Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2005:AT9309

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
14-06-2005
Datum publicatie
13-07-2005
Zaaknummer
114641 / ES RK 04-474
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 1:157 BW

Trefwoorden: partneralimentatie, interen op vermogen

Samenvatting

De door de vrouw gevraagde bijdrage van € 3.000,= in haar kosten van levensonderhoud overschrijdt haar behoefte niet.

De man heeft geen inkomen uit arbeid. Wel heeft hij vermogen. Dit vermogen bedraagt per 1 januari 2005 € 1.165.263,=. Uit dit vermogen moet hij in staat zijn inkomen te verwerven, welk inkomen hem in beginsel in staat moet stellen om partneralimentatie te betalen. Naar het oordeel van de rechtbank kan van de man worden verlangd dat hij, mede gelet op zijn financiële achtergrond, er alles aan doet om een zo hoog mogelijk rendement te behalen uit dit vermogen. Nu het gaat om een aanzienlijk vermogen, moet een rendement van 7% haalbaar zijn. Verder is van belang dat hij liquide middelen heeft nu hij onlangs onroerend goed heeft verkocht voor € 123.340,=. Gelet op het inkomen dat de man kan generen uit het vermogen, heeft hij de draagkracht om een bijdrage van € 1.025,= per maand te voldoen. De rechtbank acht het, op grond van de situatie van partijen ten tijde van het huwelijk, redelijk en billijk dat de man de resterende behoefte van de vrouw ad € 1.975,= per maand betaalt door in te teren op zijn vermogen. Nu partijen op huwelijkse voorwaarden met elkaar zijn gehuwd, inhoudende een zogenoemde “koude uitsluiting”, ziet de rechtbank evenwel aanleiding te bepalen dat de man met een maximumbedrag van

€ 123.340,= (de opbrengst van de “grond Werkendam”) zal moeten interen op zijn vermogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector familierecht

Zaaknummer : 114641 / ES RK 04-474

Datum uitspraak :

Beschikking echtscheiding

in de zaak van

A.W. S (nader te noemen: de man),

wonende te O.,

procureur mr. W.J.G.M. van den Broek te Nijmegen,

advocaat mr. A.E. Klaassen teNijmegen

tegen

E.M.C.T. W. (nader te noemen: de vrouw),

wonende te O.,

procureur en advocaat mr. P.A.W. Eskens te Arnhem.

Het verloop van de procedure

Dit verloop blijkt uit:

- het verzoekschrift, ingekomen op 17 juni 2004;

- het exploot van betekening d.d. 2 juli 2004;

- het verweerschrift, tevens inhoudend zelfstandig verzoeken, ingekomen op 16 september 2004;

- het verweerschrift op de zelfstandige verzoeken, ingekomen op 28 oktober 2004;

- een brief (met bijlagen), ingekomen op 31 maart 2005, van mr. Klaassen voornoemd;

- een brief (met bijlagen), ingekomen op 25 april 2005, van mr. Eskens voornoemd;

- een brief (met bijlagen), ingekomen op 10 mei 2005, van mr. Klaassen voornoemd.

Gehoord ter terechtzitting met gesloten deuren van 12 april 2005:

- partijen, bijgestaan door hun advocaten voornoemd.

Motivering van de beslissing

1. Als onweersproken en mede op grond van de overgelegde stukken staat vast hetgeen is gesteld in het verzoekschrift over de nationaliteit van de partijen (zij hebben de Nederlandse nationaliteit), de huwelijkssluiting en het huwelijksgoederenregiem.

2. Deze rechtbank is bevoegd, omdat de man in dit arrondissement woont.

3. De vrouw heeft ter zitting erkend dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht. Tevens heeft zij haar pensioenverweer, als bedoeld in artikel 1: 153 BW ingetrokken.

Gelet hierop zal de rechtbank tussen de partijen de echtscheiding uitspreken.

4. Partijen zijn het er over eens dat de man bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning, staande en gelegen te Oosterbeek, gemeente Renkum, aan de Benedendorpsweg 55, alsmede de daarbij behorende roerende inboedelzaken. De vrouw heeft haar verzoek ter zake ingetrokken.

5. de bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw

5.1. De vrouw vraagt een bijdrage van € 3.000,= per maand. De man voert aan dat de vrouw niet behoeftig is en geen behoefte heeft aan partneralimentatie alsmede dat hij de draagkracht mist enige bijdrage te voldoen. Voor zover er een bijdrage wordt vastgesteld, verzoekt de man om de vaststelling van een termijn.

5.2. De vrouw heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat er sprake was van een traditioneel huwelijk. Vanaf het huwelijk van partijen heeft de vrouw de rol van huisvrouw vervuld en mede voor de verzorging en opvoeding van de kinderen gezorgd. Daarbij is de vrouw door de man in de gelegenheid is gesteld te studeren in plaats van te werken. De vrouw heeft in de laatste jaren van het huwelijk, naast haar studie, ook in belangrijke mate de zorg gehad voor de man (vanaf visusproblemen in 2003) en voor de dochter, die een ongeluk heeft gehad.

De man heeft ter zitting aangegeven dat hij vindt dat de vrouw haar studie traineert en dat zij al lang had kunnen zijn afgestudeerd. Hij heeft verklaard dat hij de vrouw heeft gestimuleerd om haar eerste studie te beginnen. Hij stelt dat hij niet enthousiast was over het entameren van een tweede studie door de vrouw, maar feitelijk heeft hij dat wel gedoogd. Verder is gesteld noch gebleken dat hij serieus bij de vrouw heeft aangedrongen op afstuderen. Naar het oordeel van de rechtbank is het dan ook niet redelijk dat de man de vrouw nu een verwijt maakt van de lange studieduur.

5.3. Wel mag, gelet op de gewijzigde omstandigheden, van de vrouw worden verwacht dat zij zich (meer) inspant om snel af te studeren en dat zij parttime werk zoekt, indien nodig op een lager niveau. Het is het onredelijk van haar dat zij, zoals zij ter zitting heeft gesteld, pas werk wil gaan zoeken na de beëindiging van de tweede studie.

Het vinden van werk zal mogelijk bemoeilijkt worden door het feit dat de werkervaring van de vrouw stamt van vóór 1981 en het feit dat zij nu 59 jaar oud is. Thans kan dan ook niet worden voorzien of en wanneer en in welke mate de vrouw in staat zal zijn inkomsten uit werkzaamheden te verwerven. Op dit moment kan zij dan ook niet in overwegende mate in haar levensonderhoud voorzien en is zij dus behoeftig. Gelet op het voorgaande bestaat er geen aanleiding voor het stellen van een termijn aan de partneralimentatie.

5.4. De vrouw heeft haar behoefte becijferd op € 3.898,= netto per maand. Zij heeft daartoe een overzicht van haar huidige behoefte in het geding gebracht. Zij stelt dat het niet goed mogelijk is een berekening te maken op basis van de ten tijde van het huwelijk gedane uitgaven.

Veel door de vrouw opgevoerde posten zijn niet door de man betwist, wel de omvang daarvan. Hij stelt haar behoefte vast op € 2.132,= netto per maand met dien verstande dat hij daarop een korting aanbrengt omdat de vrouw binnenkort vermogen krijgt (uit de overwaarde van de echtelijke woning) waaruit zij de auto en haar studie kan betalen.

Kennelijk zijn partijen het er over eens dat de behoefte van de vrouw niet goed becijferd kan worden aan de hand van de uitgaven die werden gedaan ten tijde van (de laatste jaren van) het huwelijk. Zij hebben hun standpunt met betrekking tot het ‘behoefteplaatje’ niet onderbouwd met stukken. Derhalve kan niet op basis van objectieve stukken worden vastgesteld wat de behoefte van de vrouw is. De rechtbank zal de behoefte van de vrouw aan de door de man te betalen bijdrage in haar kosten van levensonderhoud daarom in redelijkheid en billijkheid vaststellen op € 3.000,= netto per maand (ongeveer het gemiddelde van de door partijen genoemde bedragen). Deze behoefte is ook in overeenstemming met de duur van het huwelijk en de daarin genoten welstand. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de behoefte van de vrouw niet afneemt door het vermogen dat zij zal ontvangen. Het zal (tezijnertijd) hooguit haar behoefte aan een onderhoudsbijdrage doen afnemen.

Nu de vrouw geen inkomen heeft, brengt het voorgaande mee dat de behoefte van de vrouw aan partneralimentatie € 3.000,= netto per maand bedraagt. Zij vraagt een bijdrage van € 3.000,= bruto per maand. De door de vrouw gevraagde bijdrage overschrijdt haar behoefte derhalve niet.

5.5. Ten aanzien van de draagkracht van de man is het volgende van belang.

De man heeft geen inkomen uit arbeid. Wel heeft hij vermogen. Dit vermogen in box III bedraagt per 1 januari 2005

€ 1.165.263,= (effecten € 900.098,=; liquide middelen € 177.665,=; onroerend goed € 87.500,=). Uit dit vermogen moet hij in staat zijn inkomen te verwerven, welk inkomen hem in beginsel in staat moet stellen om partneralimentatie te betalen. Naar het oordeel van de rechtbank kan van de man worden verlangd dat hij, mede gelet op zijn financiële achtergrond, er alles aan doet om een zo hoog mogelijk rendement te behalen uit dit vermogen. Nu het gaat om een aanzienlijk vermogen, moet een rendement van 7% haalbaar zijn. Dit betekent dat hij een inkomen van € 81.568,-- per jaar kan genereren uit dit vermogen. Daarbij komt dat in de nabije toekomst ook lijfrenteverzekeringen tot uitkering zullen komen waarmee hij zijn inkomen kan aanvullen maar daar kan op dit moment geen rekening mee worden gehouden. Verder is van belang dat hij liquide middelen heeft nu hij de “grond Werkendam” heeft verkocht eind 2004. In productie 5 bij de brief van de man, ingekomen op 31 maart 2005, wordt daar reeds melding van gemaakt. Blijkens zijn brief van 10 mei 2005 heeft de verkoop

€ 123.340,= opgeleverd.

Uit hetgeen hij ter zitting heeft gesteld, blijkt dat de man de volgende lasten heeft:

- een hypotheekrente van € 17.000,-- per jaar;

- premies voor diverse verzekeringen van € 24.000,-- per jaar en

- € 7.000,-- per jaar ter zake kosten van studie en levensonderhoud van een dochter van partijen.

Overige lasten zijn gesteld noch gebleken. Met deze lasten wordt rekening gehouden nu die door de vrouw niet zijn betwist.

6. Uitgaande van de hiervoor weergegeven financiële positie van de man heeft hij - gelet op het uit het vermogen te genereren inkomen - de draagkracht om een bijdrage aan de vrouw ad € 1.025,= per maand te voldoen. De rechtbank acht het, op grond van de situatie van partijen ten tijde van het huwelijk, redelijk en billijk dat de man de resterende behoefte van de vrouw ad € 1.975,= per maand betaalt door in te teren op zijn vermogen. Nu partijen op huwelijkse voorwaarden met elkaar zijn gehuwd, inhoudende een zogenoemde “koude uitsluiting”, ziet de rechtbank evenwel aanleiding te bepalen dat de man met een maximumbedrag van € 123.340,= (de opbrengst van de “grond Werkendam”) zal moeten interen op zijn vermogen. Bij het vaststellen en opleggen van partneralimentatie is voorts van belang dat betaling hiervan voor de man een fiscale aftrekpost in box 3 oplevert.

7. De proceskosten worden tussen partijen gecompenseerd.

8. Nu overigens aan de wettelijke eisen is voldaan wordt als volgt beslist.

De beslissing

De rechtbank

1. spreekt de echtscheiding uit tussen de partijen, die met elkaar zijn gehuwd op 31 juli 1981 in de gemeente Nigtevecht;

2. bepaalt dat de man tegenover de vrouw gedurende 6 maanden na de inschrijving van deze beschikking het recht heeft in de woning te O. te blijven wonen en de zaken die bij die woning en tot de inboedel daarvan behoren te blijven gebruiken, op voorwaarde dat hij op het ogenblik van de inschrijving in deze woning woont;

3. bepaalt dat de man aan de vrouw voor haar levensonderhoud zal betalen € 3.000,= per maand en wel vanaf de dag waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

4. bepaalt dat de onder 2 en 3 genoemde beslissingen uitvoerbaar zijn bij voorraad;

5. compenseert de proceskosten zo dat iedere partij de eigen kosten draagt;

6. wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.S.W. Kroon en in het openbaar uitgesproken op

De griffier: De rechter: