Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2005:AT8711

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
18-05-2005
Datum publicatie
05-07-2005
Zaaknummer
111843
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De kern van het geschil is de vraag of gedaagde aan T&C een vergoeding verschuldigd is, zoals bedoeld in de overeenkomst d.d. 17 april 2003. Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, dan dient vervolgens te worden vastgesteld welk bedrag gedaagde aan T&C dient te betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 111843 / HA ZA 04-604

Datum vonnis: 18 mei 2005

Vonnis

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

T & C OFFICE B.V.,

gevestigd te Scherpenzeel,

eiseres,

procureur mr. H. van Ravenhorst,

advocaat mr. H.M.J. Simonis te Breda,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur mr. T.J. van Veen.

Partijen worden hierna aangeduid als T&C en [gedaagde].

Het verloop van de procedure

Voor het verloop van de procedure tot het tussenvonnis van 16 juni 2004 wordt naar dat vonnis verwezen. Ter uitvoering van dit tussenvonnis is een comparitie van partijen gehouden. Het proces-verbaal daarvan bevindt zich bij de stukken. Verder zijn nog de volgende processtukken gewisseld:

* een conclusie van repliek;

* een conclusie van dupliek.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De vaststaande feiten

Sierteelt Bemiddelings Centrum B.V. te Lisse (hierna aan te duiden als SBC) bemiddelde tot 3 december 2003 in de aan- en verkoop van tulpenbollen door particulieren. De particulieren betaalden aan SBC een bepaald bedrag (inleg). SBC bemiddelde vervolgens bij de aankoop- en verkoop van bloembollen tussen de particulieren en kopers en verkopers van bloembollen. De resultaten van de aan- en verkooptransacties (hierna ook aan te duiden als: de marges) kwamen de particulieren toe. De particulieren betaalden voor elke transactie provisie aan SBC. Het betalingsverkeer vond plaats via Stichting Derdengelden SBC (hierna aan te duiden als de Stichting).

In het handelsregister is over de bedrijfomschrijving van T&C het volgende opgenomen.

T&C Office is een facilitair administratieve organisatie die voor u (...) transacties bewaakt en administreert, **boekhouding voert en b.t.w. aangiftes verzorgt.

T&C Office stelt u als ondernemer in staat om u daadwerkelijk te concentreren op het inkoop- en verkoopproces.

De wekelijkse overzichten, met de actuele voorraad en de verwerkte transacties van voorgaande week, zijn voor u als ondernemer van belang om uw positie te bepalen en zal als basis dienen bij toekomstige deals. Weten waar u staat, is van belang bij zowel het verkoopproces maar zeker ook bij het inkoopproces!

T&C Office streeft naar maatwerk uitgaande van de wensen van de klant, U zal als klant moeten aangeven in welke mate U voorzien wil worden van informatie. Het standaardpakket levert u de wekelijkse overzichten.

Het dienstenpakket van T&C Office:

1. Wekelijks overzicht van uw voorraad positie.

2. Wekelijks overzicht van uw mutaties.

3. Controle facturatie en leveringen.

4. Jaarlijkse aangifte restitutie vakheffing productschap.

5. Helder inzicht in uw financiële positie m.b.t. de door u gedane transacties.

6. Verzorging Boekhouding met daarbij de maandelijkse B.T.W. aangifte **.

7. Het onderhouden van contacten met uw marktpartijen, inzake bovenvermelde punten.

8. Dagelijkse melding van transacties**.

** Extra dienst, zit niet in het standaardpakket.

[gedaagde] heeft als particulier via SBC gehandeld in bloembollen. Na ongeveer anderhalf jaar zelf de administratie te hebben gevoerd is [gedaagde] op 17 april 2003 een overeenkomst voor onbepaalde duur met T&C aangegaan, waarbij T&C zich onder meer verbond tot “het verzorgen van de administratie van voorraadbeheer” van tulpenbollen. Overeengekomen is onder meer dat T&C [gedaagde] wekelijks een overzicht verstrekt van de actuele voorraad en mutaties.

In de overeenkomst d.d. 17 april 2003 zijn onder meer de volgende bepalingen opgenomen, waarbij T&C als opdrachtnemer en [gedaagde] als opdrachtgever is aangeduid.

Vergoeding

Opdrachtnemer heeft recht op een vergoeding (hierna: ”de vergoeding”), welke wordt bepaald aan de hand van onderstaand berekeningstabel.

Berekeningstabel:

Portefeuille verkoopwaarde Percentage

Omzet < € 500.000 = 1,0

Omzet > € 500.000 = < € 1.000.000 = 0,9

Omzet > € 1.000.000 = < € 2.500.000 = 0,8

Omzet > € 2.500.000 = < € 5.000.000 = 0,7

Omzet > € 5.000.000 = < € 10.000.000 = 0,5

Omzet > € 10.000.000 = < € 20.000.000 = 0,4

Omzet > € 20.000.000 = 0,3

Onder omzet wordt in dit verband verstaan, de totale verkopen in de voorafgaande twaalf maanden, zoals vermeld op de standaard verkoopovereenkomsten van SBC (onafhankelijk van de uiteindelijk geleverde verkopen). De genoemde twaalf maandsperiode loopt telkens van 1 november tot 31 oktober.

Productschap

Opdrachtnemer zal voor het lopende boekjaar alle transacties verzamelen die in aanmerking komen voor restitutie van het productschap.

Toegang klanten informatiesysteem SBC

Hierbij verklaart opdrachtgever dat opdrachtnemer toegang krijgt tot het mXbulb systeem op de SBC database, voor een adequate informatiestroom richting opdrachtnemer. De kosten hiervan bedragen € 1.000,- op jaarbasis (hierna te noemen: “de kosten”). SBC zal de kosten aan opdrachtgever doorberekenen.

Verrekening

De vergoeding zal jaarlijks achteraf, volgens de SBC gehanteerde valutaregeling, uiterlijk per 31 oktober van het lopende jaar aan de opdrachtgever in rekening worden gebracht. Incasso van de vergoeding vindt plaats via de Stichting (na factuur SBC).

Algemene Voorwaarden

Op deze overeenkomst zijn van toepassing en maken daarvan integraal onderdeel uit de door de opdrachtnemer gehanteerde Algemene Voorwaarden, gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel te Amersfoort, waarvan een copie is gehecht aan deze overeenkomst.

Door ondertekening van deze overeenkomst verklaart de opdrachtgever uitdrukkelijk van de inhoud van voormelde Algemene voorwaarden kennis genomen te hebben en de toepasselijkheid daarvan op deze overeenkomst te aanvaarden.

In de hiervoor genoemde Algemene Voorwaarden is onder meer de volgende bepaling opgenomen:

“Artikel 9 - Reclames

9.1 Een reclame met betrekking tot verrichte werkzaamheden of het factuurbedrag dient op straffe van verval van alle aanspraken binnen dertig dagen na de verzenddatum van de stukken of informatie waarover Client informeert, dan wel, indien Client aantoont dat hij het gebrek redelijkerwijs niet eerder had kunnen ontdekken, binnen dertig dagen na de ontdekking van het gebrek, schriftelijk aan Opdrachtnemer te worden kenbaar gemaakt.

9.2 (...).”

Partijen zijn overeengekomen dat T&C haar vergoeding jaarlijks, achteraf, rond 1 november van ieder jaar aan de hand van de omzetgegevens bij [gedaagde] in rekening zal brengen. De afdracht van de vergoeding zal feitelijk plaatsvinden via SBC dan wel de Stichting, waarbij SBC de vergoeding in mindering zal brengen op de door SBC aan [gedaagde] af te dragen marges (minus de provisie van SBC).

T&C heeft haar vergoeding ad € 45.107,72 (exclusief BTW) over oogstjaar 2003 (31 oktober 2002 tot en met 1 november 2003) bij brief van 19 november 2003 bij [gedaagde] in rekening gebracht met het verzoek de vergoeding per direct te betalen.

Aan SBC en de Stichting is op 25 november 2003 surséance van betaling verleend. Op 3 december 2003 is het faillissement van beide vennootschappen uitgesproken.

T&C heeft [gedaagde] bij brief van 10 december 2003 gesommeerd

haar vergoeding binnen twee weken te voldoen.

Met ingang van 24 november 2003 is H.G. IT Management B.V. te Wezep enig aandeelhouder en bestuurder van T&C. De heer [betrokkene 1] is enig aandeelhouder en bestuurder van H.G. IT Managment B.V.. Ten tijde van de ondertekening van de overeenkomst was de heer Van de Poll (samen met een derde )aandeelhouder van T&C.

T&C heeft - met verlof van de Voorzieningenrechter te ’s-Gravenhage van 26 februari 2004 - op 27 februari 2004 conservatoir derdenbeslag doen leggen ten laste van [gedaagde] onder het produktschap Produktschap Tuinbouw te Zoetermeer, onder Coöperatieve Rabobank Woudenberg en Omstreken U.A. te Woudenberg alsmede op de woning van [gedaagde] te [woonplaats].

Op 24 maart 2004 is de dagvaarding in onderhavige procedure aan [gedaagde] uitgebracht.

In de brief van 27 mei 2004 heeft de raadsman van [gedaagde] namens [gedaagde] de overeenkomst met T&C ontbonden.

De onderneming TCS heeft zich beziggehouden met voorraadbeheer van bloembollen, die voor SBC deelnemers bij de kwekers stonden. TCS is ook gefailleerd.

Op enig moment is [gedaagde] gaan deelnemen in NovaCap Floralis Termijnfonds. Voor de financiering van de participaties heeft [gedaagde] een overeenkomst van geldlening gesloten met een bank.

Het tweede openbare verslag van de curator van het faillissement van SBC bevat de volgende passages:

“Het lijkt er toch wel op dat in een aantal gevallen de laatste koper niet op de hoogte is geweest van het feit dat hij/zij als koper fungeerde (zo is er een koper, ook weer een buitenlandse vennootschap die overigens wel een reguliere klant was, die ineens voor vele tientallen miljoenen euro’s zou hebben gekocht, terwijl de kooplimiet voor de klant - gerelateerd aan de verzekeringsdekking - op één tot twee miljoen euro lag). Het onderzoek naar deze curieuze gang van zaken is nog in volle gang.”

“Het gaat hier over de overeenkomsten die in de markt veelal aangeduid worden als “spookovereenkomsten”, waar dus met name de commissionair Van der Poll partijen als contractant opvoerde, waarbij minstens één van hen - doorgaans de kopers dus - van die transacties niets wist en die rond de faillissementsdatum heeft betwist.”

Het derde openbare verslag van de curator in het in 2.16 genoemde faillissement bevat de volgende passage:

“Dat laat onverlet dat van een behoorlijk aantal transacties, zeker in de laatste fase voor surséance/faillissement, moeilijk vast te stellen is of die ook daadwerkelijk tot stand zijn gekomen. De bestuurder en de primaire bemiddelaar, de heer Van der Poll, heeft ook erkend dat een aantal overeenkomsten door hem is geschreven, tot een omvang van vele miljoenen euro’s, op naam van een soort “tussenkoper” in afwachting van het onderbrengen daarvan bij een werkelijke koper. Daarvan kwam het evenwel niet meer vanwege surséance/faillissement.”

Het geschil

T&C vordert [gedaagde] te veroordelen aan T&C te betalen een bedrag van € 53.678,- te vermeerderen met rente vanaf 25 december 2003 en kosten.

T&C heeft daartoe gesteld dat zij in het oogstjaar 2003 (van 31 oktober 2002 tot 1 november 2003) werkzaamheden voor [gedaagde] heeft verricht op grond van de tussen partijen op 17 april 2003 gesloten overeenkomst en dat [gedaagde] tot op heden de contractueel overeengekomen vergoeding voor deze werkzaamheden niet heeft voldaan.

[gedaagde] heeft de vorderingen weersproken. Daarop zal,

voor zover van belang, bij de beoordeling van het geschil nader worden ingegaan.

De beoordeling

De rechtbank overweegt dat ten aanzien van de gelegde beslagen aan de wettelijk voorgeschreven termijnen en formaliteiten is voldaan.

De kern van het geschil is de vraag of [gedaagde] aan T&C een vergoeding verschuldigd is, zoals bedoeld in de overeenkomst d.d. 17 april 2003. Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, dan dient vervolgens te worden vastgesteld welk bedrag [gedaagde] aan T&C dient te betalen.

[gedaagde] heeft zich tegen de vordering verweerd. Het meest verstrekkende verweer zal de rechtbank als eerste bespreken. Vervolgens zullen de overige verweren aan de orde komen.

Afspraak dat factuur niet (geheel) betaald behoeft te worden?

[gedaagde] stelt dat hij bezwaar heeft gemaakt tegen de vergoeding, die hem bij factuur d.d. 19 november 2003 in rekening is gebracht. Hij voert aan dat vervolgens een bespreking tussen hem en de heer Van de Goor van T&C heeft plaatsgevonden, dat Van de Goor heeft erkend dat de in rekening gebrachte vergoeding wel erg hoog is, dat is afgesproken dat hij de factuur niet behoeft te betalen en dat hij weer contact opneemt met Van de Goor voor overleg over het betalen van een redelijke vergoeding als [gedaagde] geld heeft ontvangen van het Produktschap voor de Tuinbouw. Dit standpunt heeft [gedaagde] niet alleen bij antwoord, maar tevens ter comparitie ingenomen.

T&C voert aan dat inderdaad een bespreking op 4 februari 2004 heeft plaatsgevonden, omdat [gedaagde] had aangegeven de vergoeding niet in één keer te kunnen betalen als gevolg van het faillissement van SBC. Volgens T&C heeft [gedaagde] toen tevens gezegd dat hij het bedrag wel heel hoog vond. T&C stelt voorts dat zij hem heeft voorgesteld dat hij een bedrag ineens betaalt (€ 30.000,-) en het restant voldoet als het Produktschap voor de Tuinbouw tot uitkering is overgegaan. T&C stelt dat [gedaagde] daarover wilde nadenken en dat hij vervolgens niets heeft laten horen en dat derhalve geen overeenstemming is bereikt over het definitief niet (geheel) betalen van de vergoeding.

Eerst bij dupliek heeft [gedaagde] zijn brief van 6 februari 2004 aan T&C in het geding gebracht waarin hij de in zijn optiek op 4 februari 2004 gemaakte afspraken tussen partijen bevestigt, met dien verstande dat de betaling van een vergoeding niet afhankelijk wordt gesteld van uitbetaling van het produktschap voor de Tuinbouw, zoals bij antwoord en ter comparitie is gesteld, maar van “uitbetaling in het kader van participatie bij Nova Cap-fonds”.

Indien de stellingen van [gedaagde] op dit punt juist blijken, dan is het zonder nadere toelichting onbegrijpelijk dat T&C ondanks deze afspraken op 26 en 27 februari 2004 tot beslaglegging (onder meer onder het produktschap) en op 24 maart 2004 tot dagvaarden is overgegaan.

[gedaagde] zal alsnog helderheid moeten geven over de onduidelijkheid, zoals vastgesteld in rechtsoverweging 4.6. T&C heeft zich nog niet kunnen uitlaten over de hiervoor genoemde, bij dupliek als productie 8 gevoegde, brief. De rechtbank zal T&C daartoe alsnog in de gelegenheid stellen. De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen voor akte uitlaten aan de zijde van [gedaagde]. Vervolgens kan T&C hierop bij antwoordakte reageren.

Indien de verklaring van T&C naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk is, dan is sprake van een rechterlijk vermoeden, gebaseerd op de volgens de brief van 6 februari 2004 op 4 februari 2004 gemaakte afspraken, onder meer dat betaling van een vergoeding eerst aan de orde is, zodra het Produktschap voor de Tuinbouw of het Nova Cap Fonds tot uitkering is overgegaan. Volgens de wet mag T&C in dat geval tegenbewijs leveren. Slaagt T&C in het tegenbewijs dan is het aan [gedaagde] om te bewijzen dat partijen de door [gedaagde] gestelde afspraken hebben gemaakt. De rechtbank overweegt reeds nu dat om proces-economische redenen [gedaagde] tegelijk met T&C zal worden toegelaten tot het leveren van bewijs.

Indien niet komt vast te staan dat partijen zijn overeengekomen dat [gedaagde] de vergoeding niet behoefde te betalen (en dat na enige tijd partijen alsnog nader overleg zouden voeren over een geringe tegemoetkoming), dan zijn de overige door [gedaagde] gevoerde verweren van belang.

Tekortkoming in de nakoming?

[gedaagde] heeft (subsidiair) aangevoerd dat hij de factuur niet hoeft te betalen omdat T&C haar verplichtingen niet is nagekomen. [gedaagde] maakt T&C een vijftal verwijten.

1. Facturatie en leveringen onvoldoende gecontroleerd?

[gedaagde] verwijt T&C dat zij de facturatie en leveringen onvoldoende heeft gecontroleerd. Hij stelt bij dupliek dat indien T&C zich zou hebben gekweten van haar taak om de transacties te controleren, hij in een vroeg stadium zou hebben geweten dat het aan hem per valutadatum 31 oktober 2003 uit te keren saldo zeer aanzienlijk lager zou zijn dan hij op grond van de verstrekte gegevens mocht verwachten en dan zou hij de in overweging 2.15 genoemde investering in Nova Cap Termijnfonds niet hebben gedaan, aldus [gedaagde]. Met verwijzing naar de in overweging 2.16 en 2.17 geciteerde passages uit de openbare verslagen van de curator in het faillissement van SBC stelt [gedaagde] dat blijkt dat sprake is van een vermoeden dat SBC opgave heeft gedaan van niet daadwerkelijk plaatsgevonden hebbende transacties.

De rechtbank stelt vast dat partijen het erover eens zijn dat ‘controle facturatie en leveringen’ behoorde tot het takenpakket van T&C. Partijen verschillen van mening over de vraag waartoe dit deel van het takenpakket T&C verplichtte. T&C stelt dat het gaat om het corrigeren van de database van SBC. [gedaagde] heeft dit betwist en stelt dat de werkzaamheden niet waren beperkt tot het kopiëren en doorsturen van gegevens.

De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] zijn stellingen onvoldoende heeft onderbouwd. In de volgende onderdelen van het partijdebat heeft hij namelijk minder gesteld of weersproken dan van hem verwacht mocht worden.

Zo heeft [gedaagde] niet gereageerd op de stelling van T&C dat het niet tot haar takenpakket behoorde te controleren of de bollenvoorraad voldoende was om de koopovereenkomsten uit te voeren. Voorts heeft de rechtbank uit de stukken niet kunnen opmaken of de verweten BTW gedraging één transactie betrof of alle transacties. Indien [gedaagde] T&C een verwijt maakt dan dient hij heel precies aan te geven waaruit dit verwijt bestaat en dient hij dat verwijt te onderbouwen. Daarnaast is niet gesteld of gebleken waarom T&C niet mocht uitgaan van de juistheid van de van SBC afkomstige gegevens. De verwijzing naar eerdergenoemde passages in de openbare verslagen van de curator in het faillissement van SBC is daarvoor onvoldoende. Weliswaar blijkt uit de verslagen dat het vermoeden bestaat dat SBC opgave heeft gedaan van transacties die niet daadwerkelijk hebben plaatsgevonden, maar [gedaagde] heeft geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat dit vermoeden tevens bestaat ten aanzien van op zijn naam gesloten transacties. Evenmin is gesteld of gebleken op welke wijze T&C dit had kunnen signaleren.

Nu [gedaagde] op dit punt niet aan zijn stelplicht heeft voldaan, wordt aan bewijslevering niet toegekomen.

2. Verzuimd de jaarlijkse aangifte restitutie vakheffing produktschap voor 2002 en 2003 te verzorgen?

[gedaagde] verwijt T&C dat zij de jaarlijkse aangifte restitutie vakheffing produktschap 2002 en 2003 niet heeft verzorgd. T&C erkent dat zij de aangifte niet heeft verzorgd, maar stelt dat [gedaagde] heeft aangegeven dat hij de aangifte zelf wilde verzorgen.

De rechtbank is van oordeel dat niet is gesteld of gebleken dat [gedaagde] T&C heeft gesommeerd aan haar verplichting ter zake van het doen van aangifte te voldoen. Uit niets blijkt dat sprake is van verzuim aan de zijde van T&C. Van een tekortkoming kan in dat geval geen sprake zijn.

3. Niet te werken met voorraadlijsten?

Hetzelfde geldt voor het verwijt van [gedaagde] dat hij niet kon werken met de door T&C opgestelde voorraadlijsten, omdat de lijsten enerzijds onduidelijk en anderzijds onvolledig waren. [gedaagde] stelt dat de lijsten geen helder inzicht gaven in zijn financiële positie met betrekking tot de door hem gedane transacties. Hij stelt voorts dat er in de lijsten gegevens ontbraken, zoals de telerskosten, behandelingskosten, royalties en vakheffing. Hij stelt tot slot dat hij hierover onophoudelijk heeft geklaagd en legt als bewijs daarvan over de brief van T&C gericht aan hem van 24 juni 2003 (productie 10 bij dupliek).

De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat partijen zijn overeengekomen dat de door [gedaagde] genoemde gegevens in de overzichten zouden worden opgenomen en dat [gedaagde] T&C op dit punt in gebreke heeft gesteld. Uit de overgelegde brief volgt naar het oordeel van de rechtbank evenmin dat sprake is geweest van een onophoudelijk klagen door [gedaagde]. Uit de brief is slechts op te maken dat er verbeteringen zullen worden uitgevoerd. Niet is gesteld of gebleken dat sprake was van grote fouten en evenmin dat het probleem met deze brief niet is opgelost.

Als [gedaagde] met succes had willen klagen over de lijsten dan had hij T&C moeten wijzen op haar verplichting op grond van de overeenkomst en had hij haar moeten manen alsnog aan haar verplichting te voldoen. Uit de stellingen van [gedaagde] blijkt dat de klachten zich immers grotendeels voor het faillissement van SBC hebben gemanifestreerd, zodat hij daarover eerder had kunnen klagen.

4. Verzuimd contacten te onderhouden met marktpartijen over alle onderdelen van het dienstenpakket?

[gedaagde] verwijt T&C dat hij geen contacten heeft onderhouden met marktpartijen, SBC en TCS en stelt dat als T&C dat wel zou hebben gedaan, zij zou hebben ontdekt dat diverse contracten niet daadwerkelijk tot stand zijn gekomen. [gedaagde] stelt dat T&C zonder in gebrekestelling in verzuim is geraakt, nu nakoming blijvend onmogelijk is door de faillissementen van SBC en de Stichting. T&C heeft zich tegen dit verwijt verweerd.

De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] zijn stellingen op dit punt onvoldoende concreet heeft onderbouwd. Zo heeft hij onder meer niet concreet aangegeven wanneer T&C iets had moeten ondernemen en met wie en waarom. De stelling van [gedaagde] is te algemeen en naar het oordeel van de rechtbank te veel gestoeld op vermoedens. Een enkele arrestatie van twee bestuursleden van SBC en de hiervoor geciteerde passages uit verslagen van de curator in de eerdergenoemde faillissementen zijn daarvoor onvoldoende. Onder deze omstandigheden wordt niet toegekomen aan bewijslevering.

5. Omzet oktober 2003 niet bekend?

[gedaagde] heeft T&C bij dupliek nog verweten dat alleen al sprake is van een tekortkoming nu T&C kennelijk geen omzetgegevens van oktober 2003 kan produceren. Hij verwijst naar de verplichtingen van het takenpakket (r.o. 2.2) 1, 2 en 5. T&C heeft op dit verwijt nog niet kunnen reageren. Zij heeft bij antwoord gesteld dat de oorzaak is gelegen in een computerprobleem, dat niet kan worden verholpen.

De rechtbank zal T&C in de gelegenheid stellen zich op dit punt uit te laten, alvorens verder te oordelen.

Tussenconclusie

In rechtsoverweging 4.2 is overwogen dat de kern van het geschil is de vraag of [gedaagde] aan T&C een vergoeding verschuldigd is. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat vooralsnog niet is gebleken van een tekortkoming, die een ontbinding van de overeenkomst rechtvaardigt, zodat betaling van een vergoeding niet aan de orde zou zijn. Partijen zijn echter in de gelegenheid gesteld zich op enkele punten uit te laten. Voor het geval dat komt vast te staan dat een vergoeding verschuldigd is, heeft [gedaagde] het volgende subsidiaire verweer gevoerd.

Hoogte vergoeding onjuist

[gedaagde] heeft aangevoerd dat de hoogte van de gevorderde vergoeding niet juist is. Hij stelt dat de vergoeding is berekend over de hele periode van 1 november 2002 tot en met oktober 2003, terwijl partijen eerst op 17 april 2003 de onderhavige overeenkomst hebben gesloten. Voorts betwist [gedaagde] de juistheid van het door T&C als productie 13 overgelegde overzicht van de door [gedaagde] over het oogstjaar 2003 gegenereerde omzet. De omzet is immers niet gebaseerd op de standaardverkoopovereenkomsten van SBC, zoals partijen zijn overeengekomen, stelt [gedaagde]. Daarnaast staat de omzet niet vast, gelet op de in overweging 2.8 geciteerde passages uit de openbare verslagen van de curator, aldus [gedaagde]. Bovendien is de berekening niet juist. Volgens [gedaagde] dient de vergoeding te worden berekend over de omzet gegenereerd over de periode vanaf de ingangsdatum van de overeenkomst tot het einde van het oogstjaar, derhalve over een periode van acht maanden. Tot slot heeft [gedaagde] aangevoerd dat uit de overeenkomst blijkt dat de vergoeding pas verschuldigd is als hij een factuur van SBC met betrekking tot het saldo per valutadatum heeft ontvangen. De omstandigheid dat hij nooit een factuur heeft ontvangen per 31 oktober 2003 brengt volgens [gedaagde] mee dat hij geen vergoeding verschuldigd is.

T&C heeft aangevoerd, dat [gedaagde] eerst bij antwoord gedetailleerd de hoogte van de vergoeding betwist, dat de vergoeding is berekend op basis van de omzet vanaf 1 april 2003 en dat nu partijen uitdrukkelijk zijn overeengekomen dat de vergoeding wordt berekend over de omzet over een volledig oogstjaar, en niet over een gedeelte van een oogstjaar, de vergoeding pro rato dient te worden verdeeld over de periode van dat oogstjaar waarin T&C werkzaamheden heeft verricht.

De rechtbank overweegt als volgt. Gelet op de tekst van de overeenkomst is veel te zeggen voor de door T&C voorgestane wijze van berekening van de vergoeding. Anderzijds dient bij de uitleg van een leemte in een overeenkomst niet alleen te worden afgegaan op de tekst van de overeenkomst, maar is tevens van belang hetgeen partijen over en weer in de gegeven omstandigheden van elkaar over en weer mochten verwachten. Partijen hebben zich hierover naar het oordeel van de rechtbank nog onvoldoende uitgelaten. De rechtbank zal partijen daartoe alsnog in de gelegenheid stellen.

De rechtbank overweegt reeds nu dat de rechtbank de door [gedaagde] overigens opgeworpen verweren (niet gebaseerd op de standaard verkoopovereenkomst van SBC en vergoeding pas verschuldigd na factuur van SBC) zal passeren. Voor zover als gevolg van het faillissement van SBC en de Stichting aan bepaalde delen van de overeenkomst niet kan worden voldaan, brengt dit naar het oordeel van de rechtbank niet mee dat de daarvan afhangende verplichtingen tot in lengte van dagen niet behoeven te worden nagekomen. Het ontbreken van een standaard verkoopovereenkomst en de factuur van SBC over het oogstjaar 2003 staat om die reden niet aan een vaststelling van een vergoeding in de weg. Ten aanzien van het door [gedaagde] opgeworpen verweer dat de hoogte van de vergoeding nog niet kan worden berekend, omdat de omzet nog niet vast staat gelet op de bestaande vermoedens in de faillissementen van SBC en de Stichting, overweegt de rechtbank dat [gedaagde] onvoldoende heeft gesteld ter onderbouwing van zijn standpunt. De rechtbank verwijst naar hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 4.21.

Staan door T&C gehanteerde algemene voorwaarden aan toewijzing vordering in de weg?

T&C heeft zich in reactie op het verweer van [gedaagde] beroepen op artikel 9.1 (opgenomen in rechtsoverweging 2.5) van de algemene voorwaarden. [gedaagde] heeft bij dupliek gesteld dat artikel 9 van de algemene voorwaarden onredelijk bezwarend is op grond van artikel 6:636 aanhef en onder b en c van het Burgerlijk wetboek (BW), nu het zijn recht op nakoming en ontbinding beperkt. T&C heeft hierop nog niet kunnen reageren. T&C zal zich bij de nog te nemen akte ook over dit punt kunnen uitlaten.

Staan redelijkheid en billijkheid aan toewijzing van de vordering in de weg?

[gedaagde] heeft meer subsidiair gesteld dat het in strijd met de redelijkheid en billijkheid is hem te veroordelen tot betaling van de gevorderde vergoeding. Hij heeft deze stelling toegelicht met een verwijzing naar zijn andere standpunten. T&C heeft deze stelling betwist en heeft gesteld dat in dit verband van belang is dat [gedaagde] heeft veel geld heeft verdiend met de bollenhandel.

De rechtbank zal aan het verweer van [gedaagde] voorbijgaan, aangezien hetgeen [gedaagde] heeft aangevoerd ter onderbouwing van zijn stelling, het naar het oordeel van de rechtbank naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is de vordering van T&C toe te wijzen.

Resumerend

In afwachting van de te nemen aktes houdt de rechtbank iedere beslissing aan

De beslissing

De rechtbank:

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 15 juni 2005 voor akte aan de zijde van [gedaagde] over hetgeen is vermeld in rechtsoverweging 4.8 en 4.26 en dat T&C daarop alsmede op rechtsoverweging 4.8, 4.22, 4.26 en 4.27 kan reageren bij akte d.d. 13 juli 2005.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.P.C.J. van Bavel en uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2005.

de griffier de rechter