Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2005:AT7610

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
27-04-2005
Datum publicatie
16-06-2005
Zaaknummer
83763
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft in haar tussenvonnis van 3 maart 2004 Rivierenland opgedragen te bewijzen dat de door Groen Recycling ter zuivering aangeleverde hoeveelheid water overeenkomt met de hoeveelheid die op de acceptatieformulieren is vermeld en dat het totale aantal vervuilingseenheden in het aangeleverde water 600 bedraagt. In dit vonnis beoordeelt zij de bewijslevering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 83673 / HA ZA 02-203

Datum vonnis: 27 april 2005

Vonnis

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

HET WATERSCHAP RIVIERENLAND,

gevestigd te Geldermalsen,

eiser,

procureur mr. J.M. Bosnak,

advocaat mr. G.J.S. Bouwens te 's-Hertogenbosch,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GROEN RECYCLING BOMMELERWAARD B.V.,

gevestigd te Brakel, gemeente Zaltbommel,

gedaagde,

procureur mr. O.N.J. Maatje,

advocaat mr. M.F.G. Mulders te Zaltbommel.

Partijen zullen hierna Rivierenland en Groen genoemd worden.

Het verloop van de procedure

Dit verloop blijkt uit:

- het tussenvonnis van 3 maart 2004

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 18 juni 2004

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 3 december 2004

- de conclusie na getuigenverhoor van Rivierenland

- de antwoordconclusie na getuigenverhoor van Groen Recycling.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De verdere beoordeling

De rechtbank blijft bij hetgeen zij heeft overwogen in haar tussenvonnissen van 19 september 2002, 12 februari 2003 en 3 maart 2004, met dien verstande dat in de 6e regel van r.ov. 3.5 van het tussenvonnis van 3 maart 2004 voor “[betrokkene 1]” “[betrokkene 2]” moet worden gelezen. De rechtbank heeft in r.ov. 5 van haar tussenvonnis van 12 februari 2003 beslist dat Rivierenland geen besluit als bedoeld in art. 1:3 Awb tot toepassing van bestuursdwang heeft genomen. Zij heeft in r.ovv. 3.3-5 van haar tussenvonnis van 3 maart 2004 beslist dat tussen Groen Recycling en Rivierenland een overeenkomst tot stand is gekomen betreffende de afvoer van verontreinigd slootwater. Groen Recycling verzoekt in nr. 24 antwoordconclusie na enquête de rechtbank terug te komen van deze oordelen. Zij acht dit redelijk omdat zij eerst ten tijde van de getuigenverhoren bekend is geraakt met de interne notitie van de heer R. [betrokkene 3] van het bureau handhaving van Rivierenland, waarin deze adviseert dat Rivierenland een brief aan Groen Recycling stuurt waarin deze wordt aangeschreven tot opruiming. De rechtbank oordeelt dat de bedoelde overwegingen eindbeslissingen zijn, waarvan het haar niet vrijstaat terug te komen. Zij overweegt ten overvloede dat de notitie van [betrokkene 3] geen nieuw licht werpt op het standpunt van Rivierenland, dat in essentie inhoudt dat zij bestuursdwang zou toepassen als Groen Recycling niet vrijwillig het verontreinigde slootwater zou afvoeren. Dat standpunt was Groen Recycling vanaf het begin duidelijk (zie nr. 21 CvA).

De rechtbank heeft in haar tussenvonnis van 3 maart 2004 Rivierenland opgedragen te bewijzen dat de door Groen Recycling ter zuivering aangeleverde hoeveelheid water overeenkomt met de hoeveelheid die op de acceptatieformulieren is vermeld en dat het totale aantal vervuilingseenheden in het aangeleverde water 600 bedraagt.

Rivierenland heeft ter voldoening aan de haar gegeven bewijsopdracht haar medewerkers de heren [betrokkene 4], onderafdelingshoofd Bommelerwaard, [betrokkene 5], klaarmeester, en [betrokkene 6], hoofd cluster WVO, als getuigen doen horen. Groen Recycling heeft in contra-enquête de heren [betrokkene 7], directeur van Groen Recycling, [betrokkene 8], kraanmachinist, [betrokkene 9], bedrijfsleider van Groen Recycling, en [betrokkene 10], fouragehandelaar, als getuigen doen horen.

In enquête heeft [betrokkene 4], voor zover van belang, het volgende verklaard:

“Wij hebben een procedure voor de aanvoer van vervuild afvalwater na calamiteiten. De inname gaat door middel van formulieren. Ik was belast met het aftekenen van deze formulieren. Het is al weer een tijdje geleden. Ik kan me niet meer precies herinneren hoe het is gegaan bij de aanlevering van de eerste vracht water door Groen Recycling. Wij hebben echter vaker te maken met dit soort calamiteiten en de procedure is altijd dezelfde. Per vracht water wordt een acceptatieformulier in ontvangst genomen. Deze formulieren worden door de chauffeur ingevuld aangeleverd. Hierop staat het aantal kub’s vermeld. Deze formulieren tekende ik af. Door ons wordt globaal gecontroleerd of de inhoud van vrachtwagens overeenstemt met de formulieren. Voorts wordt bij elke zending een klein monster genomen dat een week bewaard wordt. Elke vrachtauto heeft een apart formulier. (...)

Op zich is het mogelijk dat hetgeen dat op de formulieren staat niet overeenkomt met hetgeen in de vrachtwagen zit. Ik kan van de buitenkant niet controleren of de vrachtwagen niet geheel vol zit maar in de regel leverden de chauffeurs volle vrachtwagens af omdat ze het water zo snel mogelijk moesten afleveren.

U toont mij een pakket met fotokopieën van formulieren. Dit zijn formulieren van het soort waarover ik zojuist sprak. (...) U kunt zien dat de formulieren door mij zijn afgetekend. De hoeveelheden stonden al ingevuld. U houdt mij voor dat een aantal bonnen door mij niet zijn afgetekend, en ook niet door een collega. Dat kan kloppen. Dat is te wijten aan een procedurefout van mijn kant. Ik ben niet altijd aanwezig. De bonnetjes stapelen zich dan op en het kan voorkomen dat ik ze dan niet afteken. Zeker bij grote hoeveelheden kan het voorkomen dat de jongens, dat wil zeggen de chauffeurs, de formulieren zelf neerleggen en zelf watermonsters scheppen en klaar zetten. Ik neem aan dat de chauffeurs geen briefjes meebrengen en neerleggen als ze geen water aanleveren.

(...) U houdt mij voor dat er formulieren bij zitten waarop staat dat er 38 en zelfs 40 kub is aangeleverd. U vraagt mij hoe dit kan en of dit wel in een vrachtwagen past. Ik heb geen verstand van vrachtwagens. Wel weet ik dat bij ons regelmatig hoeveelheden van 38 of 39 kub worden afgeleverd. Als een chauffeur vermeldt dat hij 40 kub aflevert dan ga ik ervan uit dat dit juist is. Dan heeft hij kennelijk een grote vrachtwagen. Ik weet dat er verschillende bedrijven hebben gereden en er dus verschillende typen auto’s gebruikt zijn.

U vraagt mij of ik persoonlijk aanwezig ben geweest bij alle innames of alleen de formulieren van collega’s heb ontvangen. Het is niet mijn functie om bij elke inname aanwezig te zijn. Alleen als er nieuwe vrachten komen met nieuwe chauffeurs maak ik hen wegwijs, en zeg ik waar ze moeten lossen en dan krijg ik zelf het formulier in mijn handen gedrukt. In die gevallen zie ik ook wat er in de vrachtauto zit. Daarbij teken ik aan dat ik aan het soort vrachtauto kan zien wat er ongeveer in zit, maar dat ik aan de buitenkant niet kan zien of in de vrachtauto 38 of 40 kub zit..(...)

Het is juist dat de binnengekomen vrachten niet worden gewogen of afgemeten. Wij gaan uitsluitend af op de formulieren van de chauffeurs. Ik teken ook aan dat wij bij de zuivering geen belang hebben bij inname van meer water. Wij hebben het liefst zo min mogelijk water.

De chauffeur levert zijn formulier bij ons af. Hij krijgt geen formulier terug en ook geen reçu.

U houdt mij voor dat de bovenste vakken van alle formulieren hetzelfde zijn en dat het erop lijkt dat deze gekopieerd zijn. Ik geef toe dat dit zo lijkt. Deze formulieren krijg ik echter ingevuld aangeleverd en ik weet niet wie die zo heeft ingevuld. Ik heb slechts mijn paraaf in het onderste blok gezet.

Ik neem aan dat het bovenste blok is ingevuld door de afdeling Z&S en de sectie Vergunningen van het zuiveringsschap, die in het eerste blok genoemd worden.”

[betrokkene 5] heeft, voor zover van belang, het volgende verklaard:

“Ik herinner mij dat er water is aangevoerd van Groen Recycling. Bij deze vrachten is dezelfde procedure gevolgd die altijd wordt gevolgd. De chauffeurs leveren de vracht af. Zij hebben een bon bij zich, die ze van BVO (bedrijven, vergunningen, opsporingen) hebben gekregen. Voor elke vracht is er een aparte bon. Deze bon neem ik in en teken ik af. (...) Het kan niet voorkomen dat meerdere vrachtauto’s tegelijk één bon inleveren. Elke vrachtauto heeft een eigen bon. Op die bon staat de hoeveelheid water die wordt afgeleverd. Die hoeveelheid is reeds ingevuld door, naar ik aanneem, BVO. Wij controleren niet of wat op de bon staat ook in de vrachtauto zit. (...) Het lijkt mij niet waarschijnlijk dat de chauffeurs met half lege auto’s komen tenzij het de laatste auto is. In dat geval wordt echter het formulier aangepast.(...) Mij is opgevallen dat de hoeveelheden over het algemeen kloppen.

U toont mij een pakket fotokopieën van formulieren. Dat zijn de formulieren die ik zojuist bedoelde. Veel van deze formulieren zijn door de heer [betrokkene 4] afgetekend, maar er zitten ook formulieren bij die door mij zijn afgetekend. U houdt mij voor dat er ook formulieren niet zijn afgetekend. Het kan voorkomen dat formulieren niet worden afgetekend. In dat geval is de betreffende persoon die ze in ontvangst neemt vergeten ze af te tekenen. De formulieren moeten wel allemaal door ons in ontvangst genomen zijn, want anders kunnen ze niet terug gestuurd zijn naar BVO.

U houdt mij voor dat er bonnen bijzitten met hoeveelheden van 38 of 40 kub. U vraagt mij of dit in een vrachtauto past. Dit past wel degelijk in een vrachtauto. Wij krijgen regelmatig hoeveelheden van 38 of 40 kub. Wij krijgen ook regelmatig slib aangevoerd in hoeveelheden van 40 kub. Dan zijn vrachten water van deze hoeveelheden ook mogelijk.”

[betrokkene 6] heeft, voor zover van belang, het volgende verklaard

“Ik weet dat er ongeveer zestig tankwagens zijn afgeleverd bij de rioolwaterzuivering Zaltbommel. Ik weet dit omdat wij ongeveer zestig acceptatieformulieren hebben gekregen, één per tankauto. Deze acceptatieformulieren worden ingeleverd bij het hoofd van de zuivering, de heer [betrokkene 4]. Nadat wij een aanvraag ontvangen om water af te komen voeren wordt een aantal acceptatieformulieren aan het bedrijf toegezonden. Het bovenste deel van deze formulieren is al ingevuld, door de afdeling Z&S. Deze formulieren kunnen worden gekopieerd en bij terugkomst van de chauffeur worden zij per stuk ingevuld. Dit invullen gebeurt door de chauffeur, maar ik weet niet precies wanneer hij dit doet, daar ben ik niet bij. (...)

U vraagt mij hoe de chauffeur weet hoeveel water er in de tank zit. Het viel mij op dat op de meeste formulieren 38 of 40 kubieke meter staat vermeld. Ik vermoed dat de chauffeur de tankauto gewoon volgooit. Wij wegen de auto’s niet bij aankomst.

U vraagt mij of veertig kubieke meter niet erg veel is. Ik vind van niet. Er zijn wagens waar zo’n hoeveelheid water in kan.

De hoeveelheid aangeleverd water blijkt uit de formulieren. De vervuilingseenheden worden bepaald aan de hand van monsters. Ik heb begrepen dat bij deze partij direct in het begin en halverwege de leveringen monsters zijn genomen. Op het lab van het waterschap zijn die monsters geanalyseerd. Het bepalen van het aantal vervuilingseenheden heb ik geloof ik zelf gedaan maar dat weet ik niet zeker. De vervuilingseenheden bereken ik aan de hand van de rijksformule. Dit wordt berekend aan de hand van chemisch zuurstofverbruik en Kjeldahl stikstof. De PAK’s spelen bij de vaststelling van de vervuilingseenheden geen rol. Ik weet uit mijn hoofd niet of de monsters zijn genomen uit de sloot of uit de tankwagens die het water aanvoerden. Omdat de vervuiling in de sloot homogeen van samenstelling was nemen wij aan dat de monsters representatief zijn. Aan de hand van de monsters wordt de vervuiling in eenheden van de totale partij berekend.

Degene die het monster neemt weet dat dit een representatief monster moet zijn. Zo wordt in een sloot op verschillende plaatsen een schepje genomen en dat wordt vermengd. Dit is de normale procedure. (...)

In werkelijkheid kwamen wij naar ik mij herinner op ongeveer 650 vervuilingseenheden, maar dit hebben wij afgerond tot een rond bedrag van 600.

Het is juist dat als er meer water wordt aangeleverd er ook meer vervuilingseenheden worden aangeleverd omdat de vervuilingseenheden worden bepaald aan de hand van een steekproef.

(...) De normale procedure is dat er eerst een aanmeldingsformulier wordt opgemaakt en ondertekend door iemand van het bedrijf. Daarna wordt een acceptatieformulier naar het bedrijf gezonden. Kopieën van dat acceptatieformulier worden gebruikt bij de afgifte.

U vraagt mij of het acceptatieformulier in dit geval is opgestuurd of dat het is meegenomen door iemand van het waterschap. Dat weet ik niet. Ik zie nu in het formulier dat de raadsman mij toont dat daaruit blijkt dat het per fax is verzonden. Dit is een normale procedure, dat zo’n formulier per fax naar het bedrijf wordt verzonden.

Ik merk nog op dat wij in dit geval een gereduceerd tarief in rekening hebben gebracht. Dit was naar aanleiding van een opmerking van de heer [betrokkene 2] dat het aangeslagen bedrag toch wel erg hoog was. Omdat het bedrijf zelf zorg heeft gedragen voor afvoer door middel van een loonwerkersbedrijf hebben wij het gereduceerde tarief toegepast.”

In contra-enquête heeft [betrokkene 7], voor zover van belang, het volgende verklaard:

“De afgedamde sloot waarin het bluswater werd opgevangen is 300 meter lang. De bovenbreedte is 2 meter en de onderbreedte 50 à 60 centimeter met een talud van 1 op 2. De diepte van de sloot is ongeveer 70 centimeter. Ik ben eigenaar van deze sloot.

Zoals gezegd moesten wij het vervuilde water weghalen van het waterschap. (...) Ik heb toen een fouragehandelaar benaderd, [betrokkene 10] Fourage die de sloot zou leeghalen en het water af zou voeren. [betrokkene 10] heeft één tankwagen met een zelfaanzuigend systeem. (...) Ergens tussen de eerste en de tweede brand in is een chauffeur van [betrokkene 10] een volle dag bezig geweest om de sloot leeg te pompen. De volgende dag is er nog één wagen uitgekomen en toen stond de sloot droog. (...) U vraagt mij of ik weet hoeveel vrachten de chauffeur heeft afgevoerd. Ik wist dit niet maar ik heb dit recent bij [betrokkene 10] nagevraagd en uit diens administratie bleek dat dit in totaal zeven vrachten zijn geweest.

De tweede brand vond veertien dagen later plaats als gevolg van broei. Deze brand was snel verholpen doordat wij het hadden afgedekt met rauwe compost. Er is ook geblust met water maar op een andere wijze dan bij de eerste brand. Op deze wijze van blussen wordt minder water verbruikt. Het bluswater is wederom in de afgedamde sloot terechtgekomen. De volgende dag, maandag, kwam er een chauffeur van Kasteel Meeuwen om mest te wegen. Ik heb toen aan de chauffeur gevraagd of hij het water uit de afgedamde sloot kon afvoeren. De chauffeur heeft dit kortgesloten met zijn baas en ging akkoord. Nadat hij de mest had afgeleverd kwam de chauffeur terug en toen heeft hij de sloot leeggepompt. Dit was één vracht en daarna stond de sloot weer droog. Ik herinner mij dat het een flinke vracht was van 35 à 40 kuub. Ik weet niet of de chauffeur een formulier heeft ingevuld. De chauffeur heeft de vracht vervolgens naar het waterschap gebracht en ik heb hem niet meer gezien. Ik heb alleen nog een factuur van Kasteel Meeuwen ontvangen.

U vraagt mij of ik na de eerste brand heb gezien wie de formulieren heeft ingevuld. Dit heb ik niet gezien. Ik heb mij hier niet mee bemoeid. Mijn zoon, [betrokkene 9], heeft de afvoer van het water helemaal geregeld. Ik weet het niet zeker maar ik denk dat mijn oudste zoon, [betrokkene 2], de eerste keer met [betrokkene 10] mee is gereden om aan te wijzen waar de zuivering was.

Ik herhaal dat na de eerste brand zeven vrachten zijn afgevoerd, zes op de eerste dag en één op de dag erna. Na de tweede brand is op de dag na de brand één vracht afgevoerd. Meer vrachten zijn er niet afgevoerd. Helemaal zeker ben ik er niet van dat op die 15e september niet nog een tweede gedeelte is weggehaald maar ik weet wel 100% zeker dat de avond van de 15e september de sloot helemaal droog stond. Er is geen water vervoerd dat niet uit die sloot kwam. Ik heb er geen belang bij om meer water af te voeren omdat ik zelf op mijn bedrijf een complete waterzuiveringsinstallatie heb.

Er zijn behalve [betrokkene 10] en Kasteel Meeuwen geen anderen geweest die water hebben afgevoerd. Tussen de eerste en de tweede brand stond de sloot droog.

U houdt mij een intern verslag voor van de heer [betrokkene 3] dat is opgemaakt na de eerste brand en dat u aan het proces-verbaal zult hechten. Hierin staat dat het bluswater uit de sloot en uit het bassin, samen ongeveer 3000 kubieke meter, naar de zuiveringsinstallatie zal worden afgevoerd. Ik weet alleen dat water uit de sloot is afgevoerd. Volgens mij is er geen water uit het bassin afgevoerd want het bassin bevat nog steeds water.

U vraagt mij of ik ermee bekend ben dat Loonwerkersbedrijf [betrokkene 2] geprobeerd heeft om kosten van transport te verhalen op het waterschap. Dit weet ik. U houdt mij een specificatie voor waaruit blijkt dat hij op verschillende dagen in september heeft gereden en hiervoor f 45.000,-- in rekening brengt. Bovendien wordt er gesproken over 1600 kubieke meter stortgeld. U zegt mij dat u deze specificatie aan het proces-verbaal laat hechten.”

[betrokkene 8] heeft,voor zover van belang, het volgende verklaard:

“Ik kan mij herinneren dat [betrokkene 10] enkele dagen later de sloot heeft leeggehaald. Ik meen dat ze één dag een paar vrachten hebben afgevoerd en daarna nog een dag bezig zijn geweest. Enige tijd later, ik weet niet precies hoeveel tijd daartussen zat, is Kasteel Meeuwen ook geweest om water af te voeren. Volgens mij was dit eenmaal.

U vraagt mij of er ook water uit de perculatievijver is afgevoerd. Neen, dit weet ik zeker. Er is alleen water uit de sloot afgevoerd.

U vraagt mij of Kasteel Meeuwen ook water na de eerste brand heeft afgevoerd. Ja. De tweede brand was maar van zo’n korte duur dat daar nagenoeg geen water aan te pas kwam. Na de tweede brand is voor zover ik weet geen water uit de sloot afgevoerd.

De heer [betrokkene 2] was ook aanwezig bij de eerste brand. Hij was daar met enkele kiepwagens. U vraagt mij of ik weet of hij ook water heeft afgevoerd. Niet dat ik weet. Ik weet niet precies wie wat voor wiens rekening heeft gedaan.”

[betrokkene 9] heeft, voor zover van belang, het volgende verklaard:

“Na het blussen stond de sloot aardig vol en deze moesten wij laten leegpompen. Enkele dagen later is het water afgevoerd. Het water is afgevoerd door [betrokkene 10] met een tankauto. Deze auto heeft drie assen en een tank van ongeveer 15 kuub. U vraagt mij of ik dit weet of dat ik dit schat. Ik weet nagenoeg zeker dat er 15 kuub in kan. Volgens mij is [betrokkene 10] twee dagen bezig geweest met het afvoeren van het water. Ik heb geen flauw idee hoe vaak [betrokkene 10] in totaal heeft gereden.

U vraagt mij of ik wel eens een acceptatieformulier heb gezien. Ik heb wel eens zo’n formulier gezien. Ik zag iemand van het waterschap daarmee lopen. Ik heb het zelf nooit in handen gehad. Ik heb ook niet gezien dat de chauffeur van [betrokkene 10] zo’n formulier had. Ik ben niet mee geweest met de chauffeur. Ik was druk op het terrein.

U vraagt mij of er alleen water is weggehaald uit de sloot. Ja, ik weet zeker dat er geen water uit de perculatievijver is gehaald.

U vraagt mij of er na [betrokkene 10] nog iemand anders water heeft afgevoerd. Ja, Kasteel Meeuwen heeft ook nog water afgevoerd. Dit was ook na de eerste brand. Bij de tweede brand is nauwelijks water gebruikt om te blussen. Dat bluswater is in de perculatievijver terechtgekomen en niet in de sloot. Die brand is vlakbij onze vijver geblust zodat het water daarin kon lopen. Ik heb geen idee hoe lang Kasteel Meeuwen bezig is geweest met het afvoeren van het water of hoe vaak zij hebben gereden.

[betrokkene 2] is mijn broer. U houdt mij voor dat hij een declaratie heeft ingediend bij het waterschap voor het vervoer van bluswater. Dit lijkt mij zeer sterk want hij heeft geen tank om bluswater te rijden.

U vraagt mij of ik acceptatieformulieren aan de chauffeurs die bluswater reden heb afgegeven. Neen, ik heb de formulieren wel op kantoor zien liggen. Ik heb me daar niet mee bemoeid. Misschien heeft het meisje dat op kantoor werkt de formulieren aan de chauffeur gegeven.”

[betrokkene 10] heeft, voor zover van belang, het volgende verklaard:

“Meneer [betrokkene 9] heeft mij gebeld na de brand bij Groen Recycling en heeft mij gevraagd om water af te voeren. Dit heb ik gedaan op 6 en 7 september 1999. Een chauffeur van mij, [betrokkene 11], heeft het water van Groen naar het waterschap gebracht. Hij heeft hiervoor een containerwagen met een tank erop gebruikt. De tank is ongeveer 15 kuub. U vraagt mij hoe vaak de chauffeur heeft gereden. Ik heb de dagstaten bekeken en gezien dat hij de eerste dag één keer heeft gereden en de tweede dag zes keer. Verder heeft hij niet voor Groen Recycling gereden en andere wagens van mij ook niet.

U vraagt mij of ik weet of mijn chauffeur bij heeft gehouden hoeveel water hij heeft afgevoerd. Ik heb hem gevraagd of er nog dingen werden afgetekend toen hij het water kwam brengen bij het waterschap en hij vertelde dat dit niet zo was. (...)

U vraagt mij of de tankwagens vol waren. Dat neem ik aan van wel. Dat is een normale gang van zaken. De tank wordt altijd helemaal volgezogen.

U vraagt mij of na ons ook anderen water bij Groen Recycling hebben weggereden. Ik heb van de heer [betrokkene 2] de naam Kasteel Meeuwen gehoord maar wat die precies hebben gedaan weet ik niet.”

De rechtbank overweegt dat Rivierenland als schriftelijk bewijs reeds vóór het tussenvonnis van 3 maart 2004 kopieën van 64 acceptatieformulieren van het van Groen Recycling afkomstige bluswater in het geding heeft gebracht. De rechtbank stelt vast op grond van de boven geciteerde verklaringen van de getuigen [betrokkene 4], [betrokkene 5] en [betrokkene 6] in onderlinge samenhang beschouwd, (1) dat medewerkers van Rivierenland op 6 september 1999 de gegevens in de eerste tabel hebben ingevuld en naar Groen Recycling hebben gefaxt, (2) dat een werknemer van Groen Recycling de acceptatieformulieren heeft gekopieerd, (3) dat bij ieder transport van bluswater naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie de chauffeur of een andere persoon namens Groen Recycling de datum van aflevering en het gewicht heeft ingevuld op het gekopieerde acceptatieformulier en (4) dat deze acceptatieformulieren bij aanbieding van het bluswater zijn geparafeerd door [betrokkene 4] of een andere medewerker van Rivierenland. Er zijn vijf ongeparafeerde acceptatieformulieren. [betrokkene 4] heeft verklaard dat dit berust op een procedurefout bij Rivierenland.

De getuigen [betrokkene 4], [betrokkene 5] en [betrokkene 6] hebben allen in essentie bevestigd dat de 64 acceptatieformulieren corresponderen met evenzo veel ladingen afgeleverd bluswater. Niets in hun verklaringen wijst erop dat Groen Recycling minder ladingen bluswater heeft afgeleverd dan het aantal dat met de acceptatieformulieren correspondeert.

De getuigen [betrokkene 7], [betrokkene 9] en [betrokkene 10] hebben verklaard dat zij niet weten hoe de acceptatieformulieren zijn ingevuld. Getuige [betrokkene 8] heeft daarover niets verklaard. Deze getuigen hebben verklaard dat [betrokkene 10] na de eerste brand zeven ladingen bluswater heeft afgeleverd en dat Kasteel Meeuwen na de tweede brand een of twee ladingen bluswater heeft afgeleverd. Over het aantal ladingen bluswater staan de verklaringen van de getuigen van Rivierenland tegenover die van de getuigen van Groen Recycling.

De rechtbank oordeelt het door Rivierenland geleverde schriftelijke en getuigenbewijs overtuigender dan het getuigenbewijs van Groen Recycling. Groen Recycling heeft geen verklaring kunnen geven voor het feit dat Rivierenland niet 8 of 9, maar 64 acceptatieformulieren heeft ontvangen. De verklaring van [betrokkene 7] als getuige is voorts in strijd met zijn verklaring tijdens de comparitie van partijen van 28 maart 2003, waar hij heeft gezegd dat het volgens hem om 1.600 m3 water ging. Als de maximale hoeveelheid te vervoeren bluswater 40 m3 per vrachtwagen is, is 1.600 m3 niet te vervoeren in 8 of 9 ladingen. Ten slotte heeft Groen Recycling geen afdoende verklaring gegeven voor de factuur van 4 oktober 1999 die [betrokkene 2] Loon en Aannemersbedrijf aan Rivierenland heeft gestuurd, onder meer voor het rijden van bluswater op 6, 7, 8, 9, 10, 13, 20, 21, 22 en 23 september 1999. Deze ritten met bluswater sporen niet met de stellingen van Groen Recycling, dat er slechts op 6 en 7 september 1999 bluswater is afgevoerd naar Rivierenland en dat er ná de brand op 15 september 1999 slechts één of twee ritten zijn geweest. Groen Recycling heeft [betrokkene 2] - een van de zonen van [betrokkene 7] - niet als getuigen doen horen, zodat er ook geen gelegenheid is geweest om [betrokkene 2] hierover om uitleg te vragen.

De getuigen [betrokkene 4], [betrokkene 5] en [betrokkene 6] hebben verklaard dat per vrachtwagen aangeboden water vaker wordt aangevoerd in hoeveelheden tot 40 m3. [betrokkene 7] heeft verklaard dat de vracht bluswater na de brand van 15 september 199 in één keer is afgevoerd en dat het om een flinke vracht van 35 à 40 m3 ging. Op grond van deze verklaringen in onderling verband beschouwd acht de rechtbank Rivierenland geslaagd in het bewijs dat de op de acceptatieformulieren vermelde hoeveelheden - tot 40 m3 -per vrachtwagen kunnen worden vervoerd.

Rivierenland moest ook bewijzen dat het aangeboden bluswater 600 vervuilingseenheden bevatte. Rivierenland had reeds bij repliek een interne notitie met bijgevoegde analyseresultaten overgelegd, waaruit het volgende blijkt. De eerste vier dagen na de brand is er 889 m3 bluswater afgevoerd, dat 146,3 vervuilingseenheden bevatte. De analyse is gebaseerd op een monsterneming uit de sloot. In de periode van 13 september tot en met 21 september 1999 is er 678 m3 afgevoerd, dat 304,8 vervuilingseenheden bevatte. De analyse is gebaseerd op een monster, getrokken op de zuiveringsinstallatie. Volgens de notitie is er op 13 tot en met 15 oktober 1999 190 m3 afgeleverd, dat “op basis van de laatste gegevens” correspondeert met 58 vervuilingseenheden. Ten slotte is op 18 en 25 oktober 1999 nog eens 152 m3 gebracht. Op dat moment werd nog meer bluswater verwacht. De notitie is gedateerd op 11 oktober 1999. Die datum kan niet juist zijn, omdat de notitie melding maakt van aanvoer van bluswater tot 25 oktober 1999. Kennelijk zijn de laatste drie alinea’s na 11 oktober 1999 toegevoegd.

[betrokkene 6] heeft verklaard dat het slootwater homogeen van samenstelling was en dat daarom de monsters representatief van samenstelling waren. Hieruit leidt de rechtbank af dat het volgens [betrokkene 6] niet nodig was om voor de vaststelling van de vervuilingseenheden in het bluswater telkens een monster uit een vrachtwagen te nemen, maar dat het voldoende was dat er na iedere brand óf een monster uit de sloot werd genomen óf een monster op de rioolwaterzuiveringsinstallatie werd genomen na aanvoer per vrachtwagen. [betrokkene 6] heeft voorts verklaard dat Rivierenland is uitgekomen op 650 vervuilingseenheden, maar dat men 600 vervuilingseenheden in rekening heeft gebracht.

De rechtbank overweegt dat uit de acceptatiebonnen blijkt dat er in de eerste vier dagen na de brand niet 889 m3 maar 769 m3 bluswater is aangevoerd. Hier heeft Rivierenland zich kennelijk in de hoeveelheid vergist, zodat er niet 146,3 vervuilingseenheden, maar 769/889 x 146,3 vervuilingseenheden = 126,6 vervuilingseenheden in rekening hadden mogen worden gebracht.

Verder blijkt uit de acceptatiebonnen dat in de periode van 13 tot en met 23 (en niet 21) september 1999 678 m3 bluswater is aangevoerd. De datumvermelding van 21 september 1999 is een onnauwkeurigheid in de notitie die geen gevolgen heeft. Volgens de berekeningen van Rivierenland bevat deze 678 m3 304,8 vervuilingseenheden. Deze hoeveelheid neemt de rechtbank over.

Uit de acceptatiebonnen blijkt voorts dat er in de periode van 13 tot en met 15 oktober 1999 inderdaad 190 m3 bluswater is aangevoerd. Rivierenland heeft over deze hoeveelheid 58 vervuilingseenheden berekend. Het totaal komt dan op 489,90 vervuilingseenheden.

Na 15 oktober 1999 is er niet 152 m3 bluswater aangevoerd, zoals in de notitie is vermeld, maar 570 m3. [betrokkene 6] heeft verklaard dat het aantal vervuilingseenheden toeneemt als er meer water wordt aangeleverd, omdat de vervuilingseenheden worden bepaald aan de hand van een steekproef. Daaruit leidt de rechtbank af dat het monster dat is genomen op de zuiveringsinstallatie bepalend is geweest voor het vaststellen van de vervuilingseenheden over het bluswater dat na 21 september 1999 is aangeleverd. Het is zeer aannemelijk, gezien het recht evenredige verband tussen de hoeveelheid bluswater en de vervuilingseenheden, dat daarmee een grotere hoeveelheid vervuilingseenheden is gemoeid dan 110,1, wat het verschil is tussen 489,9 en 600. De rechtbank acht daarom bewezen dat het door Groen Recycling aangeleverde bluswater 600 vervuilingseenheden bevatte.

De slotsom is dat de rechtbank de vordering van Rivierenland tot betaling van € 16.880,62 zal toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 februari 2000.

De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten van € 680,67 zijn niet betwist en zullen worden toegewezen.

Groen Recycling zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding.

De beslissing

De rechtbank

veroordeelt Groen Recycling tot betaling aan Rivierenland van het bedrag van € 16.880,62 (zegge: zestienduizend achthonderdtachtig euro 62/100), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 februari 2000,

veroordeelt Groen Recycling tot betaling aan Rivierenland van het bedrag van € 680,67,

veroordeelt Groen Recycling in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van Rivierenland begroot op € 412,56 wegens verschotten en op € 2.712,- voor salaris procureur,

verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

wijst af het anders of meer gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. D. van Driel van Wageningen, mr. G. Noordraven en mr. F.J. de Vries en in het openbaar uitgesproken op 27 april 2005.

de griffier de voorzitter