Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2005:AT9333

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
13-07-2005
Datum publicatie
13-07-2005
Zaaknummer
399558 \ VV EXPL 05-8053
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Werkgever vordert in voorlopige voorziening dat tenuitvoerlegging van beschikking in voorwaardelijke ontbindingsverzoek wordt geschorst nu niet sprake is van een in kracht van gewijsde gegaan rechterlijk oordeel in de bodemprocedure met betrekking tot het aan werknemer gegeven ontslag op staande voet. Er is alleen een vonnis in kort geding van de kantonrechter te Gorinchem d.d. 11 mei 2005 waarin is geoordeeld dat voorshands onvoldoende de gestelde dringende reden is gebleken.

De kantonrechter is van oordeel dat de werknemer er redelijkerwijs vanuit mocht gaan dat de arbeidsovereenkomst op 11 mei 2005, de dag van de beschikking, nog bestond. Verzoek wordt afgewezen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 677
Burgerlijk Wetboek Boek 7 685
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2005, 200
Prg. 2005, 162
JAR 2005/200
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector kanton

Locatie Tiel

zaakgegevens 399558 \ VV EXPL 05-8053 \ 127\pjw

uitspraak van 13 juli 2005

Vonnis in kort geding

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[werkgeefster].

gevestigd te Leerdam

eisende partij

gemachtigde mr. M.G. Hofman

tegen

[werknemer]

wonende te Meteren

gedaagde partij

gemachtigde mr. S.G.M. van Veldhuizen

toevoegingsnummer 2CM2395

Partijen worden hierna [werkgeefster] en [werknemer] genoemd.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 16 juni 2005 met producties

- producties van [werknemer]

- de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling die op 21 juni 2005 is gehouden in tegenwoordigheid van de gemachtigden van partijen.

2. De vaststaande feiten

De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten, die vaststaan omdat ze niet of niet voldoende zijn betwist.

2.1 [werknemer], die 42 jaar oud is, is op 1 januari 2005 op basis van een arbeidsovereenkomst voor de bepaalde tijd van één jaar in dienst getreden bij [werkgeefster] in de funcrtie van magazijnmedewerker.

2.2 [werkgeefster] heeft [werknemer] op 4 maart 2005 op staande voet ontslagen omdat [werknemer] volgens [werkgeefster] op grove wijze het vertrouwen van [werkgeefster] heeft beschaamd.

2.3 Bij vonnis in kort geding van 11 mei 2005 heeft de kantonrechter in Gorinchem [werkgeefster] veroordeeld:

- aan [werknemer] te betalen het hem toekomend loon, vakantiebijslag en emolumenten op het daarvoor gebruikelijke tijdstip (de 24e van elke maand) te voldoen, vanaf 4 maart 2005 tot en met de dag waarop arbeidsovereenkomst regelmatig zal zijn beëindigd, met de verhoging ex artikel 7:625 BW ad 10% over het loon en vakantiegeld,

- aan [werknemer] binnen 48 uur na het vonnis een voorschot op het sub a genoemd loonbedrag te betalen ten bedrage van € 2000,00 bruto,

met compensatie van kosten.

2.4 Het oordeel van de kantonrechter is gebaseerd op de overweging dat van de door Meubelkoning gestelde dringende reden voorshands onvoldoende is gebleken.

2.5 Geen van beide partijen is in hoger beroep gekomen van het vonnis in kort geding van 11 mei 2005.

2.6 Bij beschikking van 11 mei 2005 heeft de kantonrechter in Gorinchem de volgende beslissing gegeven:

“voor het geval er nog een arbeidsovereenkomst tussen partijen bestaat:

- stelt partijen in kennis van het voornemen de arbeidsovereenkomst van partijen te ontbinden, waarbij aan [werknemer] een vergoeding ten laste van [werkgeefster] wordt toegekend;

- stelt [werkgeefster] in de gelegenheid tot en met 18 mei 2005 het verzoek in te trekken;

in het geval [werkgeefster] van deze bevoegdheid gebruik maakt:

- veroordeelt [werkgeefster] in de proceskosten, in deze procedure tot op heden aan de zijde van [werknemer] bepaald op € 500,-- voor salaris van de gemachtigde van [werknemer]

in het geval [werkgeefster] van deze bevoegdheid geen gebruik maakt:

- ontbindt de overeenkomst van partijen met ingang van 19 mei 2005;

- kent aan [werknemer] ten laste van [werkgeefster] een vergoeding toe van € 3.473,60 bruto;

- verstaat dat voormeld brutobedrag uiterlijk binnen twee weken na de datum van ontbinding van de arbeidsovereenkomst moet zijn voldaan;

- compenseert de kosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.”

2.7 [werkgeefster] heeft het verzoek niet ingetrokken.

2.8 Op 9 juni 2005 heeft [werknemer] de ontbindingsbeschikking aan [werkgeefster] laten betekenen. Daarbij is aangezegd dat, als [werkgeefster] niet tot betaling van de ontbindingsvergoeding overgaat, beslag zal worden gelegd.

3. De vordering en het verweer

3.1 [werkgeefster] vordert dat de kantonrechter bij vonnis in kort geding, dat uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, de tenuitvoerlegging van de ontbindingsbeschikking van 11 mei 2005 schorst met veroordeling van [werknemer] in de kosten van de procedure.

3.2 [werkgeefster] onderbouwt haar vordering kort gezegd met de stelling dat de ontbindingsbeschikking is uitgesproken onder de voorwaarde dat nog een arbeidsovereenkomst tussen partijen zou bestaan. Volgens [werkgeefster] is aan deze voorwaarde niet voldaan. Zij wijst erop dat [werknemer] niet beschikt over een in kracht van gewijsde gegaan rechterlijk oordeel in een bodemprocedure, maar slechts over het vonnis in kort geding van 11 mei 2005.

[werkgeefster] wijst er tenslotte op dat zij, als haar vordering wordt afgewezen, een belangrijk restitutierisico loopt.

3.3 [werknemer] voert verweer. Volgens [werknemer] kan de ontbindingsbeschikking wèl tenuitvoer worden gelegd. In deze zaak is daarbij volgens [werknemer] ook de redactie van het dictum van de ontbindingsbeschikking van belang. Volgens [werknemer] moet de executierechter in een geval als het onderhavige bezien in hoeverre de werknemer, [werknemer] dus, terecht een beroep heeft gedaan op de nietigheid van het ontslag op staande voet. Daarvoor verwijst [werknemer] in deze zaak naar de ontbindingsbeschikking en het vonnis in kort geding van de kantonrechter in Gorinchem van 11 mei 2005.

4. De beoordeling

4.1 De kantonrechter heeft de vraag opgeworpen of hij bevoegd is van dit executiegeschil kennis te nemen. De kantonrechter gaat bij de beantwoording van die vraag uit van de ruime uitleg van de wettelijke bepalingen die de wetgever volgens de wetsgeschienis voorstaat. Op grond van art. 254 Rv is de kantonrechter in kantonzaken bevoegd als voorzieningenrechter. Volgens art. 438 lid 2 Rv is de voorzieningenrechter van de rechtbank bevoegd in executiegeschillen die bij wijze van kort geding aanhangig zijn gemaakt. De conclusie is dan dat de kantonrechter in dit soort kort gedingzaken bevoegd is, voorzover deze zaken in het algemeen tot zijn bevoegdheid behoren. Hier gaat het om een arbeidszaak en is de kantonrechter dus bevoegd.

4.2 Er zijn executiemaatregelen aangekondigd en de eerste stap in de tenuitvoerlegging is gezet. Daarmee is het spoedeisend belang van [werkgeefster] bij haar vordering gegeven.

4.3 Het draait in deze zaak om een beschikking waarbij de arbeidsovereenkomst van partijen voorwaardelijk is ontbonden. De stelling dat zo’n beschikking pas tenuitvoergelegd kan worden nadat in een bodemprocedure onherroepelijk vast is komen te staan dat aan de voorwaarde is voldaan, is in zijn algemeenheid onjuist. Wanneer zo’n beschikking tenuitvoergelegd kan worden hangt vooral af van de wijze waarop de voorwaarde is geformuleerd. Hier gaat het daarbij om de zinsnede: “voor het geval er nog een arbeidsovereenkomst tussen partijen bestaat”. Gelet op de redactie van deze zinsnede gaat het om een voorwaarde waarvan in beginsel op elk moment kan worden beoordeeld of eraan is voldaan omdat daar geen nadere procedurele eisen aan zijn gesteld, zoals het beschikbaar zijn van een onherroepelijke uitspraak in een bodemprocedure.

4.4 Het gaat dus om de vraag of er op dit moment redelijkerwijs vanuit gegaan moet worden dat de arbeidsovereenkomst van partijen op 11 mei 2005, de dag van de beschikking, nog bestond. Naar het oordeel van de kantonrechter is dat het geval.

De kantonrechter leidt dit af uit het voorlopig oordeel van de kantonrechter in Gorinchem van 11 mei 2005 dat het aan [werknemer] door [werkgeefster] op 4 maart 2005 gegeven ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is geweest.

4.5 Dat het daarbij gaat om een vonnis in kort geding doet daar niet aan af. Dat weliswaar voorlopig oordeel is niet meer aantastbaar omdat beide partijen kennelijk hebben afgezien van hoger beroep tegen dat vonnis.

4.6 Dit neemt niet weg dat de bodemrechter een ander oordeel zou kunnen vellen, als de zaak aan hem zou worden voorgelegd. Dat doet echter ook niet af aan hetgeen hiervoor is overwogen, omdat niet is gesteld, noch is gebleken dat één van partijen de zaak ter beoordeling aan de bodemrechter heeft voorgelegd. Ten onrechte gaat [werkgeefster] er vanuit dat [werknemer] een dergelijke bodemprocedure zou moeten aanspannen. De meest gerede partij om dat te doen lijkt toch [werkgeefster] zelf te zijn, gelet op de uitspraken die er liggen en de status daarvan.

4.7 [werkgeefster] heeft tenslotte onvoldoende naar voren gebracht dat toch tot de conclusie moet leiden dat het vonnis in kort geding van 11 mei 2005 zo apert onjuist is dat [werknemer] zich daar redelijkerwijs niet op kan beroepen.

4.8 De slotsom is dat er geen aanleiding is om de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke ontbindingsbeschikking van 11 mei 2005 te schorsen, zoals door [werkgeefster] is gevorderd.

4.9 Het door [werkgeefster] gestelde restitutierisico doet daar niet aan af, omdat dat risico gering moet worden geacht. De kantonrechter wijst er daartoe op dat het om een relatief klein bedrag gaat, terwijl [werknemer] onweersproken heeft gesteld dat hij weer werk heeft, hetgeen het risico voor de Meubelkoning nog kleiner maakt.

4.10 [werkgeefster] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten dragen.

De beslissing

De kantonrechter

weigert de gevraagde voorziening;

veroordeelt [werkgeefster] in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van [werknemer] begroot op € 360,00 en bepaalt dat [werkgeefster] dat bedrag moet betalen aan de griffier van de rechtbank te Arnhem, waarvoor een acceptgirokaart wordt toegestuurd.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. P.J. Wiegman en in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2005.