Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2005:AT5891

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
13-04-2005
Datum publicatie
20-05-2005
Zaaknummer
117272
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering tot snoeien van overhangende beuken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 117272 / HA ZA 04-1576

Datum vonnis: 13 april 2005

Vonnis

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

procureur en advocaat mr. J.A.M.P. Keijser te Nijmegen,

tegen

1. [gedaagde 1],

2. [gedaagde 2],

beiden wonende te [woonplaats],

gedaagden in conventie,

procureur mr. F.J. Boom te Arnhem,

advocaat mr. E.D. van Tellingen te Apeldoorn.

Het verloop van de procedure

Voor het eerdere verloop van de procedure wordt verwezen naar het tussenvonnis van 3 november 2004. Daarin was ten onrechte niet vermeld dat [eiser] de zaak aanvankelijk had aangebracht bij de sector kanton van deze rechtbank, waarna de kantonrechter zich bij vonnis van 30 juli 2004 onbevoegd heeft verklaard en de zaak heeft verwezen naar de civiele sector van deze rechtbank. De ingevolge het vonnis van 3 november 2004 gehouden comparitie van partijen ter plaatse, waarvan het proces-verbaal zich bij de stukken bevindt, heeft niet tot overeenstemming geleid. Bij die gelegenheid heeft [eiser] in reconventie voor antwoord geconcludeerd, nadat hij eerder nog bij akte zijn eis had aangevuld. Vervolgens hebben de partijen ieder bij akte na comparitie van hun standpunt doen blijken, waarna vonnis is bepaald.

De vaststaande feiten

1.1 De partijen zijn buren. [eiser] woont sinds 30 jaar aan de [adres] te [woonplaats]. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn daar in 1995 komen wonen. Hun woning is onder de woning van [eiser] gelegen aan de [adres] op nummer [nummer].

1.2 Boven in de tuin van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] staan aan de zuidzijde nabij de erfgrens met het perceel van [eiser] een vijftal oude beuken van ongeveer 30 meter hoogte. De middelste beuk heeft op een hoogte van ongeveer 4 meter een zogenaamde stamscheut, die overhangt in de richting van de woning van [eiser]. Diens woning staat op een afstand van 2.50 meter van de erfgrens.

1.3 [eiser] heeft op 5 juli 2000 aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] onder meer geschreven dat hij zich zorgen maakt over de weer uitschietende beuken en de daarmee gepaard gaande overlast door vallend blad e.d. en mogelijke aantasting van zijn woning. Verder meent hij dat de stam van de middelste beuk dreigt te splijten met alle gevaar van dien voor de woning. [eiser] schrijft dat hij een zodanig onderhoud verlangt dat hij van overlast door de beuken gevrijwaard zal zijn.

1.4 In mei 2001 hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de beuken laten snoeien door [betrokkene 1] te [woonplaats]. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben geweigerd verdere snoei te laten uitvoeren, die [eiser] van hen verlangde. Volgens hen zouden de bomen daardoor onnodig worden aangetast. Zij hebben [eiser] dit bij brieven 3 augustus en 9 oktober 2001 bevestigd en hem aansprakelijk gesteld voor ten gevolge van door hemzelf verder uit te voeren verdere snoei aan de beuken toe te brengen schade.

1.5 Op verzoek van [eiser] is de middelste beuk onderzocht door Foreest Groen Consult (ir. [betrokkene 2]), die op 16 juli 2002 heeft gerapporteerd. Het advies luidde twee stormankers in de kroon te plaatsen. Na het aanbrengen van de ankers zou de boom nog ongeveer tien jaar veilig kunnen blijven staan. Deze deskundige achtte het raadzaam de boom periodiek visueel te inspecteren en indien noodzakelijk opnieuw met apparatuur te onderzoeken.

1.6 In het najaar van 2002 heeft [eiser] zelf een grote snoei van de beuken laten uitvoeren door Koerselman Boomverzorging te Borculo. Toen zijn twee stormankers geplaatst en is ook de stam van één van de beuken met jute omwikkeld. In juni 2003 is wederom jute aangebracht. Ten slotte is in april 2004 in opdracht van [eiser] nogmaals gesnoeid.

1.7 [gedaagde 1] heeft BTL Bomendienst B.V. ([betrokkene 3]) de beuken op 8 oktober 2004 laten opnemen. Eerder had BTL de bomen in het najaar van 2001 op verzoek van de gemeente [woonplaats] beoordeeld. Op 14 oktober 2004 is gerapporteerd. De conclusie luidt dat een forse snoeiingreep heeft plaatsgevonden en dat daardoor aan vier beuken schade is toegebracht door kroonreductie en een verminderde levensverwachting. Inclusief aanvullende maatregelen wordt de schade begroot op € 7.218,00 inclusief omzetbelasting.

Het geschil in conventie en reconventie

2. Na de aanvulling en vermindering van eis tijdens de comparitie vordert [eiser] - enigszins verkort weergegeven - de veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2], aldus dat door de prestatie van de één de ander zal zijn bevrijd, binnen vier weken na het te wijzen vonnis al hetgeen dat van hun beuken langs de grens met zijn perceel overhangt te (doen of laten) snoeien (1), dit vervolgens elk jaar in oktober op zijn eerste vordering binnen twee weken bij opnieuw overhangende takken te herhalen (2), binnen vier weken na het te wijzen vonnis de op zijn perceel overhangende stamscheut van de middelste van de vijf beuken (te doen of laten) kappen (3), op zijn eerste vordering binnen vijf dagen in de periode november-mei van elk jaar eenmaal per maand al het beukenblad c.a. van zijn erf en tuin te verwijderen, alsmede daken en goten daarvan en van gevormd mos te schonen (4), dit alles telkens op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag, subsidiair voor het geval [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aan de veroordelingen niet voldoen met machtiging voor [eiser] daarvoor zelf op kosten van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zorg te (laten) dragen, meer subsidiair jaarlijks aan hem te betalen € 3.000,00 als vergoeding van de kosten van regelmatig snoeien en van het afvoeren van blad en andere materialen. Ten slotte vordert [eiser] hun veroordeling aan hem te betalen

€ 3.232,05 met rente en kosten (5).

[eiser] legt aan zijn vorderingen de vaststaande feiten ten grondslag. Hij stelt dat de beuken ongecontroleerd zijn gegroeid, waardoor deze over en op zijn huis hun zware takken en lover laten hangen. Daardoor ondervindt hij onduldbare overlast door jaarlijks vallend blad, bladschellen, beukennootjes en -bolsters en dode takken. Daardoor wordt zijn woning aan een voortdurende vochtinwerking blootgesteld. [eiser] is bereid de beuken te gedogen, waarbij dan wel de over zijn huis en erf hangende stamscheut dient te worden gekapt zowel om het gevaar van splijting af te wenden als de hoeveelheid vallend blad etc. te beperken. De beuken mogen verder niet boven zijn erf overhangen en op voorwaarde dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hem van schade en overlast vrijwaren. Daarom zijn zij gehouden al het blad en dergelijke zoals gevorderd periodiek weg te halen. Het gevorderde bedrag betreft tot de dag van de dagvaarding gemaakte snoeikosten.

3. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren gemotiveerd verweer. Onder meer beroepen zij zich op verjaring. Verder menen zij dat de beuken het bij verdere snoei niet zullen redden, althans ernstig zullen worden aangetast. [eiser] heeft weliswaar op grond van artikel 5: 44 BW het recht overhangende takken te verwijderen, maar door dat te doen heeft [eiser] misbruik van dat recht gemaakt. Hij heeft jegens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] onrechtmatig gehandeld door de beuken verder te snoeien dan zij zelf hadden gedaan. De daardoor ontstane schade bedraagt overeenkomstig de taxatie van BTL inclusief de kosten van de rapportage ad € 425,00, € 7.643,00.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] vorderen in reconventie een verklaring voor recht dat het recht verwijdering van overhangende takken dan wel het recht om te snoeien ex artikel 5:44 BW is verjaard. Verder verlangen zij dat [eiser] wordt verboden, behoudens in het geval dat hij gebruik maakt van de boomzager van de gemeente [woonplaats] en deze snoei of verwijdering geen aantasting van de beuken en hun levensvatbaarheid acht, de overhangende takken te doen snoeien of anderszins handelingen te verrichten die de levensvatbaarheid van de beuken kunnen beïnvloeden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van

€ 1.000,00 voor elke handeling in strijd daarmee. Ook vorderen zij [eiser] te veroordelen aan hen te betalen € 7.643,00 met rente en kosten.

In reconventie voert [eiser] op zijn beurt gemotiveerd verweer.

De beoordeling van het geschil

4. Het beroep van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] op verjaring op grond van het bepaalde in artikel 3: 306 in verband met artikel 3: 314 BW wordt verworpen. De bevoegdheid tot eigenmachtig snoeien na aanmaning, die niet vatbaar is voor verjaring, valt niet te rijmen met de verjaring van een vordering dat door de wederpartij te laten doen. Bovendien is de enkele veronderstelling bij gebrek aan wetenschap dat [eiser] gedurende de 30 jaar dat hij ter plaatse woont nooit concreet over de beuken heeft geklaagd, onvoldoende voor de conclusie dat hij in die periode overlast heeft gehad van overhangende takken, waarvan hij nu de verwijdering verlangt. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben voor een beroep op verjaring, indien aangenomen zou kunnen worden dat dit mogelijk was, dan ook te weinig gesteld.

5. Tijdens de comparitie van partijen is besproken dat voor een betere beoordeling een deskundigenbericht gewenst is. In aansluiting daarop hebben de partijen zich uitgelaten over de aan een deskundige te stellen vragen. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben zich ook uitgelaten over de persoon van de te benoemen deskundige, [eiser] heeft dat niet gedaan.

6. De rechtbank heeft vervolgens ambtshalve de heer A.H. van der Weide, verbonden aan Copijn Utrecht B.V. te Utrecht benaderd, die zich desgevraagd bereid heeft verklaard een benoeming als deskundige te aanvaarden. Overeenkomstig zijn opgave zal het voorschot op zijn kosten en honorarium worden bepaald op € 2.000,00 inclusief omzetbelasting, waarvan iedere partij de helft dient te deponeren. De door de partijen voorgestelde vragen geven aanleiding de hierna weer te geven vragen aan de deskundige ter beantwoording voor te leggen. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat het vanaf de openbare weg gezien om de eerste vier beuken gaat. [eiser] heeft immers tijdens de comparitie verklaard dat de vijfde beuk niet zozeer het probleem is. Het verdient nog aantekening dat het niet op de weg van de deskundige ligt te beoordelen of een huis onder de beuken normaal is, zoals [eiser] zich afvraagt.

7. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden. De mogelijkheid van dit vonnis afzonderlijk in hoger beroep te komen is beperkt.

De beslissing

de rechtbank,

in conventie en in reconventie

beveelt een onderzoek door een deskundige ter beantwoording van de volgende vragen:

1. Hoe beoordeelt u op dit moment de vitaliteit en levensvatbaarheid

van de in geschil zijnde beuken? Kunt u in dit verband de levensverwachting van ieder van de beuken aangeven?

2. Waren de door [eiser] uitgevoerde snoeibeurten (in 2002, 2003 en

2004) verantwoord? Zo nee, waarom niet? Is door deze snoeibeurten de conditie van de beuken aangetast en in het bevestigende geval in hoeverre? Wat betekent dat in het bijzonder voor de levensverwachting van de bomen?

3. Is door de snoeibeurten door [eiser] de waarde van de beuken

verminderd? Zo ja, wilt u de waardevermindering gestaafd door een gemotiveerde toelichting begroten?

4. Welk onderhoud door snoeien of anderszins met inachtneming

van welke termijnen acht u gewenst en verantwoord in het belang van de beuken? Wilt u daar bij betrekken de belangen van de beide partijen en het belang dat door de aanwezigheid van de bomen wordt gediend?

5. Is de beuk met de stamscheut ziek? Zo ja, waardoor is de door u

geconstateerde ziekte veroorzaakt? Moet worden gevreesd voor het splijten van de stam bij het begin van de stamscheut? Zijn er in het bevestigende geval aanvullende maatregelen nodig om splijting te voorkomen en/of genezing van de boom te bevorderen? Valt en zo ja in hoeverre verlenging van de levensduur van deze beuk daardoor te bereiken?

6. welke feiten en omstandigheden zijn nog van belang voor een

goed begrip van de zaak?

benoemt tot deskundige om dit onderzoek te verrichten:

de heer A.H. van der Weide, boomtechnisch adviseur/geregistreerd bomentaxateur, Copijn Utrecht B.V., afdeling boomspecialisten, Postbus 9177, 3506 GD Utrecht, telefoon 030-2644333, 06-27061527, fax 030-2612140, e-mail: albert@copijn.nl,

bepaalt dat de griffier een kopie van dit vonnis aan de deskundige zal toezenden,

bepaalt dat [eiser] vóór 1 mei 2005 (kopieën van) de overige processtukken en - voor zover mogelijk - de andere door de deskundige noodzakelijk geachte stukken aan de deskundige zal doen toekomen,

bepaalt dat de partijen ieder vóór 1 mei 2005 als voorschot op de kosten van de deskundige € 1.000,00 inclusief omzetbelasting ter griffie van deze rechtbank dienen te deponeren door dit bedrag over te maken op rekeningnummer 19.23.00.717 ten name van Rechtbank Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem, onder vermelding van het zaak- en rolnummer,

bepaalt dat de griffier onmiddellijk na betaling van de voorschotten de deskundige hiervan in kennis zal stellen en dat de deskundige pas dan met het onderzoek behoeft te beginnen,

bepaalt dat de deskundige zich met vragen over het onderzoek kan wenden tot de rechter mr. D. van Driel van Wageningen, telefoon 026-3592773, fax 026-3592545,

bepaalt dat de plaats en de tijd waar en wanneer de deskundige tot het onderzoek zal overgaan, zullen worden vastgesteld door de deskundige in overleg met de raadslieden van de partijen,

bepaalt dat de deskundige een schriftelijk en ondertekend bericht zal inleveren ter griffie van deze rechtbank vóór 1 juli 2005,

bepaalt dat de deskundige tegelijk met dit schriftelijk bericht zijn declaratie ter griffie zal indienen onder vermelding van het zaak- en rolnummer,

bepaalt dat de deskundige bij het onderzoek de partijen in de gelegenheid moet stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundige in het schriftelijk bericht moet doen blijken of aan dit voorschrift is voldaan, onder vermelding in dat bericht van de eventueel gemaakte opmerkingen en/of gedane verzoeken,

verwijst de zaak naar de vierde rolzitting na ontvangst van het deskundigenbericht voor het nemen van een conclusie na deskundigenbericht aan de zijde van [eiser] of voor bepaling datum vonnis,

verstaat dat hoger beroep van dit vonnis, behoudens het provisionele deel ervan, alleen mogelijk is tegelijk met het eindvonnis,

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. D. van Driel van Wageningen en uitgesproken in het openbaar op 13 april 2005.

de griffier de rechter