Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2005:AT7599

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
18-04-2005
Datum publicatie
16-06-2005
Zaaknummer
124409
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

In dit kort geding gaat het om de vraag of de Gemeente zich jegens de Stichting en de BV onrechtmatig heeft gedragen door het uitgeven van het bewuste persbericht op 4 februari 2005. Bij de beantwoording hiervan gaat het om de vraag of de inhoud van het persbericht onjuist dan wel door onvolledigheid misleidend is. Daarbij dient onder meer rekening te worden gehouden met de aard van de mededelingen. Deze dienen in hun samenhang en context te worden beoordeeld, waarbij niet alleen op de gestelde feiten moet worden gelet, maar ook op de tussen die feiten gelegde of gesuggereerde verbanden en de daaraan uitdrukkelijk of impliciet verbonden gevolgtrekkingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 124409 / KG ZA 05-138

Datum vonnis: 18 april 2005

Vonnis in kort geding

in de zaak van

1. de rechtspersoonlijkheid bezittende stichting

STICHTING EXPLOITATIE SPORTACCOMMODATIE DIEREN,

gevestigd te Dieren, gemeente Rheden,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SPORTACCOMMODATIE DIEREN B.V.,

gevestigd te Dieren, gemeente Rheden,

eiseressen bij dagvaarding van 18 maart 2005,

advocaat en procureur mr. S.M. van der Zwan te Dieren,

tegen

1. het rechtspersoonlijkheid bezittende lichaam

DE GEMEENTE RHEDEN,

zetelende te De Steeg, gemeente Rheden,

2. het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE RHEDEN,

gevestigd te De Steeg, gemeente Rheden,

gedaagden,

advocaat en procureur mr. P.C.M. Heinen te Arnhem.

Het verloop van de procedure

Eiseressen hebben gedaagden ter zitting in kort geding doen dagvaarden en gevorderd als weergegeven in de dagvaarding. Gedaagden hebben geconcludeerd tot weigering van de gevorderde voorzieningen. De advocaat van eiseressen en de advocaat van gedaagden hebben de zaak bepleit overeenkomstig de door hen overgelegde pleitnotities. Daarbij hebben zij producties in het geding gebracht. Ten slotte is vonnis bepaald.

De vaststaande feiten

1. In 1974 heeft de gemeente Rheden (gedaagde sub 1, hierna te

noemen: de Gemeente) een zwembad genaamd ‘Nieuwland’ te Dieren gebouwd. Tot 2000 heeft de Gemeente dit zwembad ook zelf geëxploiteerd.

2. Op 28 april 2000 hebben de Gemeente en Sportaccommodatie

Dieren BV (eiseres sub 2, hierna te noemen: de BV) een koopovereenkomst gesloten met betrekking tot voornoemd zwembad.

3. In deze koopovereenkomst zijn onder meer de volgende

bepalingen opgenomen.

“in aanmerking nemende:

(...)

k De huidige zwemaccommodatie voldoet niet aan de wettelijke eisen

(milieu-, ARBO-, ect), die thans aan een zweminrichting worden

gesteld. Koper is met dit gegeven bekend en onderkent dat het

noodzakelijk is om investeringen te plegen in de accommodatie om

aldus te kunnen voldoen aan de wettelijke voorschriften.

(...)

Artikel 3 feitelijke levering

3.1 De aflevering van het verkochte aan koper zal geschieden in de staat waarin het zich bij het tot stand komen van deze overeenkomst bevindt, derhalve met het achterstallig onderhoud, zoals dat is vastgelegd in het aangehechte rapport d.d. ........2000.”

4. Bij de stukken bevindt zich een ‘Verslag onderhoudstoestand

zwembad het Nieuwland’ van 30 mei 2000, opgemaakt door de heer [betrokkene 1]. Dit verslag luidt, voor zover van belang, als volgt.

“Installatie

(...)

Verwarming: De cv-ketels zijn aan vervanging toe (is tevens vanuit energetisch oogpunt noodzakelijk). De cv-ketels mogen, i.v.m. het opgestelde vermogen, niet meer op dezelfde plek komen. Er moet dus rekening worden gehouden met de bouw van een nieuwe STOOKRUIMTE.”

5. De Stichting Exploitatie Sportaccommodatie Dieren (eiseres sub

1, hierna te noemen: de Stichting) exploiteert sinds de hiervoor genoemde koop het zwembad.

6. Na de overdracht van het zwembad van de Gemeente aan de BV

zijn er tussen partijen (de Stichting en de BV enerzijds en de Gemeente anderzijds) verschillende problemen gerezen. Het in het kader van dit kort geding - tussen partijen gerezen - relevante geschil betreft de vraag of er sprake is van een (brand)onveilige situatie voor bezoekers en personeel.

7. Tussen (de advocaten van) partijen is veelvuldig (schriftelijk)

contact geweest teneinde de gerezen problemen op te lossen. Dit heeft evenwel niet tot een oplossing geleid.

8. Op 28 juli 2004 hebben het College van Burgemeester en

Wethouders van de gemeente Rheden (gedaagde sub 2, hierna te noemen: B&W) onder meer het volgende aan de Stichting bericht.

“Gelet op de bezoekers en personeel moet de onveilige situatie zo spoedig mogelijk beëindigd worden. In feite hebben wij de situatie gedoogd, in de veronderstelling dat u een redelijke termijn is toegekend om de benodigde maatregelen en voorzieningen te treffen. Gezien het vorenstaande zijn wij dan ook voornemens u aan te schrijven de hieronder staande maatregelen te treffen:

1. Voor de nieuw te creëren cv-ruimte (...) een ontvankelijke

bouwaanvraag indienen. Het tijdstip waarop er uiterlijk sprake moet zijn van een ontvankelijke bouwaanvraag wordt bepaald op twaalf weken na de datum van verzending van de voorgenomen aanschrijving onder aanzegging van bestuursdwang. Indien hieraan niet wordt voldaan zullen wij onder toepassing van bestuursdwang de sportaccommodatie sluiten.”

9. Bij brief van 22 september 2004 (van B&W aan de Stichting) is de

aangekondigde aanschrijving bestuursdwang gevolgd.

10. Tegen voornoemd besluit (tot aanschrijving bestuursdwang)

hebben de Stichting en de BV een bezwaarschrift bij B&W ingediend.

11. Bij brief van 8 december 2004 hebben B&W een nieuwe

aanschrijving aan de Stichting gezonden.

12. De Stichting en de BV hebben daarop direct een aanvraag

bouwvergunning ingediend. Deze aanvraag is nog in behandeling bij B&W. De Welstandscommissie heeft op 12 januari 2005 een negatief welstandsadvies afgegeven. Bovendien hebben de Stichting en de BV op 18 januari 2005 een aanvullend bezwaarschrift bij B&W ingediend.

13. Bij brief van 9 december 2004 hebben B&W onder meer het

volgende aan de Stichting bericht.

“Ten aanzien van het niet voldoen aan de aanschrijving met betrekking tot het verplaatsen van de cv-ruimte (en dus de cv-ketels) is bestuursdwang aangezegd, inhoudende sluiting van het zwembad. Hierover hebben wij het volgende overwogen.

Sluiting is een zeer zwaar middel en heeft grote gevolgen, niet alleen voor het bedrijf maar ook voor derden:

- burgers van de gemeente worden ernstig beperkt in de mogelijkheden om te zwemmen;

- zwemlessen moeten per direct worden gestopt. Bekend is dat in de omringende zwembaden wachtlijsten bestaan. Kinderen worden ernstig benadeeld;

- verenigingen, die uren huren om te kunnen trainen, hebben geen tijd/gelegenheid om om te zien naar alternatieve locaties, nog afgezien van de verwachting dat zij voor de rest van het seizoen geen ruimte meer zullen kunnen vinden;

- personeel moet naar huis gestuurd worden en zal naar alle waarschijnlijkheid hun banen verliezen (geen inkomsten, geen dekking voor salariskosten);

- op het sluiten van het zwembad binnen 10 jaar na de overdracht (in 2000) is de huidige eigenaar een boete opgelegd;

- nu het zwembad (tijdelijk) sluiten betekent naar alle waarschijnlijkheid het definitieve einde van het overdekte zwembad in Dieren.

Gelet hierop hebben wij besloten de aangezegde bestuursdwang (sluiting van het zwembad) op te schorten tot 6 weken na de beslissing op het namens u ingediende bezwaarschrift.”

14. Op 29 december 2004 hebben B&W bij brief onder meer het

volgende aan de Stichting bericht.

“Omdat de begunstigingstermijn, gesteld in ons aanschrijvingsbesluit, inmiddels is verstreken zonder dat volledig aan de aanschrijving is voldaan, is er een titel ontstaan om over te gaan tot het toepassen van de aangezegde bestuursdwang: sluiting van het zwembad.

Wij hebben besloten om van sluiting op dit moment af te zien, mits vooruitlopend op het afronden van de bouwvergunnings- en vrijstellingsprocedure, de cv-ruimte wordt gebouwd, de nieuwe cv-ketel wordt geplaatst onder de navolgende voorwaarden;

1. de bouwaanvraag wordt binnen twee weken na het schriftelijke verzoek daartoe aangevuld met de vereiste gegevens;

(...)

Wij oordelen vervolgens of het niet halen van de termijnen reden kan en zal zijn om alsnog tot sluiting van de accommodatie over te gaan totdat het werk tot genoegen van ons is opgeleverd.”

15. Tegen de onder 13 en 14 genoemde besluiten is geen

rechtsmiddel aangewend.

16. Naar aanleiding van het door de (advocaat van de) Stichting en

de BV ingediende bezwaarschrift (zie hiervoor onder 10) hebben B&W op 9 februari 2005 een verweerschrift ingediend. De mondelinge behandeling van het bezwaarschrift heeft plaatsgevonden op 23 februari 2005 en is vervolgens op genoemde datum aangehouden om B&W in de gelegenheid te stellen commentaar te geven op de door de Stichting en de BV overgelegde deskundigenrapporten. Op dit moment is er nog geen beslissing op het door de Stichting en de BV ingediende bezwaarschrift.

17. Op 4 februari 2005 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen

de Gemeente en de heren [betrokkene 2] en [betrokkene 3], beiden bestuurslid van de Stichting. Van dit gesprek is een gespreksverslag opgemaakt waarin, voor zover van belang, onder meer het volgende is opgenomen.

“Het college heeft nu besloten om tot sluiting over te gaan, omdat de stichting niet wil (kan) voldoen aan de eerste voorwaarde uit het besluit tot opschorting van de uitvoering van de bestuursdwang. De gemeente wil graag in overleg met de heren om samen het tijdstip van sluiting te bepalen. Tevens wil de gemeente samen met de stichting de media informeren.

(...)

De heer [betrokkene 3] verzoekt om, als het college tot sluiting overgaat, dit te doen per 1 augustus 2005 i.v.m. zwemlessers, verenigingen en mogelijke schadeclaims bij voortijdige sluiting.

(...)

Burgemeester van Wingerden constateert dat er geen gezamenlijk communicatietraject zal worden doorlopen.

De heren [betrokkene 2] en [betrokkene 3] bevestigen deze conclusie.”

18. Vervolgens heeft de Gemeente op 4 februari 2005 een

persbericht uitgegeven. De inhoud van dit persbericht luidt als volgt.

“Gemeente moet overgaan tot sluiting zwembad Dieren

zwembad Dieren nog altijd onveilig

Vandaag heeft de gemeente Rheden helaas moeten besluiten om het zwembad Dieren te gaan sluiten, vanwege de nog altijd onveilige situatie. Dit heeft het college van B&W vanochtend medegedeeld aan de Stichting Exploitatie Sportaccommodatie Dieren. Door een zwaar verouderde CV ketel die in de kelder van het zwembad bij de entree is gesitueerd, vinden burgemeester en wethouders het niet meer verantwoord om het zwembad nog langer open te stellen voor publiek.

In 2000 heeft de Stichting het zwembad van de gemeente gekocht voor het symbolische bedrag van 1 gulden. De gemeente en de Stichting hebben in het overnamecontract geregeld dat de toen al zwaar verouderde ketel vervangen zou worden door de Stichting. Voor deze vervanging en nog andere onderhoudstechnische zaken heeft de Stichting een bedrag van f 400.000,- van de gemeente ontvangen. Voor de exploitatie is nog eens een bedrag van f 500.000,- meegegeven aan de Stichting. Nu, vijf jaar later, is de CV installatie nog niet vervangen.

Burgemeester van Wingerden: “Wij moeten constateren dat het zwembad nog steeds niet veilig is voor onze inwoners. Daarnaast is ons geduld richting de Stichting op. Vanaf 2002 voeren we regelmatig inspecties uit en hebben wij geconstateerd dat regels op het gebied van brandveiligheid bij voortduring niet werden nageleefd. Ik geloof absoluut dat de Stichting van goede wil is, dit is alleen niet meer genoeg. Zij is vaker beloftes niet nagekomen en heeft de schijn tegen gekregen in de loop der tijd. Nu blijkt dat de financiële middelen niet aanwezig zijn om een nieuwe CV installatie aan te schaffen, is de gemeente genoodzaakt om drastische maatregelen te treffen. Wij gaan over tot bestuursdwang, concreet betekent dit dus sluiting van het zwembad. In het belang van de veiligheid van onze inwoners en het personeel van het zwembad”.

De gemeente en de Stichting gaan op korte termijn met elkaar in overleg over de definitieve sluitingsdatum.”

Het geschil

1. De Stichting en de BV vorderen, kort gezegd:

a. dat de Gemeente en B&W op straffe van een dwangsom worden geboden tot het plaatsen van een rectificatie-advertentie binnen twee dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis;

b. dat de Gemeente wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 30.000,- als voorschot op de door hen geleden schade.

2. De Stichting en de BV leggen aan hun vordering ten grondslag

dat de Gemeente en B&W onrechtmatig jegens hen handelen door op 4 februari 2005 een persbericht (zoals hiervoor onder 18 van de vaststaande feiten is weergegeven) uit te geven dat in strijd is met de werkelijke feiten, de bestaande besluiten en de wet- en regelgeving. Door het uitgeven van het persbericht hebben de Gemeente en B&W op een hoogst onzorgvuldige wijze stemming gemaakt. Als gevolg van deze onrechtmatige handelwijze hebben de Stichting en de BV schade geleden. Bestaande klanten (onder meer kinderen die zwemles volgen en verenigingen die in het zwembad hun lessen afwerken) lopen weg en nieuwe klanten (kinderen die op de wachtlijst staan voor zwemles) blijven weg. Hierdoor is er ook sprake van winstderving in de kantine. Een voorlopige becijfering van de schade komt volgens de Stichting en de BV ruimschoots boven het thans gevorderde bedrag uit.

3. De Gemeente en B&W voeren gemotiveerd verweer waarop, voor

zover van belang, hierna zal worden ingegaan.

De beoordeling van het geschil

1. De voorzieningenrechter is allereerst (met de Gemeente en

B&W) voorshands van oordeel dat de Stichting en de BV in hun vordering jegens B&W niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard. Het gaat in de onderhavige zaak om een gedraging van B&W (het uitgeven van een persbericht) die zij in de uitoefening van hun functie hebben verricht en die als gedraging van de Gemeente heeft te gelden, zodat deze gedraging dient te worden toegerekend aan de publiekrechtelijke rechtspersoon, te weten de Gemeente (vergelijk Kleuterschool Babbel-arrest, Hoge Raad 6 april 1979, NJ 1980, 34).

2. Het spoedeisend belang vloeit voort uit de stellingen van de

Stichting en de BV.

3. In dit kort geding gaat het om de vraag of de Gemeente zich

jegens de Stichting en de BV onrechtmatig heeft gedragen door het uitgeven van het bewuste persbericht op 4 februari 2005. Bij de beantwoording hiervan gaat het om de vraag of de inhoud van het persbericht onjuist dan wel door onvolledigheid misleidend is. Daarbij dient onder meer rekening te worden gehouden met de aard van de mededelingen. Deze dienen in hun samenhang en context te worden beoordeeld, waarbij niet alleen op de gestelde feiten moet worden gelet, maar ook op de tussen die feiten gelegde of gesuggereerde verbanden en de daaraan uitdrukkelijk of impliciet verbonden gevolgtrekkingen.

4. Voorop wordt gesteld dat de bestuursrechtelijke procedure -

waarin kort gezegd de vraag centraal staat of de Gemeente al dan niet mag overgaan tot het toepassen van bestuursdwang omdat er sprake is van een (brand)onveilige situatie voor bezoekers en personeel - nog niet is afgerond. Dit maakt dat de voorzieningenrechter zich in de onderhavige procedure dient te beperken tot de vraag of de Gemeente na een behoorlijk onderzoek en zonder miskenning van de geldende voorschriften in redelijkheid tot haar besluit tot sluiting heeft kunnen komen. Daartoe is het volgende van belang.

5. In het rapport “Brandveiligheidsonderzoek Zwembad ‘Het

Nieuwland’ te Dieren op 18 augustus 1998” staat onder punt 1 van het kopje ‘beperken van (brand)gevaarlijke situaties’: “De verwarmingsketels moeten worden geplaatst in een aparte stookruimte welke boven het maaiveld is gesitueerd”, en: “mogelijkheden zijn a. apart gebouw, b. tegen buitengevel van het gebouw, en c. op het dak, nabij de warmte verdeelinrichting.” Uit de door de Stichting en de BV overgelegde stukken valt op te maken dat reeds voordat het zwembad door de BV werd gekocht, controles in het zwembad werden uitgevoerd waaruit naar voren kwam dat er meerdere punten waren die niet voldeden aan de wettelijke voorschriften. In de koopovereenkomst van 22 april 2000 is vervolgens opgenomen (zie punt 3 van de vaststaande feiten) dat de huidige zwemaccommodatie niet aan de wettelijke eisen voldoet en dat koper (de BV) hiermee bekend is. In het aan de akte van levering (d.d. 7 juni 2000) gehechte “Verslag onderhoudstoestand zwembad het Nieuwland” is onder meer bepaald dat (zie punt 4 van de vaststaande feiten) de cv-ketels aan vervanging toe zijn en niet meer op dezelfde plek mogen komen: “er moet dus rekening worden gehouden met de bouw van een nieuwe stookruimte.” Van laatstgenoemd verslag maakt het eerder genoemde brandveiligheidsonderzoek deel uit.

Ook nadat de BV eigenaar van het zwembad is geworden, hebben er controles plaatsgevonden. Hieruit is (naar de mening van de Gemeente) gebleken dat de eerder geconstateerde tekortkomingen nog steeds niet (allemaal) ongedaan zijn gemaakt. De Gemeente is daarop overgegaan tot aanzegging bestuursdwang en vrijwel meteen daarna tot opschorting daarvan (gelet op de grote belangen). De Gemeente heeft kenbaar gemaakt dat niet tot sluiting zal worden overgegaan als er wordt voldaan aan de nader gestelde voorwaarde dat de bouwaanvraag wordt aangevuld met de vereiste gegevens. Uiteindelijk heeft de Gemeente geoordeeld dat hieraan niet is voldaan (er is geen geldige bouwaanvraag ingediend). Dit heeft zij op 4 februari 2005 in het gesprek met de heren [betrokkene 2] en [betrokkene 3] aan de Stichting medegedeeld.

6. Onder de hiervoor geschetste omstandigheden is de

voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat de Gemeente in redelijkheid tot haar besluit (om over te gaan tot bestuursdwang) heeft kunnen komen.

7. Vervolgens is van belang dat de Gemeente in beginsel de vrijheid

heeft om met haar beleid (in dit geval: het besluit om daadwerkelijk tot sluiting van het zwembad over te gaan) naar buiten te treden. Dit geldt te meer in het onderhavige geval nu in het gesprek, dat op 4 februari 2005 tussen partijen is gevoerd vóórdat het persbericht door de Gemeente is uitgegeven, met instemming van de heren [betrokkene 2] en [betrokkene 3] van de Stichting is besloten geen gezamenlijk communicatietraject te doorlopen.

8. Daarbij speelt naar het voorlopig oordeel van de

voorzieningenrechter ook een rol dat in het algemeen een persbericht niet (inhoudelijk) woord voor woord moet worden beoordeeld op zijn (on)rechtmatigheid, maar dat moet worden bekeken wat de algehele strekking van het persbericht is. Voorshands geoordeeld is de strekking van het in dit geding aan de orde zijnde persbericht dat de Gemeente in het belang van de veiligheid van de inwoners en het personeel heeft besloten (in de zin van: uitvoering gegeven aan een eerder genomen besluit, te weten het besluit van 29 december 2004) tot sluiting van het zwembad over te gaan nu een zwaar verouderde cv-ketel die in de kelder van het zwembad bij de entree is gesitueerd nog steeds niet door de Stichting (en de BV) is vervangen omdat de financiële middelen (aan de zijde van de Stichting en/of de BV) daarvoor niet aanwezig zijn.

9. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter brengt

hetgeen hiervoor onder 5 tot en met 8 is overwogen, in onderlinge samenhang bezien, met zich mee dat het gewraakte persbericht - gelet op de inhoud, aard en context van de daarin vervatte mededelingen, alsmede op de hele voorgeschiedenis tot en met het gesprek van 4 februari 2005 - geen onjuiste weergave van de feiten bevat. De Gemeente heeft zich jegens de Stichting en de BV dan ook niet onrechtmatig gedragen door het uitgeven van dat persbericht. Dit leidt tot de conclusie dat de gevorderde plaatsing van een rectificatie-advertentie zal worden afgewezen.

10. Nu er naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter

geen sprake is van onrechtmatig handelen van de Gemeente jegens de Stichting en de BV, is er ook geen ruimte om in het kader van dit kort geding een bedrag als voorschot op de geleden schade aan de Stichting en de BV toe te kennen. Ook dit deel van de vordering zal daarom worden afgewezen.

11. Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter daarbij nog

dat het bestaan en de omvang van de vordering ook niet in hoge mate aannemelijk zijn geworden. Van het bestaan van een causaal verband tussen (de inhoud van) het persbericht en de gepretendeerde schade (omzetvermindering) is onvoldoende gebleken en voorts hebben de Stichting en de BV de hoogte van de schade onvoldoende met stukken onderbouwd. Een daartoe overgelegd stuk met enkele omzetgegevens van het zwembad is daarvoor in ieder geval onvoldoende.

12. Als de in het ongelijk gestelde partij zullen de Stichting en de BV

in de kosten van dit kort geding worden verwezen.

De beslissing

De voorzieningenrechter:

ten aanzien van Het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Rheden:

1. verklaart de Stichting en de BV niet-ontvankelijk in hun

vordering;

ten aanzien van de gemeente Rheden:

2. weigert de gevorderde voorziening;

ten aanzien van Het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Rheden en de gemeente Rheden:

3. veroordeelt de Stichting en de BV in de kosten van deze

procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Gemeente en B&W bepaald op € 816,- voor salaris en op € 244,- voor verschotten.

Dit vonnis is gewezen door mr. O. Nijhuis en in het openbaar uitgesproken op 18 april 2005.

de griffier de rechter