Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2005:AT8717

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
25-05-2005
Datum publicatie
05-07-2005
Zaaknummer
113251
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Erfdienstbaarheid van weg.

Vraag is of die mede inhoudt dat die met een auto kan worden uitgeoefend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 113251 / HA ZA 04-874

Datum vonnis: 25 mei 2005

Vonnis

in de zaak van

1. [eiser 1],

wonende te [woonplaats],

2. [eiser 2],

wonende te [woonplaats],

3. [eiser 3],

wonende te [woonplaats],

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

procureur mr. E.W.J. van Dijk,

tegen

1. [gedaagde 1],

wonende te [woonplaats],

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

procureur mr. P.C. Plochg,

advocaat mr. J.L. Vissers te 's-Hertogenbosch.

Het verloop van de procedure

Voor het verloop van de procedure tot het tussenvonnis van 14 juli 2004 wordt naar dat vonnis verwezen. Ter uitvoering van dit tussenvonnis is een comparitie van partijen gehouden. Het proces-verbaal daarvan bevindt zich bij de stukken. Voorafgaand aan de comparitie hebben [gedaagde 1] c.s. nog een brief met producties aan de rechtbank gestuurd, die zich ook bij de stukken bevindt. Verder zijn nog de volgende processtukken gewisseld:

* een akte met producties van de zijde van [eiser 1] c.s.,

* een antwoordakte met producties van de zijde van [gedaagde 1] c.s..

Ten slotte is vonnis bepaald.

De vaststaande feiten

1.1 [eiser 1], [eiser 2], [eiser 3] en [gedaagde 1] c.s. hebben woningen in eigendom die zijn gelegen aan een soort binnenplaats, ook wel de dam genoemd, behorend bij het kadastrale perceel van [gedaagde 1] c.s..

1.2 [eiser 1] is sinds 8 juli 1985 eigenaar van het perceel aan de [adres], kadastraal bekend gemeente [woonplaats], sectie E, nummer 2769. In artikel 9 van de notariële akte van levering van dat perceel is bepaald: Het bij deze verkochte heeft een “recht van overweg met hand- of kruiwagen over den dam tot de dijk”, gevestigd bij titel 541/49. Deze titel 541/49 betreft een notariële akte van 14 juli 1904.

1.3 [eiser 2] is sinds 2 april 2002 eigenaar van het perceel aan de [adres], kadastraal bekend gemeente [woonplaats], sectie E, nummer 2770. [eiser 2] heeft het perceel gekocht van zijn oom die daar sinds 1985 (nog steeds) woont. In de notariële akte van levering staat onder meer vermeld: “Met betrekking tot bekende erfdienstbaarheden, kwalitatieve bedingen en/of bijzondere verplichtingen wordt verwezen naar voormelde aankomsttitel deel 7873 nummer 16, waarin woordelijk staat vermeld: “8. Ten aanzien van de erfdienstbaarheden ten behoeve van het bij deze verkochte onroerende goed wordt verwezen naar een proces-verbaal van inzet op zesentwintig juni negentienhonderd negentien voor P.M. Ingenegeren, destijds notaris te Rumpt, verleden, overgeschreven ten voormalige hypotheekkantore te Tiel op negentien augustus daarna in deel 666 nummer 58, waarin bepaald werd dat: “ten behoeve van het bij deze acte omschreven perceel vier (zijnde het thans verkochte) en ten laste van het in de acte omschreven perceel drie (thans kadastraal bekend gemeente [woonplaats] sectie E nummer 1472), gevestigd werd de erfdienstbaarheid van uitweg van en naar de dijk en dat ten behoeve van de percelen één, twee, drie en vier en ten laste van het perceel vijf, alle bij de acte omschreven, gevestigd werd de erfdienstbaarheid van overweg met hand- of kruiwagen over de dam van en naar de Linge en om vaartuigen te meren, te lossen en te laden”.

1.4 [eiser 3] is sinds 14 september 1990 eigenaar van het perceel [adres], kadastraal bekend gemeente [woonplaats], sectie E, nummers 3120 en 1474.

1.5 [gedaagde 1] c.s. zijn sinds 3 maart 2003 eigenaar van het perceel [adres], kadastraal bekend gemeente [woonplaats], sectie E, nummer 1472. In de notariële akte van levering staat onder meer vermeld: “Met betrekking tot bekende erfdienstbaarheden, kwalitatieve bedingen en/of bijzondere verplichtingen wordt verwezen naar een akte van veiling en gunning op respectievelijk zesentwintig juni negentienhonderd negentien en tien juli negentienhonderd negentien verleden voor P.M. Ingenegeren, destijds notaris te Rumpt, waarin woordelijk staat vermeld: Perceel drie enzovoorts belast met het recht van weg over den dam van en naar den Havendijk ten behoeve van het kadastrale perceel nummer 952 dierzelfde sectie en met het recht van drinkwater halen uit de pomp aanwezig in het huisperceel ten behoeve van het kadastrale perceel nummer 1372 dierzelfde sectie; en worden bij deze gevestigd de navolgende erfdienstbaarheden: ten behoeve van perceel Twee en ten laste van perceel Drie (gemeente [woonplaats], sectie E, nummer 1472), die van weg van en naar den dijk over den dam en den achter het huis liggenden grond ten behoeve van perceel Drie en ten laste van perceel Twee, die van uitzicht door de twee ramen in den noordelijken muur aanwezig over den daarvoor liggende grond over een afstand van twee meter;

ten behoeve van perceel Vier en ten laste van perceel Drie, die van uitweg van en naar den dijk;

ten behoeve van de percelen Een, Twee, Drie en Vier en ten laste van perceel Vijf die van overweg met hand of kruiwagen over den dam van en naar de Linge en om vaartuigen te meren, te lossen en te laden;

1.6 Over de in de onder 1.5 bij de akte van 1919 genoemde percelen kan het volgende worden opgemerkt:

perceel Twee is ontstaan uit een deel van 1159 en een deel van 1161 en vernummerd tot 1471. Dit perceel besloeg een gedeelte van thans [adres] (nu: 1694) en een gedeelte van thans [adres] (nu: 2769) en de zuidzijde ervan grensde aan de dam, zoals door een medewerker van het kadaster gearceerd is aangegeven op de kadastrale kaart van de onderhavige percelen waarvan een kopie achter dit vonnis is gehecht. Een deel van het perceel 1471 grenzend aan de dam, maakt thans deel uit van 2769;

perceel Drie (1472) is het perceel aan de [adres] van [gedaagde 1] c.s.;

perceel Vier is het perceel aan de [adres] (thans 2770) van [eiser 2];

perceel nummer 952 is het perceel aan de [adres] (thans 3120 en 1474) van [eiser 3].

1.7 Op 10 september 2003 heeft de advocaat van [gedaagde 1] c.s. aan [eiser 1] en [eiser 2] onder meer meegedeeld dat hun recht van overweg is beperkt tot het gebruik van hand- of kruiwagen, zodat hun niet de bevoegdheid toekomt met de auto gebruik te maken van de dam en dat [gedaagde 1] c.s. van plan zijn hun erf af te scheiden met twee poorten, waarvan één poort die handmatig kan worden geopend en één met een sleutel af te sluiten poort.

Het geschil

In conventie

2. [eiser 1] vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, te verklaren voor recht dat de erfdienstbaarheid vastgelegd in de eigendomsakte van [gedaagde 1] c.s. van 3 maart 2003 ter zake het perceel [adres], kadastraal bekend gemeente [woonplaats], sectie E, nummer 1472, althans de erfdienstbaarheid ten titel voorschreven en vastgelegd in de eigendomsakte van [eiser 1] ter zake het perceel aan de [adres], kadastraal bekend gemeente [woonplaats], sectie E, nummer 2769, inhoudt het recht om ongehinderd - aldus niet gehinderd door enig hekwerk of poort - te komen en te gaan vanaf de openbare weg van en naar het perceel van [eiser 1], te voet, per (motor)fiets, per auto en met welk (passend) vervoermiddel dan ook en voorts [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk te veroordelen om binnen 24 uur na betekening van het ten deze te wijzen vonnis, de erfdienstbaarheid overeenkomstig de hiervoor gevraagde verklaring voor recht te eerbiedigen, de in de erfdienstbaarheid omschreven uitweg te ontruimen en ontruimd te houden en aldus de vrije - niet door enig hekwerk of poort gehinderde - toegang te verschaffen om te komen en te gaan vanaf de openbare weg van en naar het perceel van [eiser 1], zulks op verbeurte van een dwangsom van € 10.000,- per dag(deel), dan wel een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag, dat [gedaagde 1] c.s. hiermee in verzuim zijn, met hun veroordeling in de kosten van dit geding.

3. [eiser 2] vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, te verklaren voor recht dat de erfdienstbaarheid vastgelegd in de eigendomsakte van [gedaagde 1] c.s. van 3 maart 2003 ter zake het perceel [adres], kadastraal bekend gemeente [woonplaats], sectie E, nummer 1472, inhoudt het recht om ongehinderd - aldus niet gehinderd door enig hekwerk of poort - te komen en te gaan vanaf de openbare weg van en naar het perceel van [eiser 2], te voet, per (motor)fiets, per auto en met welk (passend) vervoermiddel dan ook en voorts [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk te veroordelen om binnen 24 uur na betekening van het ten deze te wijzen vonnis, de erfdienstbaarheid overeenkomstig de hiervoor gevraagde verklaring voor recht te eerbiedigen, de in de erfdienstbaarheid omschreven uitweg te ontruimen en ontruimd te houden en aldus de vrije - niet door enig hekwerk of poort gehinderde - toegang te verschaffen om te komen en te gaan vanaf de openbare weg van en naar het perceel van [eiser 2], zulks op verbeurte van een dwangsom van € 10.000,- per dag(deel), dan wel een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag, dat [gedaagde 1] c.s. hiermee in verzuim zijn, met hun veroordeling in de kosten van dit geding.

4. [eiser 3] vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, te verklaren voor recht dat de erfdienstbaarheid vastgelegd in de eigendomsakte van [gedaagde 1] c.s. van 3 maart 2003 ter zake het perceel [adres], kadastraal bekend gemeente [woonplaats], sectie E, nummer 1472, inhoudt het recht om ongehinderd - aldus niet gehinderd door enig hekwerk of poort - te komen en te gaan vanaf de openbare weg van en naar het perceel van [eiser 3], te voet, per (motor)fiets, per auto en met welk (passend) vervoermiddel dan ook en voorts [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk te veroordelen om binnen 24 uur na betekening van het ten deze te wijzen vonnis, de erfdienstbaarheid overeenkomstig de hiervoor gevraagde verklaring voor recht te eerbiedigen, de in de erfdienstbaarheid omschreven uitweg te ontruimen en ontruimd te houden en aldus de vrije - niet door enig hekwerk of poort gehinderde - toegang te verschaffen om te komen en te gaan vanaf de openbare weg van en naar het perceel van [eiser 3], zulks op verbeurte van een dwangsom van € 10.000,- per dag(deel), dan wel een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag, dat [gedaagde 1] c.s. hiermee in verzuim zijn, met hun veroordeling in de kosten van dit geding.

5. [gedaagde 1] c.s. hebben in conventie gemotiveerd verweer gevoerd. In reconventie vorderen zij bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, te verklaren voor recht dat: a) het [eiser 1] c.s., met uitzondering van de bewoner van [adres] met zijn eigen auto, niet is toegestaan met een auto over de dam te rijden om deze in een garage te parkeren, b) het [eiser 1] c.s. niet is toegestaan met een auto al dan niet met een aanhangwagen op de dam te parkeren om te laden en lossen, c) de bewoners van de percelen [adres] is toegestaan te voet, met de fiets of met een kruiwagen e.d. gebruik te mogen maken van de dam, d) [gedaagde 1] c.s. gerechtigd zijn de dam met een afsluitbare poort af te sluiten, met dien verstande dat de bewoners van de percelen aan de [adres] de beschikking krijgen over een sleutel waarmee zij deze poort kunnen openen zodat zij gebruik kunnen maken van de aan hen toekomende rechten, e) [gedaagde 1] c.s. toe te staan de dam naar eigen inzicht te gebruiken met dien verstande dat de rechten van de buren niet worden belemmerd, in het bijzonder toe te staan dat [gedaagde 1] c.s. hun auto op de dam parkeren, met dien verstande dat dit parkeren zodanig dient te geschieden dat de bewoner van [adres] zijn perceel met zijn personenauto kan bereiken, althans een zodanige verklaring voor recht omtrent de in geschil zijnde erfdienstbaarheden als de rechtbank in goede justitie nodig acht, met veroordeling van [eiser 1] c.s. in de kosten van de beide procedures.

6. Op hun beurt hebben [eiser 1] c.s. gemotiveerd verweer gevoerd.

De beoordeling van het geschil

In conventie

7. Vooropgesteld moet worden dat ten behoeve van de heersende erven van [eiser 1] c.s. en ten laste van het dienende erf van [gedaagde 1] c.s. telkens een erfdienstbaarheid van weg bestaat, die op verschillende manieren is geformuleerd. In deze zaak draait het om de vraag hoe deze, hiervoor onder 1.5 geciteerde, erfdienstbaarheden moeten worden uitgelegd. Daarbij heeft als uitgangspunt te gelden dat de inhoud van de erfdienstbaarheid en de wijze van uitoefening daarvan worden bepaald door de akte van vestiging en, voor zover in die akte regels daaromtrent ontbreken, door de plaatselijke gewoonte. In geval van twijfel is de wijze waarop de erfdienstbaarheid gedurende geruime tijd zonder tegenspraak is uitgeoefend beslissend. Ten slotte geldt dat op grond van het destijds geldende artikel 733 lid 3 (oud) BW, de erfdienstbaarheid van weg het recht geeft om met een wagen, een rijtuig enz. over het dienend erf te rijden. Naar huidige maatstaven impliceert dat tevens het recht om daarover met een auto te rijden.

Ten aanzien van [eiser 1]

8. Uit de bij akte door [eiser 1] c.s. overgelegde producties, waaronder het opwaarts filiatie-overzicht met betrekking tot nummer 1471 en de overige schriftelijke aantekeningen van de kadastermedewerker B. Tesink, kan als onbetwist worden vastgesteld dat het gedeelte van het huidige perceel 2769 (van [eiser 1]) grenzend aan de dam 1472 (van [gedaagde 1] c.s.), oorspronkelijk deel heeft uitgemaakt van het kadastrale perceel 1471. Ten behoeve van dit perceel 1471, in de akte van 1919 nader aangeduid als perceel Twee, en ten laste van perceel 1472 (perceel Drie) is in die akte een erfdienstbaarheid van weg gevestigd. Ingevolge artikel 737 lid 1 juncto 738 lid 2 (oud) BW (vgl. 5:76 lid 1 BW) blijft wanneer het heersend erf wordt verdeeld, de erfdienstbaarheid bestaan ten behoeve van ieder gedeelte ten voordele waarvan zij kan strekken. Nu de erfdienstbaarheid van weg onder meer ten voordele strekt van - dit gedeelte van - het huidige perceel van [eiser 1] (2769) dat immers alleen via deze weg wordt ontsloten, moet het ervoor worden gehouden dat de in 1919 gevestigde erfdienstbaarheid ook ten aanzien van perceel 2769 bestaat. Voorts is niet gesteld noch anderszins gebleken dat door de (verschillende) splitsing(en) van perceel 1471 sprake is van een ongeoorloofde verzwaring van de destijds gevestigde erfdienstbaarheid ten opzichte van het dienende erf. Evenmin is een vordering tot opheffing of wijziging van deze erfdienstbaarheid aan de orde. Uit het vorenstaande in onderlinge samenhang bezien, volgt dat de in de akte van 1919 gevestigde erfdienstbaarheid ten aanzien van het perceel van [eiser 1] als volgt luidt: “de erfdienstbaarheid van weg van en naar den dijk over den dam en den achter het huis gelegen grond”.

9. [gedaagde 1] c.s. hebben betoogd dat uit de door het kadaster omschreven historie met veelvuldige splitsing van percelen en vernummering van percelen, moet worden geconcludeerd dat de erfdienstbaarheid zoals omschreven in de akte van [gedaagde 1] c.s. (onder 1.5) destijds is bedoeld als "generalis" erfdienstbaarheid. Vervolgens is volgens hen bij het opdelen van het daarin bedoelde heersende erf "perceel Twee" (1471) in verschillende percelen, telkens in de betreffende aktes van levering separaat een "specialis" erfdienstbaarheid voor het nieuw gevormde, heersende erf geformuleerd. Nu de transportakte van [eiser 1] van 8 juli 1985 ten aanzien van de geldende erfdienstbaarheden (slechts) een "recht van overweg met hand- of kruiwagen over den dam tot de dijk" bevat, is daarmee van de eerder bedoelde "generalis" erfdienstbaarheid afgeweken, aldus [gedaagde 1] c.s..

10. Kennelijk moet het betoog van [gedaagde 1] c.s. zo worden opgevat dat in de transportakte van 1985 is afgeweken van het hiervoor onder 8. weergegeven beginsel van artikel 737 lid 1 (oud) BW (vgl. het thans geldende art. 5:76 lid 3 juncto 5:76 lid 1 BW). Dit betoog gaat niet op omdat in de transportakte van 1985 de erfdienstbaarheid van overweg met hand- of kruiwagen over de dam tot de dijk niet is gevestigd, maar daarin slechts melding is gemaakt van de (reeds) op 14 juli 1904 gevestigde erfdienstbaarheid, die overigens als volgt luidt: “met het recht van overweg met hand of kruiwagen van en naar de straat en de Linge over de naast het verkochte perceelsgedeelte gelegen dam”. Deze laatstgenoemde erfdienstbaarheid was daarmee reeds vóór de in de akte van [gedaagde 1] c.s. vermelde, in 1919 gevestigde erfdienstbaarheid van weg ten behoeve van perceel Twee, gevestigd. De conclusie is dan ook dat de eerste erfdienstbaarheid (van 1904) is opgegaan in de tweede erfdienstbaarheid (van 1919). Vervolgens staat vast dat [eiser 1] vanaf 1985 zonder tegenspraak telkens met (hobby)auto's over de dam van en naar zijn woning heeft gereden. Uit het vorenstaande volgt dat de erfdienstbaarheid van weg van [eiser 1] tevens het recht omvat om met een auto over de dam te gaan, zodat de door hem gevorderde verklaring voor recht in die zin kan worden toegewezen.

Ten aanzien van [eiser 2]

11. Uit de onder 1.5 geciteerde akte volgt dat de gevestigde erfdienstbaarheid ten aanzien van het perceel van [eiser 2] als volgt luidt: "de erfdienstbaarheid van uitweg van en naar den dijk". Niet in geschil is dat dit niet nader omschreven recht van uitweg tevens het recht inhoudt met een auto over de dam te rijden, zodat de door hem gevorderde verklaring voor recht in die zin kan worden toegewezen.

Ten aanzien van [eiser 3]

12. Uit de onder 1.5 geciteerde akte volgt dat de gevestigde erfdienstbaarheid ten aanzien van het perceel van [eiser 3] als volgt luidt: "het recht van weg over den dam van en naar den Havendijk".

13. [gedaagde 1] c.s. hebben erkend dat [eiser 3] (in ieder geval sinds 1990) een paar keer per jaar met een auto met aanhanger de dam gebruikt om haardhout te laden en te lossen. Zij hebben zich echter op het standpunt gesteld dat de erfdienstbaarheid ten gunste van [eiser 3] een beperkte inhoud heeft vanwege de wijze waarop de erfdienstbaarheid altijd is uitgeoefend. Omdat de toegang tot het perceel van [eiser 3] te smal is om het perceel met een auto te bereiken, heeft [eiser 3] of (één van) zijn rechtsvoorganger(s) nooit met een auto van de erfdienstbaarheid van weg gebruik gemaakt of kunnen maken, aldus [gedaagde 1] c.s.. Daarmee heeft deze erfdienstbaarheid volgens hen een beperkte inhoud gekregen, namelijk dat [eiser 3] niet met een auto maar slechts te voet, per fiets of met een kruiwagen en dergelijke over de dam mag gaan. De auto van [eiser 3] mag volgens hen daarom niet op de dam worden geparkeerd maar op de Havendijk om het hout vervolgens per kruiwagen over de dam te lossen.

14. [gedaagde 1] c.s. kan worden toegegeven dat de ten behoeve van [eiser 3] gevestigde erfdienstbaarheid geen bevoegdheid geeft op de dam te parkeren, maar hun beperkte uitleg van het recht van weg kan niet worden gevolgd. Zoals het woord al zegt impliceert het neerzetten van een auto om te laden en lossen dat die auto daar slechts tijdelijk staat ten dienste van het uit te voeren laden en lossen van zaken, in dit geval haardhout. Vaststaat dat door [eiser 3] dan wel bewoner(s) van zijn woning (en eventueel zijn rechtsvoorgangers) een paar keer per jaar haardhout dan wel bouwmaterialen per auto over de dam is aangevoerd en aldus gebruik is gemaakt van het recht van weg. Het enkele feit dat het perceel van [eiser 3] (op dit moment) niet met de auto is te berijden, maakt dat niet anders. De door hem gevorderde verklaring voor recht dat hij met een auto over de dam mag rijden zal dan ook worden toegewezen.

Ten aanzien van [eiser 1], [eiser 2] en [eiser 3]

15. Vervolgens komt de vraag aan de orde in hoeverre de gevestigde erfdienstbaarheden eraan in de weg staan dat [gedaagde 1] c.s. hun erf naar eigen inzicht inrichten, hun auto naast hun huis op de dam parkeren en hun perceel met een hek afsluiten. De vestiging van een recht van uitweg brengt niet met zich dat de uitweg geheel vrij moet zijn. Of de afsluiting van het dienend erf in de gegeven omstandigheden aanvaardbaar is, hangt af van de vraag of uitoefening van het recht van uitweg op onredelijke wijze wordt bemoeilijkt. Daarbij gelden de uitgangspunten dat de erfdienstbaarheid op de minst bezwaarlijke wijze dient te worden uitgeoefend (art. 5:74 BW) en dat het recht van de eigenaar om zijn erf af te sluiten zoals neergelegd in art. 5:48 BW onverkort van toepassing is en bovendien zwaar weegt.

16. [eiser 1] c.s. hebben aangevoerd dat hun recht van (uit)weg op onredelijke wijze wordt bemoeilijkt door de poort, omdat het stoppen op de weg om de poort weer af te sluiten gevaarlijke situaties oplevert en er ter plekke op de Havendijk hard wordt gereden. Het belang van [gedaagde 1] c.s. om de veiligheid van op hun erf verblijvende kinderen te garanderen is volgens hen geen gerechtvaardigd belang en weegt niet op tegen hun eigen belang, nu [gedaagde 1] c.s. dit probleem destijds door de aankoop van de woning zonder poort hebben aanvaard. Ten slotte zullen zowel [eiser 1] als [eiser 2] als gevolg van de afsluitbare poort een brievenbus aan de weg dienen te plaatsen, hetgeen zij bezwaarlijk vinden.

17. [gedaagde 1] c.s. hebben aangegeven dat de eigenaren van de heersende erven een sleutel van de poort zullen krijgen. Ter comparitie heeft de rechtbank geconstateerd dat er in beginsel ruimte is om tussen de te plaatsen poort (aangegeven werd dat deze iets na het begin van de dam zou komen te staan) en de Havendijk de auto te zetten om vervolgens de poort te openen of te sluiten. Indien gebruik wordt gemaakt van een grote bestelauto of auto met aanhanger zal deze mogelijkheid ontbreken en zal men aan de Havendijk moeten parkeren, dan wel deze auto voor korte tijd (met waarschuwingslichten) op de rijweg moeten laten staan, om vervolgens het hek te openen of af te sluiten. Dit gaat niet op in geval van een op afstand te bedienen elektrische poort. Het met een sleutel moeten openen en afsluiten van een poort kan gezien alle omstandigheden naar het oordeel van de rechtbank niet als een onredelijke of - gelet op hetgeen over en weer met betrekking tot (de beweegredenen tot) de afsluiting is aangevoerd - buitenproportionele bemoeilijking van het recht van uitweg worden aangemerkt.

18. Ten slotte moet worden bezien of [gedaagde 1] c.s. de dam naar eigen inzicht mogen gebruiken, meer in het bijzonder door het naast hun huis parkeren van hun auto. Ter comparitie is geconstateerd dat met de thans aanwezige inrichting van het dienend erf, het parkeren van een auto naast het huis de doorgang van een personenauto (vrijwel) onmogelijk maakt. De vraag is of [gedaagde 1] c.s. daarmee het recht ontberen hun auto naast hun huis op de dam (de uitweg) te parkeren. Deze vraag wordt in beginsel ontkennend beantwoord, omdat het eigendomsrecht van [gedaagde 1] c.s. niet zodanig door het (beperkt zakelijk) erfdienstbaarheidsrecht wordt beperkt dat zij niet meer op hun eigen erf zouden mogen parkeren. [gedaagde 1] c.s. zijn echter wel verplicht hun auto op eerste verzoek van [eiser 1] c.s. (tijdelijk) weg te halen zodat [eiser 1] c.s. zo nodig van hun recht van (uit)weg gebruik kunnen maken. Dit brengt mee dat op die plek parkeren alleen dán geoorloofd is indien [gedaagde 1] c.s. te allen tijde voor verzoeken tot verplaatsing van de geparkeerde auto('s) bereikbaar zijn, omdat aan [eiser 1] c.s. anders het gebruik maken van het recht op (uit)weg onmogelijk wordt gemaakt. In het verleden is de erfdienstbaarheid met de rechtsvoorgangers van [gedaagde 1] c.s., de familie Voet, op een zelfde wijze uitgevoerd. Overigens hebben [gedaagde 1] c.s. ter comparitie aangegeven dat zij inmiddels, gezien het geschil en de gespannen verhoudingen, hun auto meestal op de Havendijk parkeren en slechts in incidentele gevallen naast het huis. Met betrekking tot de door [gedaagde 1] c.s. pal naast hun gevel geplaatste planten en tuinartikelen en de opgehoogde bestrating wordt geoordeeld dat deze het recht van uitweg niet (onredelijk) beperken, zodat de algehele ontruiming van de uitweg zoals in conventie gevorderd niet toewijsbaar is.

19. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de gevorderde verklaringen voor recht grotendeels toewijsbaar zijn, behalve voor zover deze zien op het ontruimen en ontruimd houden van de uitweg, dan wel het niet aanwezig hebben van een poort of hek. Gezien de onderliggende verhoudingen wordt de gevorderde dwangsom voor het eerbiedigen van de erfdienstbaarheid van weg toegewezen, met dien verstande dat deze zal worden gematigd tot een bedrag van € 50,- per keer dat het recht van (uit)weg (met inachtneming van de hiervoor onder 18. overwogen omstandigheden) wordt belemmerd tot een maximum van € 10.000,-. Als de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij zal [gedaagde 1] c.s. worden veroordeeld in de proceskosten.

In reconventie

20. Uit hetgeen in conventie is overwogen volgt dat de vorderingen in reconventie onder a) tot en met c) moeten worden afgewezen (deels omdat [gedaagde 1] c.s. daarbij geen belang meer hebben). De vordering onder d) ligt voor toewijzing gereed evenals de vordering onder e) met dien verstande dat het parkeren van de auto door [gedaagde 1] c.s. moet gebeuren met inachtneming van de erfdienstbaarheden van de heersende erven (zoals hiervoor onder 18. overwogen).

21. Nu de partijen in reconventie over en weer in het ongelijk worden gesteld is er aanleiding de proceskosten in reconventie te compenseren.

De beslissing

De rechtbank,

In conventie

verklaart voor recht dat de erfdienstbaarheid vastgelegd in de eigendomsakte van [gedaagde 1] c.s. van 3 maart 2003 - gevestigd bij notariële akte van 26 juni 1919 - ter zake het perceel [adres], kadastraal bekend gemeente [woonplaats], sectie E, nummer 1472, inhoudt het recht om ongehinderd te komen en te gaan vanaf de openbare weg van en naar het perceel van [eiser 1] (2769), te voet, per (motor)fiets, per auto dan wel met een ander (passend) vervoermiddel,

verklaart voor recht dat de erfdienstbaarheid vastgelegd in de eigendomsakte van [gedaagde 1] c.s. van 3 maart 2003 - gevestigd bij notariële akte van 26 juni 1919 - ter zake het perceel [adres], kadastraal bekend gemeente [woonplaats], sectie E, nummer 1472, inhoudt het recht om ongehinderd te komen en te gaan vanaf de openbare weg van en naar het perceel van [eiser 2] (2770), te voet, per (motor)fiets, per auto dan wel met een ander (passend) vervoermiddel,

verklaart voor recht dat de erfdienstbaarheid vastgelegd in de eigendomsakte van [gedaagde 1] c.s. van 3 maart 2003 - zoals vastgelegd in de notariële akte van 26 juni 1919 - ter zake het perceel [adres], kadastraal bekend gemeente [woonplaats], sectie E, nummer 1472, inhoudt het recht om ongehinderd te komen en te gaan vanaf de openbare weg van en naar het perceel van [eiser 3] (3120 en 1474), te voet, per (motor)fiets, per auto dan wel met een ander (passend) vervoermiddel,

veroordeelt [gedaagde 1] c.s. deze hiervoor bedoelde erfdienstbaarheden van weg te eerbiedigen en daartoe op eerste verzoek de uitweg (de dam) te ontruimen om zodoende de toegang te verschaffen om te komen en te gaan vanaf de openbare weg naar de heersende percelen aan de [adres] (E2769, E2770, E3120 en E1474) op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50,- per dag of gedeelte daarvan dat zij na betekening van dit vonnis, niet aan deze veroordeling zullen voldoen, tot een maximum van € 10.000,-,

veroordeelt [gedaagde 1] c.s. in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [eiser 1] c.s. bepaald op € 324,78 aan verschotten en € 1.356,- aan salaris procureur,

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af,

In reconventie

verklaart voor recht dat [gedaagde 1] c.s. gerechtigd zijn de dam met een afsluitbare poort af te sluiten, met dien verstande dat de eigenaren van de heersende percelen aan de [adres] (E2769, E2770, E3120 en E1474) de beschikking krijgen over een sleutel waarmee zij deze poort kunnen openen zodat zij gebruik kunnen maken van de aan hen toekomende zakelijke rechten,

verklaart voor recht dat [gedaagde 1] c.s. gerechtigd zijn de dam naar eigen inzicht te gebruiken (ook door het daarop parkeren van hun auto op voorwaarde van hun bereikbaarheid) met inachtneming van de zakelijke rechten van de eigenaren van de heersende percelen aan de [adres] (E2769, E2770, E3120 en E1474),

compenseert de proceskosten aldus, dat ieder der partijen haar eigen kosten draagt,

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.M.I. de Waele en uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2005.

de griffier de rechter