Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2005:AT6031

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
20-04-2005
Datum publicatie
23-05-2005
Zaaknummer
113043
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Erfdienstbaarheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 113043 / HA ZA 04-838

Datum vonnis: 20 april 2005

Vonnis

in de zaak van

1. [eiser 1],

wonende te [woonplaats],

2. [eiser 2],

wonende te [woonplaats],

eisers,

procureur mr. J.T.M. Palstra,

advocaat mr. H. Zeilmaker te Nijmegen,

tegen

1. [gedaagde 1],

wonende te [woonplaats],

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

procureur mr. J.C.N.B. Kaal,

advocaat mr. ing. J.P.J.M. Rouwet te Mill.

Het verloop van de procedure

Voor het verloop van de procedure tot het tussenvonnis van 28 juli 2004 wordt naar dat vonnis verwezen. Ter uitvoering van dit tussenvonnis is een comparitie van partijen gehouden. Het proces-verbaal daarvan bevindt zich bij de stukken. Ten behoeve van de comparitie hebben [eiser 1] c.s. nog een brief met producties gestuurd die zich bij de stukken bevindt. Verder zijn nog de volgende processtukken gewisseld:

* een conclusie van repliek tevens houdende wijziging en vermeerdering van eis met producties;

* een conclusie van dupliek met producties.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De vaststaande feiten

1.1 [eiser 1] c.s. zijn sinds september 1977 huurders en sinds 1987 eigenaren van het perceel met woning aan de [adres], kadastraal bekend gemeente [woonplaats], sectie A, nummer 1064.

1.2 [gedaagde 1] is eigenaar van het perceel en de woning aan de [adres], plaatselijk bekend gemeente [woonplaats], sectie A, nummer 1142. [gedaagde 1] c.s. wonen daar sinds 1988.

1.3 Beide percelen zijn bij akte van scheiding en deling van 6 juli 1927 ontstaan uit de percelen sectie A, nummers 555, 556, 557 en 767. In deze notariële akte staan de volgende erfdienstbaarheden omschreven: "Dat met afwyking van het bepaalde by artikelen 693, 694 en 695 van het Burgerlyk Wetboek de in de Oostelyke muur van het aan den comparant hiervoor sub 2 toebedeelde huis met achterhuis aanwezige vensters mogen blyven bestaan in de toestand waarin die vensters zich thans bevinden,

dat voor het schoonhouden en onderhouden van die vensters door den eigenaar van het aangrenzende erf toegang wordt verleend tot zyn erf tot het verrichten van de daaraan verbonden werkzaamheden, (...)

dat tot gebruik en ten nutte van het bebouwde gedeelte van het aan den comparant hiervoor sub 2 genoemd toebedeelde gedeelte van het perceel sectie A nommer 767 en ten laste van het daaraan grenzende gedeelte van het aan den comparant hiervoor sub 1 toebedeelde gedeelte van dat perceel wordt gevestigd de erfdienstbaarheid van licht uit te oefenen door de thans bestaande vensters." De vensters waar deze erfdienstbaarheden op zien, zitten in de oostgevel van de woning van [eiser 1] c.s.; het erf van [gedaagde 1] is het dienend erf.

1.4 Op het perceel van [gedaagde 1] c.s. staan langs de scheidsmuur, die in het verlengde van deze oostgevel staat, één door de partijen zogenoemde "kerstboom" en drie coniferen binnen twee meter tot de erfgrens. De kerstboom staat daar in ieder geval al 25 jaar. Deze beplanting komt ruimschoots (een flink aantal meters) boven de scheidsmuur uit.

1.5 Op het perceel van [gedaagde 1] c.s. tegen de oostgevel van [eiser 1] c.s. bevindt zich een gemetselde plantenborder van ongeveer een halve meter hoog en van 100 tot 175 cm breed, met een lengte van circa 19 meter gemeten vanaf de voorgevel van [eiser 1] c.s. aan de straatkant naar achteren toe, met ten tijde van de comparitie ter plaatse op 15 november 2004 daarin een laag aarde van circa 30 cm dik. In deze border stonden onder meer 7 bolacacia's. Aan de achterkant is deze border tegen de gevel gemetseld, aan de voorkant is tussen de gevel en de border een ruimte gelaten van enkele millimeters. Aan de straatzijde was door [gedaagde 1] c.s. op de border een ijzeren hekwerk aangebracht dat met keilbouten in de oostgevel van [eiser 1] c.s. was vastgezet. Dit hekwerk is op 16 april 2004 verwijderd. In de oostgevel bevinden zich nu gaten op de plaats waar de keilbouten zaten.

1.6 Het erf van [gedaagde 1] c.s. wordt aan de zijde van de erfgrens met het perceel van [eiser 1] c.s. afgesloten door een elektrisch ijzeren sierhek.

1.7 Bij brief van 8 augustus 2003 hebben [eiser 1] c.s. aan [gedaagde 1] c.s. verzocht de border met bomen en beplanting te verwijderen en verwijderd te houden.

1.8 Eind september 2003 hebben [gedaagde 1] c.s. in hun weiland precies achter de tuin van [eiser 1] c.s. 29 coniferen geplant en een aantal maanden later nog eens 25 coniferen. Hiervan staan 8 coniferen binnen een afstand van 2 meter tot de erfgrens. Deze achtertuin van [eiser 1] c.s. ligt circa 60-75 cm hoger dan het daarachter gelegen weiland van [gedaagde 1].

1.9 In mei 2004 heeft [gedaagde 1] bij [eiser 1] c.s. een betonnen klinker door het raam van de eetkamer gegooid, waarbij (onder meer) het raam is vernield.

1.10 Enkele dagen na de comparitie ter plaatse (op 15 november 2004) hebben [gedaagde 1] c.s. de aarde in de border teruggebracht tot maaiveldhoogte en de bolacacia’s en andere beplanting verwijderd. Nog in november 2004 hebben [gedaagde 1] c.s. deze border opnieuw beplant met onder meer hulst van ca. 2,7 en 2,5 meter hoog en taxus van 2,5 meter hoog, beide binnen een afstand van 2 meter tot de erfgrens.

Het geschil

2. [eiser 1] c.s. vorderen na wijziging van eis, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk te veroordelen om: a) binnen twee weken na betekening van het te wijzen vonnis de in de border langs de oostgevel van de woning van eisers aangebrachte beplanting te verwijderen en opnieuw in te planten met inachtneming van het door [eiser 1] c.s. in de procedure gebracht beplantingenplan, althans om de aangebrachte hulst en de 7 taxusbomen uit de border te verwijderen, en om alle overige beplanting zodanig in te planten en te snoeien dat (i) een (uitzicht- en licht)zone van een meter aan weerszijden van de vensteropeningen ter hoogte van de vensteropeningen vrij van beplantingen wordt gehouden, (ii) er een onderhoudsstrook van 0.90 meter breed wordt vrijgehouden en (iii) de beplanting -eveneens met het oog op de mogelijkheid van het verrichten van (groot) onderhoud- maximaal 2 meter hoog wordt/zal zijn;

b) binnen twee weken na betekening van het te wijzen vonnis aan de straatkant de bordermuur (gedeeltelijk) te verwijderen zodat er een doorgang van 0.75 meter tussen de gevel en de bordermuur ontstaat en langs de (gehele) oostgevel een onderhoudsstrook van drie stoeptegels breed te realiseren;

c) binnen vier weken na betekening van het te wijzen vonnis de drie coniferen achter de oostelijke scheidsmuur af te toppen zodat deze niet hoger zijn en worden dan de scheidsmuur;

d) alle coniferen achter het erf van eisers op een maximale hoogte van 2 meter (gemeten vanaf de grondslag van de tuin van eisers) te houden, dan wel subsidiair, indien de rechtbank deze vordering afwijst, om binnen vier weken na betekening van het te wijzen vonnis de acht coniferen die achter het erf van eisers op minder dan 2 meter van de erfgrens staan, te verwijderen en verwijderd te houden,

e) binnen vier weken na betekening van het te wijzen vonnis alle door gedaagden aan de gevel bevestigde zaken (vijf vogelhuisjes, waslijn, vier latwerken om planten te geleiden, klimop en achtergebleven klimopresten) te verwijderen en verwijderd te houden;

f) in de toekomst steeds volledige medewerking te verlenen aan het wassen van de vensters in de woning van [eiser 1] c.s. waarvoor zij het erf van [gedaagde 1] c.s. kunnen betreden;

g) door een erkend en door [eiser 1] c.s. goed te keuren aannemersbedrijf, binnen twee maanden na betekening van het te wijzen vonnis, voor rekening van [gedaagde 1] c.s. en op basis van een vooraf door [eiser 1] c.s. goed te keuren plan van aanpak, te laten herstellen: de onderzijde van de oostgevel, de gaten van de keilbouten en de beschadigingen die zijn ontstaan bij het verwijderen van die keilbouten, en te laten verwijderen: de klimopresten in de oostgevel, althans [gedaagde 1] c.s. te veroordelen tot het treffen van de maatregelen en voorzieningen die de rechtbank in goede justitie nodig acht. Ten slotte hebben ze gevorderd [gedaagde 1] c.s. in de proceskosten te veroordelen.

[gedaagde 1] c.s. hebben gemotiveerd verweer gevoerd.

De beoordeling van het geschil

3. In deze zaak draait het allereerst om de vraag in hoeverre de border met beplanting van [gedaagde 1] c.s. aan de oostgevel van de woning van [eiser 1] c.s. de erfdienstbaarheden ten behoeve van de vensters in die oostgevel (zie hiervoor onder 1.3) belemmeren. Het gaat daarbij om zes vensters. Vier daarvan zijn doorzichtig, waarvan één raam zich op de eerste verdieping bevindt en een ander raam door de partijen "het glas-in-lood-raam" wordt genoemd. Weliswaar is over dit laatste raam (dat in die vorm onbetwist dateert uit 1977) door [gedaagde 1] c.s. opgemerkt dat dit voorheen een betonnen stalraam met matglas was, maar daar is verder geen conclusie aan verbonden zodat in deze procedure zal worden uitgegaan van de gevestigde erfdienstbaarheden voor deze zes vensters.

4. [eiser 1] c.s. hebben zich op het standpunt gesteld dat de border hen belemmert in de uitoefening van de erfdienstbaarheid van schoonmaak en onderhoud van de vensters en voorts dat (ook) de - sinds aanvang van de procedure inmiddels gewijzigde - beplanting in die border inbreuk maakt op hun recht op licht en uitzicht door die vensters.

5. [gedaagde 1] c.s. hebben als meest verstrekkend verweer aangevoerd dat [eiser 1] c.s. toestemming hebben gegeven tot het aanleggen van de plantenborder, hetgeen [eiser 1] c.s. uitdrukkelijk hebben betwist. Voor zover hun verweer zo moet worden begrepen dat een toestemming [eiser 1] c.s. met de aanwezigheid van een plantenborder tegen de gevel tevens toestemming impliceert voor elke mogelijke beplanting in die border, ook voor zover deze in strijd met de erfdienstbaarheid is geplant, dan snijdt dit geen hout. Voorts geldt dat mocht komen vast te staan dat [eiser 1] c.s. destijds uitdrukkelijk hebben toegestemd in de bij aanvang van de procedure aanwezige beplanting (de bolacacia´s etc.), dan is die toestemming nu niet meer relevant, nu vaststaat dat [gedaagde 1] c.s. inmiddels zonder nader overleg en dus zonder uitdrukkelijke toestemming van [eiser 1] c.s. nieuwe beplanting hebben aangebracht. Daarmee kan de vermeende toestemming voor de vorige beplanting in het midden blijven en kunnen [eiser 1] c.s. opkomen tegen de huidige beplanting voor zover deze daar in strijd met de wet en/of de heersende erfdienstbaarheden staat.

6. Vooropgesteld moet worden dat de gevestigde erfdienstbaarheid om in strijd met de artikelen 693, 694 en 695 BW (oud) vensters in de oostgevel aanwezig te hebben geen recht op uitzicht geeft, zoals [eiser 1] c.s. kennelijk betogen, maar het recht geeft om in strijd met deze wettelijke bepalingen in die gevel uitzichtgevende werken (i.c. vensters) te houden. Naast deze erfdienstbaarheid is er in de akte van 1927 ook een expliciete erfdienstbaarheid van licht gevestigd die verder strekt dan de vorenbedoelde erfdienstbaarheid. Deze erfdienstbaarheid van licht brengt met zich dat de lichtinval door de vensters moet worden gewaarborgd. Dat gaat naar het oordeel van de rechtbank niet zó ver dat elke lichtinval beperkende beplanting reeds strijd met de erfdienstbaarheid oplevert, maar uitgangspunt is wel dat de lichtinval niet onredelijk mag worden gehinderd. Daarbij is aansluiting gezocht bij het in artikel 5:50 lid 4 BW neergelegde criterium. Uit de overgelegde foto's volgt dat de zijwaartse lichtinval door de nu uitgevoerde beplanting weliswaar enigszins is beperkt, maar niet in een mate die onredelijke hinder oplevert zodat geoordeeld wordt dat er sprake is van een voldoende mate van lichtinval. De beplanting staat daar dan ook niet in strijd met de erfdienstbaarheid van licht zodat de door [eiser 1] c.s. gevorderde afstand van één meter naast het raam te ver voert. Ten overvloede wordt echter wel overwogen dat [gedaagde 1] c.s. de door hen geplaatste taxus en hulst moeten snoeien en gesnoeid houden zodat deze niet dusdanig in de breedte gaan groeien dat daardoor de lichtinval wel té beperkt zou worden.

7. Voorts geldt als uitgangspunt dat uitoefening van een erfdienstbaarheid op de minst bezwarende wijze dient plaats te vinden. De gevestigde erfdienstbaarheden kunnen niet met zich brengen dat [gedaagde 1] c.s. gedwongen kunnen worden hun erf op de door [eiser 1] c.s. voorgestane wijze door middel van een beplantingenplan in te richten. In zoverre kan de primaire vordering onder 2 a) niet worden toegewezen.

8. Met betrekking tot de gevestigde erfdienstbaarheid van schoonhouden en onderhouden van de vensters wordt als volgt overwogen. Op grond van de erfdienstbaarheid kunnen [eiser 1] c.s. aanspraak maken op toegang tot het erf van [gedaagde 1] c.s.. Dit gaat niet zó ver dat dit hun een recht geeft op een speciale, permanente voorziening zoals de door hen gevorderde doorgang naast de gevel. De aard van de erfdienstbaarheid brengt wel met zich dat eigenaars van het heersend erf niet voor uitoefening van die erfdienstbaarheid afhankelijk moeten zijn van de toevallige aanwezigheid van bewoners van het dienend erf om toegang te verkrijgen. Voorts is er tussen de partijen sprake van (zeer) gespannen verhoudingen die rechtvaardigen dat er voorzieningen worden getroffen die uitoefening van de erfdienstbaarheid mogelijk maakt op een manier dat de partijen zo min mogelijk met elkaar te maken hoeven te hebben. Het met vooraankondiging of op afspraak toegang verschaffen, zoals [gedaagde 1] c.s. voorstellen, doet afbreuk aan de erfdienstbaarheid en is ook met het oog op de genoemde verhoudingen geen oplossing. Om een op de minst bezwarende wijze toegang tot het erf en de vensters mogelijk te maken lijkt het verschaffen van de sleutel van het elektrische sierhek in beginsel een reële optie. De beide partijen hebben zich op het standpunt gesteld dat dit voor hen geen aantrekkelijke oplossing is. Andere mogelijkheden zijn hetzij, het verschaffen van een toegang tot het dienend erf via de achtertuin van [eiser 1] c.s., hetzij het maken van een afzonderlijke doorgang in het muurtje naast de gevel, zoals gevorderd. De keuze is wat dat betreft aan [gedaagde 1] c.s. als bewoners van het dienend erf. De zaak zal hierna naar de rol worden verwezen om [gedaagde 1] c.s. in de gelegenheid te stellen zich met inachtneming van het vorenoverwogene over de door hen gewenste toegangsverschaffing uit te laten.

9. Voorts zullen [eiser 1] c.s. voor het schoon- en onderhouden van de vensters de beschikking moeten hebben over een bepaalde (onbeplante) ruimte rondom die vensters, waarop in redelijkheid een huishoudtrap kan staan op een veilige ondergrond. Op grond van de bij dupliek overgelegde foto's heeft de rechtbank geconstateerd dat op een kleine afstand van de gevel onder deze vensters grindtegels (40 cm breed) zijn gelegd. Naar het oordeel van de rechtbank is dit onvoldoende voor het plaatsen van een huishoudtrapje. Indien tussen de thans gelegde grindtegel en de gevel een verharding zou worden aangebracht (grindtegel laten aansluiten op de gevel) zodat een breedte van circa 50 a 60 cm ontstaat, acht de rechtbank dit wel voldoende en ook overigens redelijk. Voor het schoonhouden en onderhouden van het venster op de eerste verdieping is een huishoudtrapje niet geschikt, zodat onder dat venster een breedte van een extra grindtegel naast de gelegde grindtegel noodzakelijk wordt geoordeeld. [gedaagde 1] c.s. zullen de ondergrond onder de vensters aldus dienen te verbreden en deze te allen tijde moeten handhaven. Dit betekent dat langs die grindtegels staande beplanting niet daarover zal mogen groeien, noch ter hoogte van het maaiveld noch op hoger niveau. [gedaagde 1] c.s. zullen de beplanting in de border daartoe zo nodig moeten terugsnoeien en gesnoeid houden. Voor het overige heeft de erfdienstbaarheid van onderhoud geen betrekking op de gevel als zodanig (maar slechts de daarin aanwezige vensters) en geldt voor dat gevelonderhoud het daarop toepasselijke in artikel 5:56 BW neergelegde “ladderrecht”.

10. [eiser 1] c.s. hebben voorts gevorderd de in de border aanwezige bomen, taxus en hulst, die binnen 2 meter van de gevel staan te verwijderen en verwijderd te houden. Ten eerste omdat ze binnen de wettelijk toegestane afstand van 2 meter staan (5:42 lid 2 BW) en ten tweede omdat ze pal naast het raam zijn geplaatst en daardoor inbreuk maken op de erfdienstbaarheid van licht en uitzicht. Bovendien zijn de taxusbomen volgens hen bij het tweede raam precies op de gasleiding geplaatst.

11. [gedaagde 1] c.s. hebben aangevoerd dat een taxus en hulst als struik en derhalve niet als boom kunnen worden aangemerkt. Bovendien heeft de oostgevel van [eiser 1] c.s. volgens [gedaagde 1] c.s. in dit geval te gelden als de scheidsmuur tussen de erven, zodat zij zich op grond van artikel 5:42 lid 3 BW niet kunnen verzetten tegen de aanwezigheid van beplanting die niet hoger reikt dan de scheidsmuur tussen de erven. Om met dit laatste te beginnen: dit standpunt wordt niet onderschreven nu deze bepaling slechts ziet op een vrijstaande scheidsmuur. De door [gedaagde 1] c.s. voorgestane uitleg zou impliceren dat een eigenaar van een huis niet zou kunnen opkomen tegen vlak naast dat huis staande bomen van het buurperceel, waarvan de wortels onder de fundamenten van het huis (kunnen) groeien en deze daarmee (kunnen) aantasten, terwijl feitelijk daartegen optreden door gebruik te maken van de in de wet neergelegde bevoegdheid van het weghakken van wortels (5:44 lid 2 BW) dan niet mogelijk is.

12. De vraag of taxus of hulst als boom of struik moet worden aangemerkt, hangt vervolgens af van de verschijningsvorm ervan; daarvoor hanteert de rechtbank het uitgangspunt dat taxus of hulst tot een hoogte van 2 meter moet worden beschouwd als struik en daarboven als boom. Afhankelijk van de hoogte ervan zullen dus de wettelijk voorgeschreven afstanden van respectievelijk 0,50 tot 2 meter tot de erfgrens moeten worden gehandhaafd. In het onderhavige geval is onweersproken sprake van taxus en hulst van thans 2,5 tot 2,7 meter hoog binnen 2 meter tot de erfgrens. Deze taxus en hulst zullen door [gedaagde 1] c.s. ofwel met inachtneming van de wettelijk toegestane afstand moeten worden verplaatst, ofwel moeten worden teruggesnoeid tot een hoogte van maximaal 2 meter.

13. Ten slotte hebben [eiser 1] c.s. nog gesteld dat de taxusbomen gedeeltelijk op een gasleiding zijn geplaatst, maar zij hebben daar verder geen gevolg aan verbonden. Het enkele feit dat deze op een gasleiding zijn geplant maakt dit nog niet onrechtmatig.

14. Vervolgens moet worden bezien in hoeverre de coniferen in het weiland van [gedaagde 1] c.s. direct achter het erf van [eiser 1] c.s. onrechtmatige hinder opleveren in die zin dat ze licht wegnemen uit de tuin van [eiser 1] c.s., zoals zij hebben gesteld. Vaststaat dat 46 van de 54 coniferen op een minimale afstand van 2 meter tot de erfgrens met het perceel van [eiser 1] c.s. staan. Voorheen stond in dat weiland geen beplanting. Door de coniferen ontvangt het perceel van [eiser 1] c.s. dan ook minder rechtstreeks zonlicht. [eiser 1] c.s. worden door de coniferen - zoals deze er op dit moment bijstaan - echter niet verstoken van licht, zodat een onthouding daarvan als bedoeld in artikel 5:37 BW hier niet aan de orde is.

15. Ten aanzien van de 8 coniferen die op minder dan 2 meter van de erfgrens zijn geplaatst, geldt dat deze daar mogen staan voor zover deze niet hoger reiken dan de scheidsmuur tussen de erven (5:42 lid 3 BW). Weliswaar is er op dit moment nog geen sprake van een scheidsmuur - [gedaagde 1] c.s. hebben aangegeven deze te willen plaatsen - maar deze zal niet hoger mogen zijn dan 2 meter (5:49 BW), zodat die 8 coniferen in beginsel tot een hoogte van 2 meter zijn toegestaan ongeacht de afstand daarvan tot de erfgrens. Nu de percelen ter plekke van hoogte verschillen rijst de vraag van welk perceel de hoogte van de beplanting gemeten dient te worden. In dit geval brengt een redelijke uitleg van de genoemde artikelen 5:42 lid 3 juncto 5:49 lid 1 BW met zich dat gemeten dient te worden vanaf het hoogstgelegen perceel, in dit geval dat van [eiser 1] c.s.. Een andere uitleg zou immers tot gevolg hebben dat [gedaagde 1] c.s. hun privacy niet op dezelfde wijze kunnen waarborgen als [eiser 1] c.s..

16. Met betrekking tot het gevorderde herstel van de oostgevel door de verwijdering van de daarop voorkomende klimopresten wordt het volgende overwogen. Vaststaat dat ten tijde van de comparitie geen klimopstam in de grond aan de zijde van de oostgevel is aangetroffen. [gedaagde 1] c.s. hebben gemotiveerd betwist dat er tegen die oostgevel een klimop was geplant en aangevoerd dat de op de oostgevel nog zichtbare klimopresten afkomstig zijn van de klimopstam die langs de voorgevel of de westgevel staat dan wel stond. Gezien deze gemotiveerde betwisting zullen [eiser 1] c.s. op grond van artikel 150 Rv. moeten bewijzen dat de klimopresten in de oostgevel afkomstig zijn van een klimop van [gedaagde 1] c.s.. Nu zij in de stukken en ter comparitie hebben aangegeven dat het belang van de onderhavige zaak voor hen met name is gelegen in de border en de erfdienstbaarheid ten aanzien van de vensters, zal de verwijzing naar de rol tevens worden gebruikt om [eiser 1] c.s. gelegenheid te bieden zich uit te laten of zij tot deze bewijslevering willen overgaan.

17. Voor het overige zijn de vorderingen van [eiser 1] c.s. door [gedaagde 1] c.s. niet betwist, zodat in ieder geval de vorderingen zoals hiervoor onder 2 c), 2 e) - met uitzondering van de verwijdering van de klimopresten aan de oostgevel van het huis en schuur -, 2 f) en 2 g) - met uitzondering van het herstel van de klimopresten aan de oostgevel huis en schuur - voor toewijzing gereed liggen.

18. Hoger beroep is zoals hierna weergegeven beperkt op grond van artikel 337 lid 2 Rv. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden

De beslissing

De rechtbank,

verwijst de zaak naar de rol van woensdag 18 mei 2005 om [gedaagde 1] c.s. de gelegenheid te geven zich bij akte uit te laten zoals in rechtsoverweging 8. aangegeven en [eiser 1] c.s. de gelegenheid te geven zich bij akte uit te laten zoals in rechtsoverweging 16. aangegeven,

verstaat dat tegen dit vonnis geen hoger beroep mogelijk is dan tegelijk met dat van het eindvonnis,

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.M.I. de Waele en uitgesproken in het openbaar op 20 april 2005.

de griffier de rechter