Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2005:AT6245

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
25-05-2005
Datum publicatie
26-05-2005
Zaaknummer
388419
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Werknemer verzoekt in voorlopige voorziening doorbetaling van loon. Hij is na het intreden van arbeidsongeschiktheid gedetineerd geraakt. Bij vonnis van de MK voor de behandeling van strafzaken is de werknemer ontslagen van rechtsvervolging en is zijn plaatsing gelast in een psychiatrisch ziekenhuis. De kantonrechter, rechtdoende in kort geding, oordeelt dat loon niet dient te worden doorbetaald tot het genoemde strafvonnis onherroepelijk is geworden, aangezien de werknemer gedurende die periode niet beschikbaar is geweest de bedongen arbeid te verrichten als gevolg van het voorarrest. Na het onherroepelijk worden van het strafvonnis kan werknemer wel aanspraak maken op doorbetaling van loon.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 629
Burgerlijk Wetboek Boek 7 685
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2005/227
JAR 2005, 227

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector kanton

Locatie Nijmegen

zaakgegevens 388419 \ VV EXPL 05-10054 \ jt

uitspraak van 25 mei 2005

Vonnis in kort geding

in de zaak van

[eiser]

wonende te Heeswijk-Dinther

eisende partij

gemachtigde Mr. N. van Meerkerk

tegen

de besloten vennootschap [gedaagde]

gevestigd te Druten

gedaagde partij

gemachtigde mr. J.L.J.J. Nelissen.

Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 14 april 2005

- de door beide partijen voorafgaand aan de comparitie van partijen toegezonden producties

- de door de griffier gemaakte aantekeningen tijdens de mondelinge behandeling op 11 mei 2005, waarop [gedaagde] zich heeft bediend van een pleitnota.

De vaststaande feiten

De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten, die vaststaan omdat ze niet of niet voldoende zijn betwist.

1.1 [eiser] is sinds 1 april 2000 als horlogemaker in dienst van [gedaagde]. Het loon van [eiser] bedroeg in november 2004 € 2.065,91 bruto per maand exclusief 8% vakantietoeslag.

1.2 [eiser] is op 23 juli 2004 arbeidsongeschikt geraakt als gevolg van ernstige psychische klachten.

1.3 [eiser] is op 20 september 2004 betrokken geweest bij een aantal gewelddadige incidenten. In verband daarmee bevond hij zich vanaf (in ieder geval) 23 november 2004 in voorarrest.

1.4 [gedaagde] heeft het loon van [eiser] doorbetaald tot 23 november 2004.

1.5 Bij vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 11 maart 2005 zijn de hiervoor bedoelde incidenten bewezen verklaard, die een aantal met name genoemde misdrijven opleveren en is [eiser] niet strafbaar verklaard. [eiser] is ontslagen van alle rechtsvervolging, alsmede is zijn plaatsing gelast in een psychiatrisch ziekenhuis als bedoeld in art. 37 Wetboek van strafrecht. Tegen dit vonnis is geen hoger beroep ingesteld.

1.6 [eiser] verblijft thans nog steeds in het Huis van Bewaring te Grave.

De vordering en het verweer

2. [eiser] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] zal veroordelen om aan hem te betalen het loon ad € 2.065,91 bruto per maand exclusief vakantietoeslag vanaf 23 november 2004, althans 11 maart 2005 totdat het dienstverband op rechtsgeldige wijze zal zijn geëindigd, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50% en de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding, alsmede in de kosten van deze procedure.

3. [eiser] voert daartoe, kort samengevat, het volgende aan. [eiser] is van mening dat de arbeidsongeschikte werknemer die na het intreden van de arbeidsongeschiktheid gedetineerd raakt, recht heeft op doorbetaling van loon. De primaire grond voor de verhindering om de bedongen arbeid te verrichten is in dat geval immers de arbeidsongeschiktheid van de werknemer en niet de detentie.

4. [gedaagde] voert gemotiveerd verweer. Zij is van mening dat [eiser] vanaf 23 november 2004 tot 11 maart 2005 niet beschikbaar was voor de bedongen arbeid als gevolg van het voorarrest en niet wegens zijn ziekte, zodat [eiser] in die periode geen recht op loon heeft. Na 11 maart 2005 hoeft zij [eiser] ook geen loon door te betalen, aangezien de gelaste plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis veeleer gelijk is te stellen aan detentie dan aan ziekte. Bovendien is er op dit moment nog steeds sprake van detentie.

De beoordeling

5. Met de aard van de vordering is het spoedeisend karakter ervan gegeven.

6. De kantonrechter is voorshands van oordeel dat [eiser] gedurende de periode 23 november 2004 tot 25 maart 2005, de datum waarop het onder 1.4 genoemde strafvonnis onherroepelijk is geworden, geen aanspraak kan maken op doorbetaling van loon. Hij is gedurende die periode niet beschikbaar geweest om de bedongen arbeid te verrichten als gevolg van zijn voorarrest. Weliswaar is voorshands aannemelijk dat hij dat toen ook niet was vanwege zijn ziekte, maar het is ten opzichte van [gedaagde] niet redelijk om [eiser] aanspraak te laten behouden op zijn loon nu zijn ziekte voor rekening van [gedaagde] komt. Immers, indien [eiser] niet ziek zou zijn geweest, dan zou hij desondanks gedurende deze periode geen aanspraak op loon hebben gehad als gevolg van zijn voorarrest.

7. Daarentegen kan [eiser] vanaf 25 maart 2005 wel aanspraak maken op doorbetaling van loon. Voorshands is aannemelijk, gezien de in het onder 1.4 genoemde strafvonnis aangehaalde citaten uit de rapporten van de psycholoog en de psychiater die [eiser] in het kader van de strafzaak hebben onderzocht, dat hij wegens ziekte de bedongen arbeid niet heeft verricht. Gelet hierop, kan het overleggen van de verklaring als bedoeld in art. 7:629a lid 2 BW van [eiser] niet worden gevergd. Hierbij dient dan nog in aanmerking te worden genomen dat de vrijheidsbeneming van [eiser] sinds 25 maart 2005 met een opname in een psychiatrisch ziekenhuis gelijk dient te worden gesteld (HR 25 mei 1990, NJ 1990, 826).

8. [gedaagde] werpt nog op dat [eiser] geen aanspraak heeft op doorbetaling van loon, althans dat zij bevoegd is de loonbetaling op te schorten, aangezien hij weigert zijn medewerking te verlenen aan het opstellen, evalueren en bijstellen van het plan van aanpak, respectievelijk geen inlichtingen verstrekt om het recht op loon vast te stellen (art. 7:629 lid 3 sub e en lid 6 BW).

Dit verweer gaat niet op, reeds omdat niet is gesteld of gebleken dat [gedaagde] [eiser] kennis heeft gegeven van de grond(en) voor stopzetting van de loonbetaling onverwijld nadat bij haar het vermoeden van het bestaan daarvan is gerezen of redelijkerwijs had behoren te rijzen (art. 7:629 lid 7 BW).

9. Gelet op de bijzondere omstandigheden van dit geval zal de gevorderde verhoging beperkt worden tot nihil.

10. Nu beide partijen op enige punten over en weer in het ongelijk zullen worden gesteld, zullen de proceskosten in die zin worden gecompenseerd dat iedere partij de eigen kosten draagt.

De beslissing

De kantonrechter,

rechtdoende in kort geding,

veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting [eiser] het loon ad € 2.065,91 bruto per maand (vermeerderd met 8% vakantietoeslag) te betalen over de periode vanaf 25 maart 2005 tot dat het dienstverband tussen partijen op rechtsgeldige wijze zal zijn geëindigd, te vermeerderen met de wettelijke rente over het achterstallige salaris op 14 april 2005 vanaf die datum tot aan de dag der algehele voldoening,

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. J.W.M. Tromp en in het openbaar uitgesproken op 25 mei 2005.