Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2005:AT5929

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
13-04-2005
Datum publicatie
20-05-2005
Zaaknummer
117594
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Letselschade; deskundigenbericht.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 98
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2005/60
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 117594 / HA ZA 04-1640

Datum vonnis: 13 april 2005

Vonnis

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

procureur mr. H. van Ravenhorst,

advocaat mr. M.C.J. Peters te Arnhem,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur mr. H. van Ravenhorst,

advocaat mr. H.A. Kragt te Utrecht.

De partijen worden hierna verder [eiseres] en [gedaagde] genoemd.

Het verloop van de procedure

Voor het verloop van de procedure tot het tussenvonnis van 12 januari 2005 wordt naar dat vonnis verwezen. Ter uitvoering van dit tussenvonnis is een comparitie van partijen gehouden. Het proces-verbaal daarvan bevindt zich bij de stukken. Beide partijen hebben voorafgaand aan de comparitie voorts nog stukken in het geding gebracht. Op de comparitie zijn de partijen niet verenigd waarna vonnis is bepaald.

De vaststaande feiten

1. Op 28 augustus 1999 werd in Lunteren bij de viering van de Oud Lunterse Dag een optocht, de ‘Reutemeteut’, gehouden waaraan het voor een rijtuig aangespannen paard deelnam waarvan [gedaagde] de eigenaar/bezitter was. Tijdens het evenement is dit paard op hol geslagen, waarna [eiseres] erin slaagde het dier tegen te houden.

2. Na dit voorval heeft [eiseres] vanwege door een rektrauma veroorzaakte pijnklachten hulp gezocht bij haar huisarts die haar onder meer doorverwees naar de fysiotherapeut.

3. [eiseres] was vóór het voorval bekend met diverse gezondheidsklachten, waaronder het chronisch vermoeidheidssyndroom ME en colitis ulcerosa (darmklachten).

Aan haar is per 7 november 1985 een WAO uitkering toegekend.

Die uitkering ontving zij ten tijde van het voorval nog steeds, berekend toen naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%.

4. Bij brief van 18 januari 2000 heeft de verzekeraar van [gedaagde], destijds Tiel Utrecht Verzekeringen thans De Goudse Verzekeringen -de materiële procespartij in deze procedure-, de aansprakelijkheid voor het voorval erkend. Daarbij is tevens een eerste voorschot onder algemene titel ad f 5.000,- toegezegd en korte tijd later betaalbaar gesteld.

5. In het verdere schaderegelingstraject heeft de medisch adviseur van De Goudse Verzekeringen op 7 januari 2002, mede namens de advocaat van [eiseres], aan de deskundigen [betrokkene 1] (orthopedisch chirurg) en [betrokkene 2] (neuroloog) verzocht [eiseres] te onderzoeken en naar aanleiding daarvan te rapporteren over de bevindingen omtrent anamnese, onderzoek, diagnose, behandeling en het beloop.

[betrokkene 1] heeft op 29 april 2002 een rapport uitgebracht. Daarin staat met betrekking tot de door [eiseres] aangegeven klachten over de nek en de linkerarm -kort samengevat- dat bij onderzoek géén afwijkingen zijn gevonden en dat het gaat om een biomechanisch normale nek en linkerarm. [betrokkene 2] heeft op 26 april 2002 een rapport uitgebracht. In het zakelijk deel daarvan zijn onder meer de aan hem gestelde vragen beantwoord, als volgt:

Vraag 1

Betrokkene liep een contusieletsel op van de linkerarm en mogelijk ook van de nek als gevolg van rek. Voor het overige wil ik verwijzen naar mijn neurologische expertise.

Vraag 2

Bij onderzoek wordt hypertonie van de nekmusculatuur vastgesteld die ook lokaal drukpijnlijk is. Daarnaast zijn er anamnestisch aanwijzingen voor tondomyogene hoofdpijnklachten alsmede een angst en paniekstoornis, oorsuizen, concentratieproblemen en duizeligheid. Ten aanzien van de duizeligheid valt op te merken dat dit niet berust op centraal of perifeer vestibulaire afwijkingen. Ten tijde van de neurologische expertise werden geen aandacht- en concentratieschommelingen opgemerkt. In strikte zin kan alleen hypertonie worden vastgesteld alsmede lokale drukpijnlijkheid cervicaal. Mijns inziens moeten evenwel niet alleen dit fenomeen maar ook de tendomyogene hoofdpijn, de angst en paniekstoornis alsmede de ervaren concentratiestoornissen (een en ander berust zeer waarschijnlijk op interferentie als gevolg van pijn, bij lichamelijk onderzoek viel concentratie en aandachtstoornis niet op) in redelijkheid beschouwd worden als gevolg van bovengenoemd ongeval. Deze klachten zijn geheel anders dan de klachten die betrokkene heeft ervaren en nog immer ervaart als gevolg van haar chronisch vermoeidheidssyndroom.

Vraag 3

a. Bij betrokkene was er sprake van een chronisch vermoeidheidssyndroom preëxistent. Een en ander beperkte haar belastbaarheid met name op de dagen dat zij erg moe was.

b. Neen.

c. Neen.

Vraag 4

a. Ten aanzien van de ongevalsgevolgen bestaat er mijns inziens thans een relatieve eindtoestand. Het relatieve schuilt in het feit dat mijns inziens de tendomyogene klachten wellicht deels zouden kunnen worden bestreden in het kader van behandeling van chronische benigne pijn. Een en ander zal hooguit leiden tot een reductie van de klachten, maar zeker niet tot geheel verdwijnen hiervan.

b. Zie 4a. Een mogelijke optie zou, indien hiervoor geen contra indicaties bestaan, het gebruik van Tryptyzol kunnen zijn.

Vraag 5

a. Er is sprake van een blijvende functionele invaliditeit van 2%, een geheel gezond mens stellend op 100%. Een en ander is als volgt opgebouwd: 1% voor een post whiplash syndroom en 1% voor angst en paniekstoornis. Dit volgens de combinatietabel van de AMA guide en volgens de richtlijnen van de Nederlandse Vereniging voor Neurologie.

b. Neen.

Vraag 6

Zie de neurologische expertise.

Er zijn geen feitelijke neurologische beperkingen aan te geven. Betrokkene wordt weliswaar gehinderd in ADL en sociale activiteiten doch deze beperkingen hebben een subjectief karakter. De beperkingen bestaan vooral uit pijnklachten die ontstaan wanneer betrokkene bepaalde activiteiten voor een langere periode uitvoert. Er wordt hierbij een tastbare hypertonie vastgesteld, doch een objectieve neurologische basis is hiervoor niet aan te geven. Er is al met al geen sprake van een onmogelijkheid om bepaalde bewegingen of taken uit te voeren. Wel zal zij meer klachten ervaren wanneer zij met name de spiergroepen in de cervicale regio meer tonisch belast. De ervaren concentratiestoornissen zijn het gevolg van interferentie als gevolg van ervaren pijn.

6. Uit een overzicht van Thuiszorg Zuidwest Friesland te Bolsward blijkt dat [eiseres] in 1997 gedurende twee tijdvakken (tussen 7 en 25 april en tussen 25 november en 17 december) huishoudelijke hulp heeft gehad.

7. Namens De Goudse Verzekeringen heeft de heer [betrokkene 3] op de comparitie onder meer verklaard:

U vraagt mij naar het preciese standpunt van De Goudse over een aantal kwesties. Ik zeg u daarover het volgende. Afgaande op de expertise is er sprake van nekklachten bij mw. [eiseres]. De klachten kunnen in medische zin niet verklaard, geobjectiveerd worden. Op grond van wat verder uit de aan ons ter beschikking gestelde medische gegevens blijkt, waren die nekklachten er niet vóór de gebeurtenis in 1999. Hieraan voeg ik wel uitdrukkelijk toe dat de huidige nekklachten niet de gestelde beperkingen met zich brengen. Die vertaalslag kan op grond van het rapport van de neuroloog [betrokkene 2] niet gemaakt worden omdat daarin niet staat dat mw. [eiseres] bepaalde werkzaamheden of activiteiten niet mag doen.

Het geschil en de beoordeling daarvan

8. [eiseres] vordert de veroordeling van [gedaagde] tot betaling aan haar van een bedrag groot € 63.055,64 vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 28 augustus 1999 althans de door de rechtbank nader te bepalen datum/data daarvoor, onder aftrek van de verstrekte voorschotten ad € 3.630,24 en daarbij te bepalen dat de voorschotten allereerst in mindering komen op de rente en daarna pas op de hoofdsom, alsmede de veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure. Het bedrag van € 63.055,64 is het totaal van alle beweerdelijk geleden en te lijden materiële en immateriële schade als gevolg van het voorval, bestaande uit in totaal 13 posten waaronder die voor huishoudelijke hulp, schilderwerk, tuinonderhoud en schoonmaken kurkvloer. [eiseres] stelt dat zij weliswaar pre-existente klachten had waardoor zij geen loonvormende arbeid kon verrichten, maar door onder meer haar leef- en werktempo aan te passen was het nog wel goed mogelijk een normaal en zelfs een actief sociaal leven te leiden. De huishoudelijke werkzaamheden en onderhoudswerkzaamheden aan en om de woning deed zij in een aangepast tempo zelf, zo stelt [eiseres], maar dat is sinds het voorval niet of nauwelijks meer mogelijk vanwege toegenomen beperkingen die voortvloeien uit het letsel dat zij bij het voorval heeft opgelopen. [eiseres] baseert zich daartoe op het rapport van de neuroloog [betrokkene 2] waarin dat letsel is beschreven en overigens ook op de visie van haar behandelend artsen.

9. [gedaagde] (lees verder: De Goudse Verzekeringen, verkort aan te duiden als Goudse) heeft gemotiveerd verweer gevoerd waarop hierna verder zal worden ingegaan.

10. De kern van het verweer van Goudse ligt daarin dat zij het medisch causaal verband tussen het voorval en de door [eiseres] gestelde gezondheidsklachten betwist omdat de ingeschakelde deskundigen zouden hebben gerapporteerd dat bij [eiseres] geen sprake is van een klachtenpatroon als gevolg van het voorval.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Het is immers, zo volgt uit HR 8 juni 2001, NJ 2001, 433 bij de toepassing van artikel 6:98 BW niet vereist dat [eiseres] op de door haar gestelde gezondheidsklachten een medisch etiket plakt in die zin dat sprake is van objectiveerbare stoornissen en/of anatomische afwijkingen. Dat voor de klachten geen objectieve neurologische basis valt te geven, zoals staat in het rapport van de neuroloog [betrokkene 2], is derhalve niet beslissend. Het gaat niet om medische maar om juridische causaliteit. Voor het aanwezig zijn van dat laatste causaal verband gaat het erom of de klachten als zodanig daadwerkelijk bestaan en dat die mede gelet op de toedracht van het voorval daaraan redelijkerwijs kunnen worden toegeschreven. Dat volgt in voldoende mate uit laatstgenoemd rapport, ook als acht wordt geslagen op het beschrijvende deel daarvan waarin staat dat de karakteristieken van het klachtenpatroon van [eiseres] zeer wel passen bij een mild post whiplash syndroom waarbij het schudden bij het monsteren van het paard als de uitlokkende factor moet worden beschouwd. Ook is van belang dat dat klachtenpatroon volgens de deskundige ‘beduidend anders’ is dan de klachten waarmee [eiseres] vóór het voorval reeds bekend was. Het hiervoor overwogene ligt in wezen ook besloten in hetgeen Goudse op de comparitie heeft doen opmerken (zie onder 7) waarmee zij geacht moet worden haar verweer op dit onderdeel toen te hebben prijsgegeven.

11. Goudse heeft voorts aangevoerd dat door [eiseres] (nog) niet bewezen zou zijn dat haar pre-existente klachten, het voorval weggedacht, haar geen parten zouden hebben gespeeld. De rechtbank begrijpt dit verweer zo dat bepaalde kosten (huishoudelijke hulp, tuinonderhoud, schilderwerk), waarvoor [eiseres] nu vergoeding vordert, vanwege de pre-existente klachten in de toekomst óók zouden zijn ontstaan en daarom niet (volledig) voor rekening van Goudse kunnen worden gebracht. De rechtbank verwerpt ook dat verweer. Het is te speculatief. Er is geen enkele concrete aanwijzing die met de aard of het beloop van de vóór het voorval reeds bij [eiseres] bestaande aandoeningen in verband kan worden gebracht, dat haar gezondheidstoestand verder zou (kunnen) verslechteren. Die toestand was al matig en verhinderde dat [eiseres] loonvormende arbeid kon verrichten maar sloot desondanks niet uit dat zij -in haar eigen tempo- deel nam aan het leven van alle dag: haar huis en tuin onderhield, haar kinderen verzorgde, de huishouding deed. [eiseres] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij wat dat laatste betreft in 1997 slechts kortstondig en bij wijze van incident was aangewezen op professionele ondersteuning.

12. Voor de begroting van de door [eiseres] gevorderde schadevergoeding voor kosten van huishoudelijke hulp en anderszins kosten wegens verlies zelfwerkzaamheid (tuin, woning), die gelet op het hiervoor overwogene aan de orde moet komen, acht de rechtbank het noodzakelijk dat onderzoek plaatsvindt door een deskundige.

Die zal onder meer vast moeten stellen of en zo ja in welke omvang sprake is van beperkingen bij de activiteiten en werkzaamheden in de huishouding alsmede om/aan/in de woning van [eiseres], op grond van de in het rapport van de neuroloog [betrokkene 2] beschreven (pijn)klachten. Op de comparitie is dit reeds met de partijen besproken en zij hebben toen de gelegenheid gehad zich uit te laten over de keuze van een deskundige en de aan hem/haar te stellen vragen. De partijen hebben toen elk de voorkeur uitgesproken voor een andere deskundige zonder daarbij bezwaren te noemen tegen de benoeming tot deskundige van de persoon die de andere partij noemde. Daarmee is de keuze aan de rechtbank gelaten. Die zal zo worden ingevuld dat de arbeidsdeskundige Nohlmans, die zich intussen ook bereid heeft verklaard een deskundigenonderzoek te verrichten, tot deskundige zal worden benoemd. Aan de deskundige wordt de ruimte gelaten om, als hij dat nodig vindt voor het uitvoeren van zijn onderzoek, een aan zijn bureau verbonden medisch adviseur in te schakelen voor het opstellen van een belastbaarheidsprofiel.

13. [gedaagde] (Goudse) dient het voorschot op het loon en de kosten van de deskundige te betalen, nu aansprakelijkheid is gegeven en aannemelijk is dát de (pijn)klachten gevolgen (zullen) hebben voor de uitvoering van huishoudelijk werk en de zelfwerkzaamheid.

Aan de hand van de opgave van de deskundige wordt dat voorschot bepaald op € 4.000,- inclusief BTW.

14. Hoger beroep van dit vonnis is pas mogelijk tegelijk met dat van het eindvonnis. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden

De beslissing

De rechtbank,

beveelt een onderzoek door een deskundige ter beantwoording van de volgende vragen:

A. Kunt u bepalen, eventueel aan de hand van een door uw medisch adviseur op te stellen belastbaarheidsprofiel, of [eiseres] onderdelen van haar huishoudelijk werk niet meer kan verrichten louter als gevolg van de (pijn)klachten die zijn beschreven in het rapport van de neuroloog [betrokkene 2]? Zo ja, om welke werkzaamheden gaat het dan en wat is de daarbij passende behoefte aan huishoudelijke hulp?

B. Verhinderen dezelfde (pijn)klachten dat [eiseres] geen schilderwerkzaamheden aan haar woning meer verricht, haar tuin onderhoudt en de kurkvloer in haar woning schoonmaakt? Zo ja, wat kan zij precies niet meer doen, in welke omvang, en wat kost een adequate vervanging daarvoor?

C. Zijn er overigens nog opmerkingen die u van belang acht in verband met het antwoord op de gestelde vragen?

en benoemt tot deskundige om dit onderzoek te verrichten:

P.W.M. Nohlmans, registerarbeidsdeskundige, Terzet BV, postbus 313, 3830 AJ Leusden, telefoon 033-4320230,

bepaalt dat de griffier een afschrift van dit vonnis aan de deskundige zal toezenden,

bepaalt dat [gedaagde] (Goudse) als voorschot op de kosten van de deskundige € 4.000,- ter griffie van deze rechtbank dient te deponeren door dit bedrag over te maken op rekening nummer 19.23.00.717 ten name van Rechtbank Arnhem, postbus 9030, 6800 EM Arnhem, onder vermelding van het zaak- en rolnummer,

bepaalt dat de griffier onmiddellijk na betaling van dit voorschot de deskundige hiervan in kennis zal stellen en dat de deskundige pas dan met het onderzoek behoeft te beginnen,

bepaalt dat [eiseres] vóór twee weken na heden (kopieën van) de overige processtukken en – voor zover mogelijk – de andere door de deskundige noodzakelijk geachte stukken hem zal doen toekomen,

bepaalt dat de plaats en de tijd waar en wanneer de deskundige tot zijn onderzoek zal overgaan, zal worden vastgesteld door de deskundige in overleg met de raadslieden van de partijen,

bepaalt dat de deskundige een schriftelijk en ondertekend bericht zal inleveren ter griffie van deze rechtbank vóór 1 juli 2005,

bepaalt dat de deskundige tegelijk met dit schriftelijk bericht zijn declaratie ter griffie zal indienen onder vermelding van het rolnummer,

bepaalt dat de deskundige bij het onderzoek de partijen in de gelegenheid moet stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundige in het schriftelijk bericht moet doen blijken of aan dit voorschrift is voldaan, onder vermelding in dat bericht van de eventueel gemaakte opmerkingen en/of gedane verzoeken,

verwijst de zaak naar de rolzitting van 3 augustus 2005 voor het nemen van een conclusie na deskundigenbericht aan de zijde van [eiseres] of voor het vragen van vonnis,

verstaat dat hoger beroep van dit vonnis, behoudens het provisioneel deel daarvan, alleen mogelijk is tegelijk met dat van het eindvonnis,

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.T.G. Roovers en uitgesproken in het openbaar op woensdag 13 april 2005.

De griffier: De rechter: