Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2005:AT7369

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
14-06-2005
Datum publicatie
14-06-2005
Zaaknummer
05/096113-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

14 jaar gevangenisstraf voor doodslag en poging doodslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector strafrecht

Meervoudige Kamer

Parketnummer : 05/096113-04

Datum zitting : 11 januari 2005, 29 maart 2005, 31 mei 2005

Datum uitspraak : 14 juni 2005

VERKORT VONNIS

TEGENSPRAAK

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats],

adres : [adres],

plaats : [adres]

thans gedetineerd in [adres]

Raadsvrouw: mr. C.H. Pentinga, advocaat te Amsterdam.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een door de rechtbank toegewezen vordering nadere omschrijving tenlastelegging, tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 01 oktober 2004 te Wageningen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat verdachte opzettelijk na kalm beraad en rustig overleg, althans na een (kort) tevoren genomen besluit, die [slachtoffer 1] voornoemd meermalen met (een) mes(sen) in het lichaam heeft gestoken, tengevolge waarvan voornoemde persoon is overleden;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 01 oktober 2004 te Wageningen, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat verdachte opzettelijk die [slachtoffer 1] voornoemd meermalen met (een) mes(sen) in het lichaam heeft gestoken, tengevolge waarvan voornoemde persoon is overleden;

2.

hij op of omstreeks 01 oktober 2004 te Wageningen, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 2] van het leven te beroven, opzettelijk na kalm beraad en rustig overleg, althans na een (kort) tevoren genomen besluit, die [slachtoffer 2] voornoemd meermalen, althans eenmaal met (een) mes(sen) in het lichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 01 oktober 2004 te Wageningen, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven, opzettelijk die [slachtoffer 2] , meermalen met (een) mes(sen) in het lichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op of omstreeks 01 oktober 2004 te Wageningen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag en/of een (mobiele) telefoon, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam] en/of [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 11 januari 2005, 29 maart 2005 en 31 mei 2005 ter terechtzitting onderzocht. Op 31 mei 2005 is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. C.H. Pentinga, advocaat te Amsterdam.

Als benadeelde partijen zijn ter terechtzitting verschenen:

? [benadeelde partij 1] € 1.057,20 (feit 1)

? [slachtoffer 2] € 14.872,66 (feit 2)

? [naam] heeft ter terechtzitting de vordering ingetrokken

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2 primair en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot:

- een gevangenisstraf voor de duur van twintig (20) jaren, met aftrek van de tijd in verzeke-ring en voorlopige hechtenis doorge-bracht.

De officier van justitie heeft de vordering van de benadeelde partij [naam] als vervallen beschouwd nu deze ter terechtzitting door de benadeelde partij is ingetrokken.

De officier van justitie heeft voorts het standpunt ingenomen dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] tot een bedrag van

€ 790,36 dient te worden toegewezen en gevorderd dat er een schade-vergoe-dings-maatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 dagen hechtenis. De officier van justitie is voorts van mening dat de bena-deelde partij voor het overige niet-ontvanke-lijk dient te worden verklaard in de vordering.

De officier van justitie stelt met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] dat deze vordering tot een bedrag van

€ 4.582,06 dient te worden toegewezen en heeft gevorderd dat er een schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 91 dagen hechtenis. De officier van justitie is van oordeel dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering.

Tevens heeft de officier van justitie het standpunt ingenomen dat verdachte de kosten ten behoeve van de rechtsbijstand begroot op

€ 780,00 dient te betalen aan de benadeelde partij.

Verdachte en zijn raadsvrouw hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Voor een bewezenverklaring van de tenlastegelegde moord en poging moord moet vaststaan dat er sprake is geweest van voorbedachte raad, dus van kalm beraad en rustig overleg. De rechtbank onderscheidt hierbij 3 fasen.

1. Vooraf

Uit het dossier blijkt niet dat verdachte vóórdat hij rond 3 uur Café de Vrijheid binnenging het vooropgezette plan had om de daar aanwezigen om het leven te brengen. De getuigen die verdachte die avond hebben gesproken hebben niets bijzonders aan verdachte gemerkt. Verdachte droeg weliswaar een mes bij zich, maar dit was voor hem niet ongebruikelijk, zodat hieruit geen vooropgezet plan kan worden afgeleid.

2. In het café

Een directe aanleiding voor verdachtes handelen in het café is niet duidelijk geworden. [slachtoffer 2], de enige die naast verdachte hierover kan verklaren, heeft gezegd dat verdachte ineens twee messen in de rug van [slachtoffer 1] stak.

De officier van justitie heeft betoogd dat de voorbedachte raad volgt uit het feit dat verdachte in het café tijdens het steken heen en weer van [slachtoffer 1] naar [slachtoffer 2] is gelopen. Zij stelt dat er telkens rustmomenten zijn geweest waarin verdachte de tijd heeft gehad zich te beraden en de gelegenheid heeft gehad over de betekenis en de gevolgen van zijn daad na te denken.

Op grond van de verklaring van [slachtoffer 2] en het sporenonderzoek van de technische recherche kan worden aangenomen dat verdachte van [slachtoffer 1] naar [slachtoffer 2] is gelopen en hen beide door het café gevolgd is. De rechtbank kan echter niet vaststellen welk tijdsverloop hiermee was gemoeid en dat er daadwerkelijk rustmomenten zijn geweest. Het enkele heen en weer lopen van verdachte tussen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] acht de rechtbank onvoldoende om aan te nemen dat bij verdachte sprake was van kalm beraad en rustig overleg.

3. Buiten het café

Uitgaande van de verklaring van [slachtoffer 2], zou verdachte voordat hij [slachtoffer 1] naar buiten volgde geld uit de kassa van het café hebben gepakt. Dit zou kunnen duiden op een welbewuste daad waarbij verdachte het gewelddadig handelen onderbreekt. Voor zover hier sprake zou kunnen zijn van een moment van kalm beraad en rustig overleg kan dit niet leiden tot een veroordeling wegens moord. Niet bekend is welke messteken binnen en welke messteken buiten zijn toegebracht. Daarom kan niet vastgesteld worden of de messteken die buiten zijn toegebracht tot de dood van [slachtoffer 1] hebben geleid. Niet ondenkbaar is dat de binnen toegebrachte messteken reeds fataal waren.

De rechtbank acht derhalve niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer 1] met voorbedachte rade van het leven heeft beroofd en [slachtoffer 2] met voorbedachte rade van het leven heeft geprobeerd te beroven, zodat de rechtbank verdachte van het onder 1 primair en onder 2 primair tenlastegelegde zal vrijspreken.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

1.

hij op 01 oktober 2004 te Wageningen, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat verdachte opzettelijk die [slachtoffer 1] voornoemd meermalen met mes in het lichaam heeft gestoken, tengevolge waarvan voornoemde persoon is overleden;

2.

hij op 01 oktober 2004 te Wageningen, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven, opzettelijk die [slachtoffer 2], meermalen met mes in het lichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op 01 oktober 2004 te Wageningen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag en een mobiele telefoon, toebehorende aan [naam] of [slachtoffer 2],

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1, subsidiair:

Doodslag

Ten aanzien van feit 2, subsidiair:

Poging tot doodslag

Ten aanzien van feit 3:

Diefstal

De feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

De raadsvrouw van verdachte heeft het verweer gevoerd dat verdachte het strafbare feit niet kan worden toegerekend. De raadsvrouw acht aannemelijk dat een combinatie van slaapmiddelen, alcohol en slaapgebrek bij verdachte heeft geleid tot een geweldsexplosie welke verdachte zich niet kan herinneren. Zij heeft dit standpunt onderbouwd met een artikel uit het boek “Drug-skenner”.

De rechtbank overweegt hierover het volgende.

Verdachte heeft verklaard dat hij die avond 4 tabletten flurazepam had ingenomen en daarnaast een behoorlijke hoeveelheid alcohol had gedronken. Uit het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut gedateerd 6 januari 2005 blijkt dat in het bloed van verdachte zeer lage concentraties oxazepam en desalkylflurazepam zijn aangetroffen. Dit kan erop duiden dat verdachte minder tabletten heeft ingenomen dan hij heeft verklaard of kan volgen uit het feit dat verdachte eerder die avond heeft overgegeven.

Het gaat hier om dusdanige lage concentraties dat de rechtbank het niet aannemelijk acht dat de geweldsexplosie bij verdachte zijn oorzaak vindt in een combinatie van slaapmiddelen en alcohol. Ook acht de rechtbank het geclaimde geheugenverlies ten tijde van het tenlastegelegde niet aannemelijk. Temeer nu er geen aanwijzingen zijn dat verdachtes fysieke of geestelijke vermogens ten tijde van het tenlastegelegde waren aangetast. Uit de verklaringen van de getuigen blijkt juist dat verdachtes handelen bewust en zijn coördinatie gericht was:

- verdachte neemt de telefoon van [slachtoffer 2] en het geld uit de kassa mee;

- verdachte steekt buiten gericht op de borststreek van [slachtoffer 1];

- verdachte loopt rustig weg en gaat rennen als hij de hoek om is;

- verdachte trekt zijn jas uit en gooit deze in de struiken;

- verdachte rent weg als hij de politie ziet en verbergt zich in een tuin.

De rechtbank verwerpt derhalve het verweer van de raadsvrouw.

Over verdachte is een rapport van het Pieter Baan Centrum, psychiatrische observatiekliniek te Utrecht, opgemaakt door drs. E.H. Ameling, psycholoog, dr. B. Holscher, psychi-ater, en dr. J.H. Scheffer, zenuwarts, geda-teerd 24 mei 2005, waarin het volgende wordt geconcludeerd:

“Er is bij betr. sprake van een antisociale persoonlijkheidsstoornis. (...)

Betr. is bovendien bekend met misbruik en afhankelijkheid van middelen (alcohol, cannabis, cocaïne en kalmeringsmiddelen), thans door detentie grotendeels in remissie.

Onder de sterk antisociale presentatie van de persoonlijkheid ligt een borderline persoonlijkheidsorganisatie; identiteitszwakte en een ernstig gebrek aan innerlijke structuur zijn hiervan de belangrijkste kenmerken van waaruit betr. niet in staat is adequate sturing en inhoud aan zijn leven te geven. (...)

Hoewel betr. bekend is met persoonlijkheidsproblematiek met daarin een agressieprobleem heeft het onderzoekend team geen aanwijzingen kunnen vinden voor het doorwerken van de disfunctionele gebieden van betr.’s persoonlijkheid in het tenlastegelegde. Daarbij zij aangetekend dat we weinig weten en het tenlastegelegde mogelijk onder invloed van alcohol en drugs is gebeurd, waarvan betr. weet hoe hij daar op kan reageren.

Omdat het onderzoekend team onvoldoende informatie heeft over de oorzaak van betr.’s extreme agressie ten tijde van het tenlastegelegde en de rol van middelengebruik hierbij onduidelijk blijft, moet betr. naar oordeel van het onderzoekend team voor deze feiten volledig toerekeningsvatbaar worden geacht.”

De rechtbank verenigt zich met deze conclusie en maakt die tot de hare.

Overeenkomstig deze conclusie kan niet worden gezegd dat verdachte niet strafbaar is.

Er is voorts ook geen andere omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

- screening van de Forensische Psychiatrische Dienst Arnhem, gedateerd 06 oktober 2004 en 11 november 2004;

- de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 05 mei 2005;

- het reeds hiervoor aangehaalde rapport van het Pieter Baan Centrum te Utrecht, gedateerd 24 mei 2005, betreffende verdachte.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft op 1 oktober 2004 [slachtoffer 1] van het leven beroofd door veelvuldig met messen op hem in te steken. Daarnaast heeft verdachte zich op die datum schuldig gemaakt aan een poging [slachtoffer 2] van het leven te beroven door ook haar herhaaldelijk met messen in het lichaam te steken. Tevens heeft verdachte geld uit de kassalade van café De Vrijheid en de mobiele telefoon van [slachtoffer 2] gestolen.

Verdachte heeft zich die nacht extreem gewelddadig gedragen. Vanwege het gruwelijke karakter van de feiten is het verlies voor de familie en vrienden van het slachtof-fer [slachtoffer 1] des te schokkender en het ver-driet des te moeilijker te dragen en te verwerken. Helemaal nu onduidelijk blijft wat de aanleiding is geweest voor wat er zich die nacht precies heeft afgespeeld.

[slachtoffer 2] heeft de dood onder ogen gezien en is dermate verminkt door de verwondingen die haar zijn toegebracht dat naast de psychische gevolgen die dit gebeuren ongetwijfeld met zich mee zal brengen, zij ook dagelijks met deze afschuwelijk gebeurtenissen wordt geconfronteerd. Haar fysieke beperkingen lijken blijvend van aard te zijn.

Een gedeelte van de steekpartij heeft zich in een uitgaansgebied op straat afgespeeld waardoor veel mensen hiervan getuige zijn geweest. Een dergelijke gebeurtenis brengt voor de samenleving en met name de omstanders en omwonenden een grote schok teweeg.

Nu verdachte volledig verantwoordelijk moet worden geacht voor zijn handelen is een zeer langdurige gevangenisstraf de enige passende reactie op hetgeen verdachte heeft begaan.

6a. De beoordeling van de civiele vorde-ring(en), alsmede de

gevor-derde op-legging van de schadevergoedings-maat-regel

De benadeelde partijen hebben overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vorde-ring, strekkende tot vergoeding van geleden schade.

In het dossier bevindt zich een voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces ingediend door [naam].

De rechtbank zal het formulier buiten behandeling laten aangezien [naam] tijdens de terechtzitting de vordering heeft ingetrokken.

De benadeelde partij [benadeelde partij 1] vordert een bedrag van € 1.057,00 aan schadevergoeding.

De rechtbank zal de civiele vordering van [benadeelde partij 1] tot een bedrag van

€ 436,84 aan schade toewijzen.

De rechtbank komt tot dit bedrag door het aantal direct met de begrafenis gerelateerde gereden kilometers te vergoeden met € 00,18 per kilometer. Hierbij worden opgeteld de portokosten ten behoeve van de rouwkaarten en de dankbetuigingen alsmede de kosten gemaakt voor de advertenties dankbetuigingen. Hetgeen neerkomt op 1038 kilometer x € 00,18 + € 35,00 (portokosten rouwkaarten) + € 35,00 (portokosten dankbetuigingen) + € 180,00 (advertenties dankbetuigingen) = € 436,84

Voor het overige zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert een bedrag van € 14.872,66 aan schadevergoeding.

De rechtbank zal de civiele vordering van [slachtoffer 2] tot een bedrag van € 4.582,06 aan schade toewij-zen. De rechtbank volgt hierbij de berekening zoals is toegepast door de officier van justitie. Deze berekening is niet betwist door verdachte en de raadsvrouw van [slachtoffer 2].

Voorts vordert [slachtoffer 2] € 780,00 aan kosten voor rechtsbijstand. De rechtbank zal deze kosten eveneens toewijzen.

Voor het overige zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

Voor de toewijsbare delen van de vorderingen geldt tevens dat de rechtbank de schadevergoe-dingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht zal toepassen en dus verdachte de verplich-ting zal opleggen een bedrag, gelijk aan het door de rechtbank toe te wijzen schadebe-drag, aan de Staat te betalen ten behoeve van de benadeelde partijen.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 24c, 27, 36f, 45, 57, 287 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Spreekt verdachte vrij van de onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde feiten.

Verklaart bewezen dat verdachte de overige tenlastegelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot:

- een gevangenisstraf voor de duur van VEERTIEN (14) JAREN.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoer-legging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Wijst de vordering van de benadeelde partij ten dele toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan [benadeelde partij 1], wonende te [adres], te betalen € 436,84 (zegge vierhonderdenzesendertig euro en vierentachtig cent).

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

- Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk.

Maatregel van schadevergoeding ad € 436,84, subsidiair 8 dagen hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1], wonende te [adres], te betalen € 436,84, (zegge vierhonderdenzesendertig euro en vierentachtig cent), bij gebreke van volledi-ge betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 8 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de hechtenis de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening aan de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2].

Wijst de vordering van de benadeelde partij ten dele toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan [slachtoffer 2], wonende te [adres], te betalen

€ 4.582,06 (zegge vierduizendvijfhonderdentweeëntachtig euro en zes cent).

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op

€ 780,00 en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

- Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk.

Maatregel van schadevergoeding ad € 4.582,06, subsidiair 91 dagen hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2], wonende te [adres], te betalen € 4.582,06, (zegge vierduizendvijfhonderdentweeëntachtig euro en zes cent), bij gebreke van volledi-ge betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 91 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de hechtenis de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening aan de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Aldus gewezen door:

mr. W.J. Vierveijzer, als voorzitter,

mr. J. Grijns, rechter,

mr. A. van Waarden, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. E.J.M. de Wild, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 14 juni 2005.