Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2005:AT6707

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
03-06-2005
Datum publicatie
03-06-2005
Zaaknummer
05/096130-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is schuldig aan het plegen van zware mishandeling, terwijl dit feit de dood ten gevolge heeft. Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met verplicht reclasseringscontact.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector strafrecht

Meervoudige Kamer

Parketnummer : 05/096130-04

Datum zitting : 4 maart 2005 en 20 mei 2005

Datum uitspraak : 3 juni 2005

VERKORT VONNIS

TEGENSPRAAK

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats],

thans gedetineerd in HvB Ooyerhoekseweg - Zutphen, Verlengde Ooyerhoekseweg 21 te Zutphen.

Raadsman: mr. J.P.A van Schaik, advocaat te Veenendaal.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een door de rechtbank toegewezen vordering nadere omschrijving tenlastelegging, tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 21 november 2004 te Nijkerkerveen, gemeente Nijkerk,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk

F.G. [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat verdachte en/of

verdachtes mededader(s) opzettelijk met kracht tegen het hoofd/gezicht en/of

het lichaam van die [slachtoffer] hebben/heeft gestompt, geslagen en/of geschopt,

tengevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 21 november 2004 te Nijkerkerveen, gemeente Nijkerk,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan F.G.

[slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door

opzettelijk met kracht tegen het hoofd/gezicht en/of het lichaam van die

[slachtoffer] te stompen, te slaan en/of te schoppen, terwijl het feit de dood van

die [slachtoffer] tengevolge heeft gehad;

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 21 november 2004 te Nijkerkerveen, gemeente Nijkerk,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk

mishandelend tegen het hoofd/gezicht en/of het lichaam van F.G. [slachtoffer] heeft gestompt, geslagen en/of geschopt, waardoor die [slachtoffer] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden, terwijl dit feit de dood van die [slachtoffer] tengevolge heeft gehad;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 4 maart 2005 en 20 mei 2005 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte beide keren verschenen. Verdachte is steeds bijgestaan door mr. J.P.A van Schaik, advocaat te Veenendaal.

Als benadeelde partij is ter terechtzitting verschenen, en heeft tevens gebruik gemaakt van het spreekrecht:

? [naam], mede namens zijn echtgenote en tevens namens zijn zoon [naam], broer van het slachtoffer, allen wonende te [adres].

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken en ter zake van het subsidiair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, waarvan zes maanden voorwaar-delijk met een proeftijd van 3 jaren, met als bijzondere voorwaarde op te leggen reclasse-ringstoezicht, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorge-bracht.

De officier van justitie heeft voorts verzocht dat de vordering van de benadeelde partij [naam] tot een bedrag van € 7.656,41 wordt toegewezen en heeft gevorderd dat er een schadever-goedingsmaat-regel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opge-legd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 153 dagen hechte-nis.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het bewijs het volgende.

De rechtbank zal allereerst de vraag beantwoorden of het alleen verdachte is geweest die met het latere slachtoffer heeft gevochten en hem heeft geslagen. De getuigen [namen] die in deze zaak een verklaring hebben afgelegd wijzen allen in de richting van verdachte als degene die met [slachtoffer]] heeft gevochten. De getuigen spreken immers over een jongen met lang haar die op die bewuste avond een witte blouse en een sjaal droeg. Verdachte heeft bevestigd dat hij die avond een witte blouse en een sjaal droeg en dat hij, tezamen met drie vrienden na de vechtpartij in een taxi is gestapt . Verdachte heeft echter ontkend dat hij degene is geweest die [slachtoffer] heeft geslagen. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij alleen met [naam] heeft gevochten. Echter in zijn verklaring bij de politie heeft verdachte het over twee jongens waarmee hij in aanraking is geweest.

Voornoemde getuigenverklaringen zijn onafhankelijk van elkaar afgelegd. De getuigen waren niet (direct) betrokken bij de vechtpartij, hadden - in tegenstelling tot (andere) bezoekers van de discotheek - geen alcohol gedronken en hadden voorts geen belang bij het afleggen van een, voor verdachte belastende, verklaring. Dat er op bepaalde punten afwijkingen tussen de diverse verklaringen bestaan laat onverlet dat de getuigen allen in de kern hetzelfde verklaren, te weten dat een jongen met lang haar, die een witte blouse en een sjaal droeg, een harde klap heeft gegeven tegen het hoofd van een jongen en dat die jongen daarna bleef liggen, waarna de jongen met het lange haar in een taxi is gestapt en is vertrokken. Bovendien zijn de genoemde drie getuigen nogmaals bij de rechter-commissaris gehoord, waar zij hetzelfde hebben verklaard als bij de politie. Daarnaast zijn deze getuigen bij de reconstructie aanwezig geweest, alwaar zij nogmaals hebben aangegeven wat zij hebben gezien.

Getuigen die hebben aangegeven of gesuggereerd dat een ander dan verdachte [slachtoffer] heeft geslagen hebben de rechtbank niet kunnen overtuigen. De getuigenis van medeverdachte [naam] die in zijn laatste verklaring bij de politie heeft aangegeven dat hij denkt dat medeverdachte [naam] [slachtoffer] heeft geslagen acht de rechtbank niet geloofwaardig, omdat [naam] dit niet met 100% zekerheid kan zeggen en er geen andere getuigen zijn die zijn verklaring bevestigen. Daarnaast heeft de taxichauffeusse verklaard dat [naam] niet bij de taxi vandaan is geweest en dat zij hem niet bij de vechtpartij heeft gezien, omdat hij amper in de gaten had wat er aan de hand was aangezien hij zo slecht ziet. [naam] heeft bij de politie ook verklaard dat hij een handicap heeft aan zijn ogen, zodat hij maar voor ongeveer 10% ziet. Gelet op het voorgaande hecht de rechtbank geen waarde aan de verklaring van [naam].

Wat de verklaringen van de overige getuigen, waaronder [namen] en de medeverdachte [naam], betreft merkt de rechtbank op dat zij of de vechtpartij niet (goed) hebben gezien, of dat zij verklaringen hebben afgelegd die in hun eigen belang zijn dan wel niet geheel onafhankelijk zijn.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat verdachte degene is geweest die als enige het slachtoffer [slachtoffer] heeft geslagen.

De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte het slachtoffer opzettelijk van het leven heeft beroofd, zodat verdachte van het primair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Uit de bewijsmiddelen is af te leiden dat het slachtoffer is overleden als gevolg van hoofdletsel dat door een vuistslag van verdachte is veroorzaakt. Niet is komen vast te staan dat verdachte op enig moment heeft beoogd het slachtoffer van het leven te beroven. Evenmin is gebleken dat verdachte een wapen heeft gebruikt dan wel een ander middel waarvan kan worden gezegd dat verdachte door het gebruik de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer zou komen te overlijden. Iemand die een ander met een vuist in het gezicht slaat, aanvaardt naar het oordeel van de rechtbank niet de aanmerkelijke kans en is zich in het algemeen daarvan ook niet bewust dat als gevolg van zo’n handeling de ander kan overlijden.

Ten aanzien van de te bewijzen opzet op de zware mishandeling merkt de rechtbank op dat voornoemde getuigen hebben verklaard dat verdachte het slachtoffer (een) (kei)harde klap(pen) heeft gegeven. Uit het sectierapport is gebleken dat het slachtoffer is overleden ten gevolge van hersenfunctieverlies en weefselschade door verscheuring van een basale hersenslagader. Aangezien geen ziekelijke afwijking van de vaatwand werd aangetoond, is het zeer waarschijnlijk dat het vaatletsel is ontstaan als gevolg van de geweldsinwerking. De rechtbank merkt hierbij nog op dat verdachte eerder is veroordeeld voor het plegen van openlijk geweld, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge had, te weten een kaakfractuur. Ook toen had hij het slachtoffer geslagen. Verdachte heeft derhalve door een harde klap tegen/in de richting van het hoofd van het slachtoffer te geven terwijl hij wist dat eerder iemand zwaar lichamelijk letsel -een kaakfractuur- had toegebracht willens en wetens de, voor hem kenbare, aanmerkelijke kans aanvaard dat hij zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer zou toebrengen.

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 21 november 2004 te Nijkerkerveen, gemeente Nijkerk,

aan F.G. [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door

opzettelijk met kracht tegen het hoofd/gezicht van die

[slachtoffer] te stompen, te slaan, terwijl het feit de dood van

die [slachtoffer] tengevolge heeft gehad;

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

4a. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde:

Zware mishandeling, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft

4b. De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Over verdachte is een multidisciplinair rapport opgemaakt door drs. C.W.J. Seegers, klinisch-psycholoog, en drs. O.F. Schroth, psychi-ater, geda-teerd 14 mei 2005.

De klinisch-psycholoog heeft geconclu-deerd dat bij verdachte ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde feit sprake was van een ziekelijke stoornis dan wel gebrekkige ontwikkeling van de geestvermo-gens, in de zin van een persoonlijkheidsstoornis NAO met narcistische, vermijdende en antisociale trekken en een gestoorde agressieregulatie. Daarnaast is er sprake van een lichte organisch cerebrale stoornis. Gezien de alcoholconsumptie adviseert de deskundige op grond van de persoonlijkheidsstoornis tot een licht verminderde toerekeningsvatbaarheid.

De psychiater heeft geconcludeerd dat er bij verdachte sprake is van een onvoldoende volgroeide persoonlijkheid met kinderlijke en narcistische trekken, maar dat er geen aanwijzingen zijn voor het bestaan van een psychiatrische ziekelijke stoornis. Op grond van zijn onderzoek geeft de deskundige aan dat verdachte als volledig toerekeningsvatbaar kan worden aangemerkt.

De rechtbank heeft geconstateerd dat de klinisch-psycholoog meerdere testen heeft gedaan en op basis hiervan tot bovenstaande conclusie is gekomen. Na bestudering van de beide rapporten is gebleken dat de rapporteurs op een groot aantal onderdelen dezelfde problematiek in de persoonlijkheid van verdachte hebben geconstateerd. De rechtbank wijst hierbij met name op de gestoorde agressiehuishouding, al dan niet in combinatie met zijn alcoholgebruik, alsmede de omstandigheid dat volgens beide rapporteurs niet aannemelijk of waarschijnlijk is geworden dat zijn epilepsie verantwoordelijk zou zijn voor gedrag.

De rechtbank ziet, gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, aanleiding om zich te verenigen met de conclusie van de klinisch-psycholoog en maakt die tot de hare.

Overeenkomstig deze conclusie kan niet worden gezegd dat verdachte niet strafbaar is. Er is voorts ook geen andere omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

- de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 23 maart 2005; en

- voorlichtingsrapporten van Reclassering Nederland, gedateerd 1 maart 2005 en 19 mei 2005, betreffende verdachte;

- het onder 5. genoemde rapport.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een zware mishandeling, de dood ten gevolge hebbend. Verdachte heeft, nadat hij een bezoek had gebracht aan een discotheek en daarbij alcohol had gedronken, buiten die discotheek tegen een voorbijganger, die al fietsend verdachtes schouder raakte, hierover een opmerking gemaakt. Vervolgens is er een vechtpartij ontstaan waarbij verdachte de jongen één of meerdere klappen heeft gegeven tegen zijn hoofd, ten gevolge waarvan een scheur in zijn basale hersenslagader is ontstaan. Het slachtoffer is hierdoor komen te overlijden.

Het betreft hier een zeer ernstige mishandeling zonder enige aanleiding van betekenis. De fatale afloop heeft het slachtoffer het grootste goed, namelijk zijn leven, ontnomen. Voor de nabestaanden heeft het feit onnoemelijk leed veroorzaakt. Tevens draagt een dergelijk feit naar het oordeel van de recht-bank in hoge mate bij tot gevoe-lens van onrust en onveilig-heid van personen die zich willen begeven in het uitgaansleven.

Uit het uittreksel uit het algemeen documentatieregister blijkt dat verdachte eerder ter zake van mishandeling en openlijke geweldpleging, met zwaar lichamelijk letsel als gevolg, is veroordeeld.

Aan de andere kant houdt de rechtbank reke-ning met de omstan-dig-heid dat verdachte zoals blijkt uit de rapportage van de psycholoog ten tijde van het plegen van het tenlas-tege-legde feit licht verminderd toerekeningsvatbaar was, alsmede met het feit dat verdachte nog jong is.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie geëiste straf passend en geboden is.

De rechtbank ziet evenals de officier van justitie, gelet op verdachtes persoonlijke omstandigheden, aanleiding aan de voorwaarde-lijke gevangenisstraf de bijzondere voorwaarde te verbinden dat verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen van de reclasse-ring, ook als dit zal inhouden het volgen van een dader-slachtoffer leerproject, een agressieregulatietraining en/of een training op het gebied van alcoholgebruik. Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank een proeftijd van twee jaren afdoende.

6a. De beoordeling van de civiele vorde-ring, alsmede de

gevor-derde op-legging van de schadevergoedings-maat-regel

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vorde-ring, strekkende tot vergoeding van geleden schade.

De vordering van G.B.M. [naam] is niet betwist door verdachte en komt de rechtbank gegrond voor. De recht-bank zal de vordering dan ook in haar geheel toewijzen.

Voor de vordering geldt tevens dat de rechtbank de schadevergoe-dingsmaatregel ex art. 36f van het Wetboek van Strafrecht zal toepassen en dus verdachte de verplich-ting zal opleggen een bedrag, gelijk aan het door de rechtbank toe te wijzen schadebe-drag, aan de Staat te betalen ten behoeve van de benadeelde partij.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 27, 36f en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Spreekt verdachte vrij van het primair tenlastegelegde feit.

Verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde feit, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van zesendertig (36) maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf zes (6) maanden niet zullen worden tenuitvoergelegd, ten-zij de rechter later anders mocht gelasten. De rechtbank stelt een proeftijd vast van twee (2) jaren. De tenuitvoerleg-ging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proef-tijd heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit,

dan wel niet is nagekomen de volgende bijzondere voorwaarde:

- Veroordeelde dient zich gedurende de proeftijd te gedragen naar de voorschriften en aanwijzin-gen die hem door of namens de (stich-ting) Re-classe-ring Nederland zullen worden gegeven, (ook als dit zal inhouden het volgen van een dader-slachtoffer leerproject, een agressieregulatietraining en/of een training op het gebied van alcoholgebruik) voor zover en voor zolang dat door genoemde instelling no-dig wordt geacht.

Geeft opdracht aan de (stichting) Reclassering Nederland om aan veroordeelde bij de naleving van voornoemde voorwaarde hulp en steun te verlenen.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoer-legging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij G.B.M. [naam].

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan G.B.M. [naam], wonende te [adres], te betalen € 7.656,41 (zegge zevenduizendzeshonderdzesenvijftig euro en eenenveertig eurocent).

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Maatregel van schadevergoeding ad € 7.656,41, subsidiair 153 dagen hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer G.B.M. [naam], wonende te [adres], te betalen € 7.656,41 (zegge zevenduizendzeshonderdzesenvijftig euro en eenenveertig eurocent), bij gebreke van volledi-ge betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 153 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij niet opheft.

- Bepaalt dat voldoening aan de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Aldus gewezen door:

mr. A.T.M. Vrijhoeven, rechter, als voorzitter,

mr. C. Lely-Van Goch, rechter,

mr. E.M. Vermeulen, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. B.J.M. Vermulst, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 juni 2005.