Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2005:AT7866

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
04-05-2005
Datum publicatie
21-06-2005
Zaaknummer
121152
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aandelenlease-constructie.

Geen misleidende informatie in brochure van tussenpersoon (want: gebaseerd op onderzoek consumentenbond).

Geen schending zorgplicht tussenpersoon.

Bewijsopdracht eiser met betrekking tot door hem aan tussenpersoon verstrekte mededelingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 121152 / HA ZA 04-2276

Datum vonnis: 4 mei 2005

Vonnis

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur mr. J.C.N.B. Kaal,

advocaat mr. H.J. Bos te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HOEVELAKEN ADVIES BV,

handelende onder de naam PLUSPUNT,

gevestigd te Hoevelaken, gemeente Nijkerk,

gedaagde,

procureur mr. E.A. van der Dussen,

advocaat mr. C.W.M. Lieverse te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en PlusPunt genoemd worden.

Het verloop van de procedure

Dit verloop blijkt uit:

* het tussenvonnis van 9 februari 2005

* het proces-verbaal van comparitie van 23 maart 2005. Ter voorbereiding op de comparitie heeft PlusPunt bij brief van 10 maart 2005 enkele producties in het geding gebracht.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De feiten

PlusPunt heeft in het handelsregister als bedrijfsomschrijving laten opnemen: “Het ontwikkelen van beleggingsaktiviteiten en het geven van beleggingsadviezen (direkt of indirekt)”. PlusPunt is als cliëntenremisier ingeschreven in het desbetreffende register van - inmiddels - de Autoriteit Financiële Markten - hierna: AFM.

Pluspunt heeft in 2000 als tussenpersoon het effectenleaseproduct Profit Effect van Bank Labouchere N.V. - hierna: Labouchere - aangeboden. Labouchere was in 2000 een kredietinstelling aan wie het is toegestaan werkzaam te zijn als effecteninstelling in de zin van art. 1 sub d Wet toezicht effectenverkeer 1995 - hierna: Wte 1995. Profit Effect heeft de volgende kenmerken. De klant leent geld van Labouchere, waarmee deze aandelen in Ahold, ING, Koninklijke Olie en Unilever koopt. Na 10 jaar verkoopt Labouchere de aandelen. De koerswinst of het koersverlies is voor rekening van de klant. Afhankelijk van de inleg betaalt de klant een maandtermijn. Labouchere draagt de door haar verworven aandelen aan de klant over onder de opschortende voorwaarde dat de klant aan al haar verplichtingen tegenover Labouchere - waaronder aflossing van de lening - heeft voldaan. Als de koersstijging van de aandelen over de eerste drie jaren van de looptijd 6,2% of meer per jaar is, behoeft de klant over de resterende zeven jaren geen maandtermijnen meer te betalen. Na drie jaar is er een mogelijkheid om de overeenkomst tussentijds op te zeggen.

PlusPunt heeft voor de werving van Profit Effect advertenties geplaatst en een brochure uitgegeven. Labouchere heeft de tekst van de advertentie en de brochure goedgekeurd. Over de hieronder weer te geven tekst in de brochure over het onderzoek van de Consumentbond heeft PlusPunt met de Consumentenbond gecorrespondeerd.

Bij de brochure was een begeleidende brief gevoegd, waarin de volgende passages voorkwamen (de versie aan [eiser] is overgelegd):

“EN OVER 3 JAAR HEEFT DE GELDBOOM GEEN WATER MEER NODIG

Geachte heer [eiser],

Op uw verzoek hierbij de gevraagde documentatie over Profit Effect van Bank Labouchere. U gelooft niet in sprookjes. Wij evenmin!

Na het lezen van de brochure weet u het zeker: dit is geen sprookje. Het is realiteit.

Door uiterst inventief gebruik maken van financiële instrumenten is het Bank Labouchere gelukt om het in onze ogen meest interessante product te maken.’

De Consumentenbond kwam tot de volgende uitspraken bij dit concept:

? “100% kans op rendement van meer dan 20% per jaar en 0% kans op negatief rendement” (ConsumentenGeldgids dec. ’99)

? “Deze resultaten zijn gebaseerd op historische cijfers waarbij vanaf 1973 elke maand fictief een soortgelijk plan werd gestart. Historische beursresultaten hoeven zich niet te herhalen.”

Maar toch ... om vanuit het verleden zó hoog te scoren met zo weinig risico, is een unicum. Met recht: grote kans dat er na 3 jaar geen water meer nodig is voor deze geldboom terwijl u de vruchten ervan blijft plukken.

Het resultaat in bovengenoemde publicatie treft u bijgaand aan.

De tekst in bovengenoemd blok werd overigens in overleg met de Consumentenbond opgesteld.”

De rechtbank citeert de volgende passages uit de brochure:

“SLÁPEND RIJK WORDEN? DAT KÀN.

U gelooft niet in sprookjes. Wij evenmin!

Toch is er een strategie ontwikkeld die sterk aan een sprookje doet denken. Immers, 3 jaar leaserente betalen en vervolgens 7 jaar niets meer betalen, klinkt te mooi om waar te zijn. En als er in die zeven jaar óók nog eens dividend op uw rekening wordt overgemaakt, wordt het helemaal ongeloofwaardig voor u.

Het kan ècht!

Bij Profit Effect koopt Bank Labouchere niet alleen voor u een pakket aandelen waarbij u over de waarde daarvan alléén een vaste rente betaalt (12,4%, 13,1% effectief per jaar). Maar óók zorgt zij voor de unieke regeling dat u na drie jaar niets meer betaalt als de waardestijging van het pakket gemiddeld 6,2% per jaar of meer zal zijn. Het aandelenpakket dat voor u wordt gekocht, bestaat uitsluitend uit solide fondsen met historisch bewezen rendementen: Ahold ING Groep, Koninklijke Olie en Unilever. Bedrijven die op bijna elk terrein werkzaam zijn en (inter)nationaal opereren. Voor een stabiele brede basis.

Het geheim of het “addertje”

Velen vinden het heel ongeloofwaardig dat een bank iets zou weggeven na 3 jaar. De strategie is echter uiterst doordacht maar alleen mogelijk bij heel grote aantallen. U kunt het vergelijken met een autoverzekering. Ook daar wordt er premie betaald, terwijl u niet weet of uw verzekeraar dat jaar schade moet gaan uitkeren. Bij Profit Effect betaalt Bank Labouchere een premie voor het afdekken van het betreffende risico. Die premie wordt doorberekend in een iets hoger leaserentepercentage. U betaald dus zelf voor een regeling die u anders nooit zou kunnen bemachtigen. Inventief gebruik maken van financiële instrumenten heet dat. En ú profiteert daarvan!

Flexibel

Hoewel de looptijd op 10 jaar is gesteld, kan na drie jaar op elk moment gestopt worden. Van de verkoopopbrengsten wordt de aankoopwaarde en 50% van de resterende termijnen afgetrokken (is de gemiddelde jaarlijkse koersstijging, de eerste 3 jaar 6,2% of meer, dan zijn er geen te verrekenen termijnen meer).

(...)

LET OP!

Beleggen bij wie en in welke vorm dan ook brengt financiële risico’s met zich mee. Dat geldt ook voor Profit Effect. Beleggen (met geleend geld) geeft u een kans op een hoger, maar ook op een lager dan gemiddeld rendement. Dit risico is voor u. De waarde van uw belegging kan fluctueren. Wij wijzen u erop dat de gehanteerde rendementen zijn gebaseerd op rendementen uit het verleden. In het verleden behaalde rendementen bieden geen garantie voor de toekomst. De gepresenteerde bedragen zijn uitsluitend bedoeld als rekenvoorbeeld.

U investeert:

- 3 jaar leaserente

(36 x ƒ 250,-)* ƒ 9.000,-

- Af: 10 jaar dividend** -/- ƒ 7.711,65

Totale investering ƒ 1.288,35

Betaal u 36 maanden

ineens? Dan geldt een

korting van 10% -/- ƒ 900,-

En dan is uw totale investering ƒ 388,35

U krijgt uitgekeerd***: 25% ƒ 201.126,44

23% ƒ 167.563,19

21% ƒ 138.568,52

18% ƒ 113.581,52

17% ƒ 92.100,69

15% ƒ 73.682,85

13% ƒ 57.933,06

11% ƒ 44.502,14

9% ƒ 33.081,39

7% ƒ 23.398,83

5%* ƒ 15.215,19

3%* ƒ 8.320,55

1%* ƒ 2.531,19

Voorbeeld:

Bij een gemiddelde jaarlijkse koersstijging van 9% per jaar komt u met een totale investering van ƒ 1.2588,35 op een belastingvrije uitkering van ruim ƒ 35.000,-!

* De gemiddelde koersstijging van dit aandelenpakket in de afgelopen 5 periodes van drie jaar was 23% per jaar (peildatum 31 december). De eerste drie jaar werd hierbij gesteld op gemiddeld 6,2% per jaar of hoger. De laatste 7 jaar leaserente is daardoor eveneens “gratis conform de kortingsregeling.

** Bij berekeningen is uitgegaan van 2% dividend per jaar (stijgend met 1/10 van het voorafgaande jaar).

*** Belastingvrije uitkering na 10 jaar bij verschillende koersstijgingen per jaar. De (geleende) aankoopsom is hierop in mindering gebracht.

Zie ook het ‘LET OP’ blok.

(...)

PlùsPùnt Hoevelaken, staat onder de naam Hoevelaken Advies BV ingeschreven bij de Stichting Toezicht Effectenverkeer als cliëntenremisier. Er is volledige vrijheid in advisering van producten. PlùsPùnt bestaat al sinds 1981 en is al jarenlang specialistisch werkzaam op het gebied van aandelenlease (waaronder het bedenken van strategieën). Meer dan 40.000 particulieren en bedrijven ontvingen inmiddels van PlùsPùnt Hoevelaken advies over beleggings-, lijfrente, hypothecaire- en overige financiële diensten.

(...)

Bijgaand de exacte tekst van de resultaten van de Consumentenbond in de ConsumentenGeldgids van november/december 1999. Inclusief de waarschuwende tekst. De woorden “(= Profit Effect)” en “(= Bank Labouchere)” zijn door ons toegevoegd.

een kansberekening voor vijf recente aandelenleaseproducten

Aandelenleaseplannen kunnen een mooie winst opleveren, maar vergeet u de kans op verlies niet. Die winst rekenen aanbieders u graag voor, maar over verlies hoort u weinig. We hebben vijf van deze beleggingsproducten doorgerekend op rendement én risico.

Resultaten van vijf aandelenleaseplannen 1)

Product KoersKlimmer Spaar-leasen Korting Kado

(= Profit Effect) WinstVerDriedubbelaar Beleggers-Bonus Certificaat

Aanbieder Legio-Lease (= Bank Labouchere) Koers-Kompas

Lening (in ƒ) 20.093 23.443 24.194 42.893 15.000

Looptijd (in jaren) 5 5 10 3 7

Gemiddelde netto opbrengst per jaar (%) 32 66,2 61 69,8 14,8

Kans op negatief rendement (%) 27 14 0 42 16

Kans op rendement >20% per jaar (%) 51 80 100 53 30

Kans op bijbetaling na afloop (%) 0,4 7 0 22 0

1) Fiscale consequenties buiten beschouwing gelaten

Conclusie

Beleggen met geleend geld geeft kans op een hoog rendement, maar kan ook negatief uitpakken. Historische beursresultaten hoeven zich niet te herhalen. U zit verder vrij lang vast aan aandelenlease. Eerder stoppen - indien al mogelijk - is onvoordelig.

[eiser] heeft via PlusPunt op of omstreeks 12 juli 2000 10 effectenlease-overeenkomsten Profit Effect Vooruitbetaling gesloten met contractnummers 56084695, 696, 698, 699, 701, 702, 704, 706, 707 en 708. Per overeenkomst heeft [eiser] € 10.967,40 van Labouchere geleend, waarmee Labouchere aandelen Ahold, ING, Koninklijke Olie en Unilever heeft gekocht tegen de aankoopdatum 11 juli 2000. In iedere overeenkomst is als totaal te betalen rente € 13.599,60 opgenomen, met verwijzing naar de kortingsregeling bij voldoende rendement op de aandelen over de eerste drie jaar. Als totale leasesom is per overeenkomst € 24.567,- vermeld. [eiser] heeft de maandtermijnen over de eerste drie jaar van € 3.672,- van alle overeenkomsten bij vooruitbetaling voldaan.

Aan de voet van iedere overeenkomst staat vermeld: “Adviseur: ATP00361 - Hoevelaken Advies B.V.”.

Partijen verschillen van mening over de manier waarop deze overeenkomsten tot stand zijn gekomen. Wel staat vast dat [eiser] en zijn echtgenote op 18 juni 2000 een acceptatieformulier hebben ingevuld, waarin zij als inkomen van [eiser], resp. zijn echtgenote ƒ 3.800,-, resp. ƒ 4.600,- bruto per maand hebben ingevuld en als woonlasten ƒ 1.600,- bruto per maand als verplichtingen uit een hypothecaire geldlening van ƒ 263.000,- tegen 6,4% rente per maand, vast tot 1 juni 2001. PlusPunt heeft dit acceptatieformulier aan Labouchere gestuurd met daarop een sticker geplakt met de volgende tekst: “[eiser] 026 .3816701 heeft nog meer vragen over deze bladzij zou je hem eens willen bellen.”

Omdat [eiser] met het afsluiten van 10 aandelenlease-overeenkomsten boven een bepaalde leasesom uitkwam, wenste Labouchere een inkomenstoets uit te voeren. PlusPunt heeft Labouchere daarop bij fax van 26 juni 2000 recente inkomens- en uitkeringsgegevens van [eiser] en zijn echtgenote gestuurd.

[eiser] had eerder drie aandelenlease-overeenkomsten gesloten, waarvan de looptijd is afgelopen in 2001. Deze aandelenlease-overeenkomsten hebben geleid tot een uitkering aan [eiser] van een bedrag tussen ƒ 100.000,- en ƒ 140.000,-.

Het geschil

[eiser] vordert dat de rechtbank in een uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis 1) voor recht verklaart dat PlusPunt toerekenbaar is tekort geschoten in de nakoming van haar verplichtingen jegens [eiser] en/of dat PlusPunt onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld, 2) PlusPunt veroordeelt tot betalen van de door [eiser] geleden schade, nader op te maken bij staat met veroordeling van PlusPunt in de kosten van het geding.

[eiser] stelt dat hij op een veilige manier wilde beleggen, zodat hij eerder met werken zou kunnen stoppen. Hij wilde geen risico op verlies hebben. Hij heeft dit tegen PlusPunt gezegd. Hij heeft ook gezegd dat hij een beleggingsproduct wenste met een looptijd van 10 jaar en dat hij de vooruitbetaalde maandtermijnen zou financieren door een tweede hypotheek op de echtelijke woning te nemen. [eiser] stelt dat PlusPunt hem, gezien deze beleggingsdoelstelling, heeft gezegd dat Profit Effect daarvoor een goed product was.

[eiser] verwijt PlusPunt hem onjuist te hebben geadviseerd over de risico’s van het aandelenleaseproduct Profit Effect. In het licht van zijn beleggingsdoelstelling (sparen met geleend geld om eerder te kunnen stoppen met werken) had PlusPunt het sluiten van de aandelenleaseproducten moeten afraden. PlusPunt had [eiser] bovendien beter moeten informeren over het aandelenleaseproduct.

PlusPunt voert gemotiveerd verweer tegen de in 3.2 en 3.3 weergegeven stellingen. Dit verweer komt hierna aan de orde voor zover het van belang is voor de beoordeling van de vordering.

De beoordeling

Algemeen kader

PlusPunt stond in 2000 en staat nog steeds bij - thans - AFM geregistreerd als cliëntenremisier. Op de website van AFM - www.afm.nl - is de volgende omschrijving van de cliëntenremisier opgenomen: “Cliëntenremisiers zijn effectenbemiddelaars die uitsluitend cliënten aanbrengen bij vergunninghoudende effecten- of beleggingsinstellingen. Zij mogen geen bijkomende effectendiensten verrichten, zoals vermogensbeheer of andere vormen van effectenbemiddeling zoals het doorgeven van orders. Cliëntenremisiers dienen zich te houden aan een aantal gedragsregels die zijn vastgelegd in de Nadere Regeling gedragstoezicht effectenverkeer 2002 (NRg 2002).”

Een effectenbemiddelaar heeft een vergunning nodig op grond van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 - hierna: Wte 1995 - (art. 7 Wte 1995). Cliëntenremisiers zijn van deze vergunningplicht uitgezonderd op grond van art. 12 Vrijstellingsregeling Wet toezicht effectenverkeer 1995. In de Nota van Toelichting bij art. 12 is daarover het volgende opgemerkt:

“Reden hiervoor is dat, gezien de aard van de dienstverlening, de uiteindelijke verantwoordelijkheid voor de verrichte effectendiensten ligt bij de instelling waarbij de betrokken cliënt is aangebracht. Aangezien het hierbij gaat om instellingen die reeds aan toezicht zijn onderworpen dan wel zijn vrijgesteld, kan de vergunningplicht voor de betrokken remisiers achterwege blijven. Teneinde echter te voorkomen dat afbreuk wordt gedaan aan de waarborgen die de vergunningplicht voor deze effectenbemiddelaars aan beleggers verschaft, wordt als voorschrift aan de vrijstelling verbonden dat wordt voldaan aan de gedragsregels, bedoeld in art. 24 van het Besluit toezicht effectenverkeer 1995.”

Art. 24 Besluit toezicht effectenverkeer 1995 - hierna: Bte 1995 - luidt, voor zover van belang, als volgt:

“Een effecteninstelling houdt zich bij het verrichten van haar werkzaamheden aan de door de toezichthoudende autoriteit te stellen regels die ertoe strekken dat de effecteninstelling:

a. handelt in het belang van haar cliënten en de adequate functionering van de effectenmarkten;

b. in het belang van haar cliënten kennis neemt van hun financiële positie, ervaring en beleggingsdoelstellingen, voor zover dit redelijkerwijs van belang is met het oog op het verrichten van haar diensten”.

De in art. 24 Bte 1995 bedoelde regels zijn door de voorganger van AFM, de Stichting Toezicht Effectenverkeer - hierna: STE -, vastgesteld. De voor dit geschil relevante versie is de Nadere Regeling toezicht effectenverkeer 1999 - hierna: NRg 1999. STE heeft in 1999 een versie van de NRg 1999 uitgegeven, waarin de gedragsregels die gelden voor cliëntenremisiers, waren onderstreept (zie F.M.A. ’t Hart, De positie van de cliëntenremisier onder de Wte 1995, TvE 2002, p. 115, 119 en R.L.S. Verjans, Reactie op “Het leasen van effecten; hoogmoed komt voor de val” van mr. S.B. van Baalen, WPNR (2005) 6618, p. 331). STE heeft met ingang van 1 september 2001 art. 43 lid 6 NRg 1999 ingevoerd, waarin was aangegeven welke gedragsregels op cliëntenremisiers van toepassing waren. In de toelichting is daarover het volgende opgemerkt:

“Niet alle gedragsregels van paragraaf 8 zijn echter relevant voor de cliëntenremisier, omdat de cliëntenremisier slechts cliënten mag aanbrengen, terwijl de gedragsregels op alle diensten zien die een effecteninstelling zou kunnen verrichten. In de NR ‘99 was echter niet gespecificeerd welke regels precies van toepassing zijn op cliëntenremisiers. In de praktijk werden cliëntenremisiers hiervan op de hoogte gesteld door het toesturen van de gedragsregels, waarin dan onderstreept was welke regels specifiek de cliëntenremisiers betroffen. Met het nieuwe zesde lid van artikel 43 wordt nu in de regeling zelf specifiek aangegeven welke regels niet van toepassing zijn op cliëntenremisiers.”

Op cliëntenremisiers zijn onder meer niet van toepassing art. 28 lid 1 NRg 1999

“Een effecteninstelling wint in het belang van haar cliënten informatie in betreffende hun financiële positie, hun ervaring met beleggingen in financiële instrumenten en hun beleggingsdoelstellingen, voor zover dit redelijkerwijs relevant is bij de uitvoering van de door de effecteninstelling te verrichten diensten. De effecteninstelling legt deze informatie schriftelijk dan wel elektronisch vast.”

en art. 33 lid 1 sub c NRg 1999

“Een effecteninstelling verstrekt iedere cliënt schriftelijk dan wel elektronisch ten minste de volgende informatie: (...) gegevens over de kenmerken van de financiële instrumenten waarop de diensten betrekking hebben, waaronder de aan de financiële instrumenten verbonden beleggingsrisico’s”.

Een cliëntenremisier mag slechts klanten aanbrengen bij effecten- of beleggingsinstellingen. Dit betekent volgens STE/AFM dat het een cliëntenremisier niet is toegestaan zo’n klant te adviseren. Op de website van AFM is daarover het volgende opgemerkt:

“Het adviseren van klanten door cliëntenremisiers over specifieke effectentransacties en -producten is niet toegestaan. Onder advisering wordt met name verstaan persoonlijk direct contact, zoals het één-op-één advies van een cliëntenremisier aan haar klant. Het rondsturen van een algemene mailing wordt niet als advisering aangemerkt.

Onder advies over specifieke effectentransacties en -producten wordt ook begrepen het advies om participaties in een specifiek beleggingsfonds te kopen. Het is wel mogelijk meerdere soorten producten of participaties in beleggingsinstellingen te presenteren aan klanten, mits daarin niet een van deze producten wordt aangeprezen boven een ander.”

De rechtbank legt de stellingen van [eiser] zo uit, dat hij PlusPunt enerzijds verwijt dat de brochure onvoldoende informatie bevat over de verplichtingen van [eiser] en het risico op verlies van het aandelenleaseproduct Profit Effect en anderzijds dat zij hem dit product had behoren af te raden, gezien zijn financiële positie en beleggingsdoelstellingen.

De informatie in de bochure

De rechtbank zal eerst ingaan op de informatie in de brochure. [eiser] verwijt PlusPunt dat zij ten onrechte in de brochure heeft opgenomen dat het risico op verlies 0% is en de kans op een rendement van meer dan 20% per jaar 100% is. Voorts stelt [eiser] dat hij niet wist dat hij na vooruitbetaling van de maandtermijnen over de eerste drie jaar nog maandtermijnen zou zijn verschuldigd en dat hij bij tussentijdse opzegging 50% van de niet verschenen termijnen dient te betalen.

De rechtbank stelt voorop dat het een cliëntenremisier als PlusPunt op grond van het beleid van - destijds - STE was toegestaan een brochure over het aandelenleaseproduct Profit Effect aan gegadigden te sturen, omdat dat niet als advisering werd - en wordt - aangemerkt. De rechtbank ziet geen aanleiding dit beleid van STE en de manier waarop het werd en wordt uitgevoerd als strijdig met de wet of de algemene beginselen van behoorlijk bestuur aan te merken. [eiser] heeft dit overigens ook niet gesteld. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat cliëntenremisiers in de jaren negentig op grote schaal op basis van eigen reclamemateriaal klanten voor dergelijke aandelenleaseproducten bij effecteninstellingen hebben aangebracht. Een andersluidende beslissing zou daarom verstrekkende gevolgen hebben.

De volgende vraag is of de brochure misleidende informatie over het aandelenleaseproduct Profit Effect bevat. De brochure bevat een citaat uit een artikel uit de ConsumentenGeldgids van november / december 1999, waarin is vermeld dat de kans op negatief rendement 0% en de kans op rendement van meer dan 20% per jaar 100% is. Met de kennis van vandaag kan men er zich over verwonderen dat zelfs de Consumentenbond de kans op verlies en rendement van aandelenleaseproducten op deze wijze heeft geformuleerd. Misleiding door PlusPunt levert het niet op. De brochure laat immers duidelijk uitkomen dat dit het oordeel van de Consumentenbond is. Op dit punt heeft PlusPunt haar zorgplicht tegenover [eiser] niet geschonden, ook omdat in de brochure op een aantal plaatsen wordt gewaarschuwd dat historische beursresultaten zich niet behoeven te herhalen en dat beleggen met geleend geld een kans geeft op een lager dan gemiddeld rendement.

De rechtbank is van oordeel dat in de brochure voldoende duidelijk wordt uitgelegd dat de verplichting tot betaling van maandtermijnen na drie jaar alleen dan vervalt als het gemiddelde rendement over de eerste drie jaar 6,2% of meer is en wat de voorwaarden voor tussentijdse opzegging zijn:

“Maar óók zorgt zij voor de unieke regeling dat u na drie jaar niets meer betaalt als de waardestijging van het pakket gemiddeld 6,2% per jaar of meer zal zijn.(...)

Hoewel de looptijd op 10 jaar is gesteld, kan na drie jaar op elk moment gestopt worden. Van de verkoopopbrengsten wordt de aankoopwaarde en 50% van de resterende termijnen afgetrokken (is de gemiddelde jaarlijkse koersstijging, de eerste 3 jaar 6,2% of meer, dan zijn er geen te verrekenen termijnen meer).”

De informatie van PlusPunt over haar positie als cliëntenremisier is naar het oordeel van de rechtbank onjuist. Als cliëntenremisier heeft PlusPunt geen “volledige vrijheid van adviseren” en is het haar niet toegestaan “al jarenlang specialistisch werkzaam op het gebied van aandelenlease (waaronder het bedenken van strategieën)” te zijn. In dat licht is ook de bedrijfsomschrijving in het handelsregister (“Het ontwikkelen van beleggingsaktiviteiten en het geven van beleggingsadviezen (direkt of indirekt)”) opmerkelijk. De verklaring van PlusPunt dat de tekst in de brochure ziet op de activiteiten van PlusPunt als assurantietussenpersoon, overtuigt de rechtbank niet. De lezer zal de tekst vanzelfsprekend betrekken op het aangeboden aandelenleaseproduct en niet op verzekeringsproducten, waarover de brochure niet gaat. De tekst en de bedrijfsomschrijving vormen voor de rechtbank een indicatie dat PlusPunt haar bemiddelende rol als cliëntenremisier ruimer zag dan AFM toestaat. Óf PlusPunt [eiser] daadwerkelijk heeft geadviseerd, is tussen partijen in geschil en komt hierna aan de orde.

De conclusie is dat de brochure geen onjuiste of misleidende informatie bevat, behoudens hetgeen in 4.12 is vermeld.

Omvang zorgplicht PlusPunt

Vervolgens stelt [eiser] dat PlusPunt is gebonden aan de art. 28 lid 1 en art. 33 lid 1 sub c NRg 1999 en dat zij deze gedragsregels heeft overtreden. Op grond van deze gedragsregels dient een effecteninstelling te informeren naar onder meer de financiële positie en de beleggingsdoelstellingen van de klant en gegevens te verschaffen over de beleggingsrisico’s.

Deze stelling is naar het oordeel van de rechtbank onjuist. De (gedrags-)regels zijn door STE niet van toepassing geoordeeld op cliëntenremisiers vanuit de gedachte dat de effecteninstelling bij wie de cliëntenremisier de klant aanbrengt, deze zorgplichten dient na te leven. Het door STE met ingang van 1 september 2001 ingevoerde art. 43 lid 6 NRg 1999 hield in dat het inwinnen van informatie over de financiële positie en de beleggingsdoelstellingen van de klant en het wijzen op de specifieke beleggingsrisico’s van het aangeboden product voor het verrichten van de dienst van cliëntenremisier niet relevant zijn. Vóór de vaststelling van art. 43 lid 6 NRg 1999 was dit het beleid van STE. De rechtbank ziet geen aanleiding dit beleid van STE als strijdig met het Bte 1995 of de Wte 1995 of enig ander hoger wettelijk voorschrift of enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur aan te merken. [eiser] heeft dit overigens ook niet gesteld. Dit betekent dat PlusPunt op grond van het beleid van STE niet gehouden was de in de art. 28 lid 1 en 31 lid 1 sub c NRg 1999 vastgelegde zorgplichten na te leven.

Wel of geen advies

Ten slotte stelt [eiser] dat hij PlusPunt heeft bericht dat hij op een veilige manier wilde beleggen, zodat hij eerder met werken zou kunnen stoppen. Hij wilde geen risico op verlies hebben. Hij heeft ook gezegd dat hij een beleggingsproduct wenste met een looptijd van 10 jaar en dat hij de vooruitbetaalde maandtermijnen zou financieren door een tweede hypotheek op de echtelijke woning te nemen. [eiser] stelt dat PlusPunt hem, gezien deze beleggingsdoelstelling, heeft gezegd dat Profit Effect daarvoor een goed product was.

PlusPunt heeft gemotiveerd betwist dat een en ander zo is gegaan. De rechtbank zal daarom [eiser] het bewijs van deze stellingen opdragen.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

Partijen moeten er op voorbereid zijn dat de rechtbank op een zitting bepaald voor de getuigenverhoren een mondeling tussenvonnis kan wijzen waarbij een verschijning van partijen op diezelfde zitting wordt bevolen om inlichtingen over de zaak te vragen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden. Zij moeten daarom in persoon op de getuigenverhoren verschijnen. Een rechtspersoon moet ter zitting vertegenwoordigd zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en bevoegd is tot vertegenwoordiging.

De beslissing

De rechtbank

draagt [eiser] op te bewijzen (1) dat hij PlusPunt heeft bericht dat hij op een veilige manier wilde beleggen, zodat hij eerder met werken zou kunnen stoppen, dat hij geen risico op verlies wilde hebben, dat hij een beleggingsproduct wenste met een looptijd van 10 jaar en dat hij de vooruitbetaalde maandtermijnen zou financieren door een tweede hypotheek op de echtelijke woning te nemen en (2) dat PlusPunt hem, gezien deze beleggingsdoelstelling, heeft gezegd dat Profit Effect daarvoor een goed product was,

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 18 mei 2005 voor uitlating door [eiser] of hij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel,

bepaalt dat [eiser], indien hij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, die stukken direct in het geding moet brengen,

bepaalt dat [eiser], indien hij getuigen wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten op woensdagen in de maanden juni tot en met september 2005 direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. F.J. de Vries in het paleis van justitie te Arnhem aan de Walburgstraat 2-4,

bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.J. de Vries en in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2005.