljet(ten) over het derde en vierde kwartaal 2002 en het eerste kwartaal 2003, een te laag belastbaar bedrag, opgegeven, terwijl dat feit telkens ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven,

tot het plegen van bovenomschreven strafbare feiten verdachte,

tezamen en in vereniging met een ander telkens feitelijk leiding heeft gegeven;

3.

[Bedrijf X] in de periode van 28 februari 2000 tot en met 24 april 2003 te Groningen telkens opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene

aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten

aangiften voor de vennootschapsbelasting over de jaren 1998, 1999, 2000, 2001 en 2002 onjuist heeft gedaan, immers heeft die [Bedrijf X] telkens opzettelijk op het bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Groningen ingeleverde aangiftebiljet vennootschapsbelasting over genoemde jaren een te laag belastbaar bedrag, opgegeven, terwijl dat feit (telkens) ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven, tot het plegen van bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte, tezamen en in vereniging met een ander telkens feitelijk leiding heeft gegeven;

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

4a. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Medeplegen van feitelijk leiding geven aan de verboden gedraging, valsheid in geschrift, meermalen gepleegd door een rechtspersoon

Ten aanzien van de feiten 2 en 3 telkens:

Medeplegen van feitelijk leiding geven aan de verboden gedraging opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd door een rechtspersoon

4b. De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid of feit aannemelijk geworden waardoor de strafbaarheid van verdachte wordt opgeheven of uitgesloten. Verdachte is dus strafbaar.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 21 mei 2004, waaruit blijkt dat de verdachte nog niet eerder is veroordeeld.

Door de raadsman is naar voren gebracht dat de redelijke termijn van

vervolging als bedoeld in artikel 6 EVRM is geschonden nu volgens de raadsman het onderzoek vanaf 14 februari 2003 loopt.

De rechtbank verwerpt dit verweer.

Het aan verdachte toegekende recht op berechting binnen een redelijke termijn vangt aan op het moment dat jegens verdachte een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is deze termijn gaan lopen op het moment dat door verbalisanten van de Fiod op 18 december 2003 de administratie van de ondernemingen van verdachte bij verdachte in beslag is genomen.

Ten aanzien van de strafmaat overweegt de rechtbank:

Het betreft hier een jarenlange welbewust uitgevoerde fiscale fraude, waarbij [BedrijfX] en [Bedrijf U], waaraan verdachte in de tenlastegelegde periode feitelijk leiding heeft gegeven, een centrale rol spelen. Verdachte heeft stelselmatig gebruik gemaakt van een computerprogramma waardoor de administratie valselijk werd opgemaakt. Verdachte heeft deze administratie als basis gebruikt voor de berekening van de verschuldigde omzetbelasting en vennootschaps-belasting voor voornoemde B.V.'s.

Deze fraude heeft geleid tot een bedrag van ruim € 140.000,= aan door de Staat gemiste belastinginkomsten.

Verdachte heeft op geraffineerde wijze gedurende een aantal jaren (nagenoeg) wekelijks - en telkens zeer bewust - met gebruikmaking van een computerprogramma een percentage van de omzet afgeroomd.

Door middel van het plegen van de bewezenverklaarde feiten heeft verdachte er voor gezorgd dat de concurrentie op de markt werd verstoord en zich een voorsprong verschaft op concurrenten die kozen voor een eerlijk ondernemerschap.

De rechtbank acht hiervoor een werkstraf en een geldboete een passende afdoening.

De rechtbank vindt in de lange fraudeperiode, de hoogte van het benadelingsbedrag alsmede de listige manier waarop door verdachte is gefraudeerd, reden om aan verdachte -ondanks het feit dat zij van feit 4 is vrijgesproken- een straf op te leggen die gelijk is aan die de officier van justitie heeft gevorderd.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 23, 24, 24c, 51, 57, 91 en 225 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 69 en 72 van de Algemene wet inzake de rijksbelastingen.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Spreekt verdachte vrij van het onder 4 tenlastegelegde feit.

Verklaart bewezen dat verdachte de overige tenlastegelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

a.

het verrichten van een werkstraf gedurende honderdentwintig (120) uren.

Bepaalt dat deze werkstraf binnen één (1) jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden voltooid.

De termijn binnen welke de werkstraf moet worden verricht, wordt verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen alsmede met de tijd dat hij ongeoorloofd afwezig is.

Beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast.

Stelt deze vervangende hechtenis vast op zestig (60) dagen.

En b.

een betaling van een geldboete te bedrage van € 37.500,00 (zevenendertigduizend vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door de duur van driehonderdentweeentwintig dagen (322) hechtenis.

Aldus gewezen door:

mr. M. Jurgens, rechter, als voorzitter,

mr. M. Keppels, rechter,

mr. E.C.G. Okhuizen, rechter,

in tegenwoordigheid van G.W. Jansink, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 juli 2005.