Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2005:AT5876

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
20-04-2005
Datum publicatie
20-05-2005
Zaaknummer
05/993026-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing beroep op de inkeerbepaling van artikel 69, lid 3 van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2005, 308
FutD 2005-1054
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK Arnhem

Sector strafrecht

Politierechter

Parketnummer : 05/993026-03

Data zitting : 27 september 2004 en 4 april 2005

Datum uitspraak : 18 april 2005

VERKORT VONNIS

TEGENSPRAAK

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen

naam : [verdachte]

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats],

Raadsman: mr. J.H. Sligchers, advocaat te Maastricht.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van

27 februari 1998 tot en met 24 januari 2003 (telkens) te Maastricht en/of

(elders) in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer

ander(en), althans alleen, (telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet

voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen,

te weten (een) aangifte(n) voor de omzetbelasting ten name van [naam] over de maand januari 1998 tot en met het

vierde kwartaal van 2002, althans over een of meerdere tijdvak(ken) gelegen in

de/het jaar/jaren 1998 en/of 1999 en/of 2000 en/of 2001 en/of 2002, (telkens)

onjuist en/of onvolledig heeft gedaan en/of heeft doen of laten doen,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) opzettelijk op

het/de bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Maastricht

ingeleverde aangiftebiljet(ten)/aangifte(n) omzetbelasting ten name van [naam] over genoemd(e) tijdvak(ken) (telkens)

een te laag belastbaar bedrag, althans (telkens) een te laag bedrag aan

belasting opgegeven en/of doen of laten opgeven, terwijl dat feit (telkens) er

toe strekte dat te weinig belasting werd geheven;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde betekenis is

gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

2.

hij op of omstreeks 10 november 1999 en/of op of omstreeks 13 september 2000

en/of op of omstreeks 16 augustus 2001 en/of op of omstreeks 19 december 2002

(telkens) te Maastricht en/of (elders) in Nederland, (telkens) tezamen en in

vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, (telkens) opzettelijk

(een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene

wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) voor de

inkomstenbelasting ten name van [verdachte] over de/het jaar/jaren 1998

en/of 1999 en/of 2000 en/of 2001, (telkens) onjuist en/of onvolledig heeft

gedaan en/of heeft doen of laten doen,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) opzettelijk op

het/de bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Maastricht

ingeleverde aangiftebiljet(ten)/aangifte(n) inkomstenbelasting ten name van

[verdachte] over genoemd(e) jaar/jaren (telkens) een te laag bedrag aan

winst uit onderneming en/of inkomsten, althans een te laag belastbaar

bedrag/een te laag bedrag aan belasting opgegeven en/of doen of laten opgeven,

terwijl dat feit (telkens) er toe strekte dat te weinig belasting werd geheven;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde betekenis is

gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 27 september 2004 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte niet verschenen. De raadsman van verdachte, mr. J.H. Sligchers, advocaat te Maastricht, heeft hierbij verklaard uitdrukkelijk te zijn gemachtigd om hem ter terechtzitting te vertegenwoordigen.

Op 27 september 2004 is de behandeling van de zaak aangehouden voor het horen van getuigen.

Op 04 april 2005 vond de vervolgzitting plaats. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. J.H. Sligchers, advocaat te Maastricht.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 200 uur, subsidiair 100 dagen vervangende hechtenis en een geldboete ten bedrage van € 20.000,-, subsidiair 235 dagen vervangende hechtenis.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

2a. De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

De raadsman heeft een aantal verweren gevoerd. De politierechter overweegt ten aanzien van de genoemde verweren als volgt.

A) De inkeerbepaling van artikel 69, lid 3 Algemene Wet inzake Rijksbelastingen

De raadsman van verdachte heeft betoogd dat het recht tot strafvervolging is vervallen nu verdachte alsnog een juiste en volledige aangifte heeft gedaan, althans alsnog juiste en volledige inlichtingen heeft verstrekt in de zin van artikel 69, lid 3 van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (hierna: AWR). Conform het vereiste in artikel 69, lid 3 AWR is verdachte tot inkeer gekomen voordat verdachte wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat de belastingsdienst en/of FIOD-ECD bekend was of zou gaan worden met de onjuistheid van de aangiften, aldus de raadsman.

De politierechter overweegt als volgt.

Uit een lopend strafrechtelijk onderzoek gericht tegen respectievelijk de [naam] (hierna: [naam] BV) en tegen J.R.H. [naam] (hierna: [naam]) is naar voren gekomen dat [naam] onder de naam [naam] aan de verswinkelbranche (slagerijen, bakkerijen, groente- en fruit) een softwarepakket (genaamd [naam]) heeft geleverd voor weegschalen. Met dit softwareprogramma konden dagomzetten worden verlaagd tot maximaal 49%. Naast valsheid in geschrift ontstond bij de FIOD-ECD het vermoeden van belastingfraude bij die ondernemers die volgens de bij [naam] inbeslaggenomen afnemerslijst de geactiveerde omzetafroommodule hadden aangeschaft.

In overleg met de officier van justitie is vervolgens besloten om op basis van een geselecteerde lijst ondernemers te bezoeken die het softwarepakket met de speciale afroomfunctie hadden aangeschaft en deze ondernemers te verzoeken of op vrijwillige basis een image gemaakt kon worden van het programma, dan wel uitlevering van de computer te vorderen op grond van artikel 81 AWR.

In genoemd opsporingsonderzoek tegen [naam] BV en [naam] was naar voren gekomen dat ook [naam] BV het softwarepakket [naam] gekocht zou hebben van [naam]. En op donderdag 30 januari 2003 hebben de FIOD-ECD-medewerkers [namen] een bezoek gebracht aan [naam] BV te Hoensbroek. Op genoemd adres zijn de FIOD-ECD-medewerkers te woord gestaan door, in eerste instantie, [getuige 1] en, later, [getuige 2]. Over dat bezoek staat naar het oordeel van de politierechter het volgende vast.

1) Uit vooraf verkregen informatie, afkomstig van de FIOD-ECD te Arnhem, bleek de bezoekende FIOD-ECD-medewerkers dat er gebruik was gemaakt van software waarmee mogelijk niet de gehele omzet zou zijn verantwoord in de financiële administratie. Er was kortom reeds een vermoeden dat er zou zijn gefraudeerd.

2) De door de FIOD-ECD-medewerkers vooraf verkregen informatie is tijdens het bezoek aan [naam] BV op 30 januari 2003 doorgegeven aan de getuigen [getuige 1] en [getuige 2]. Dit wordt bevestigd door de getuige [getuige 1] die immers heeft verklaard dat de FIOD-ECD op zoek was naar bepaalde software waarmee kon worden gemanipuleerd.

3) Om problemen over een mogelijke sfeerovergang te voorkomen tussen controle en opsporing is zowel aan de getuige [getuige 1] als ook de getuige [getuige 2] de cautie gegeven, waarbij de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] is meegedeeld dat zij als verdachten zouden worden aangemerkt indien zou blijken dat [naam] B.V. zou werken met het softwarepakket [naam] en dat in dat geval de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] het recht hadden om te zwijgen op vragen die zouden worden gesteld. Het geven van de cautie wordt weliswaar ontkend door de getuigen [getuige 1] en [getuige 2], maar de politierechter heeft geen reden te twijfelen aan het waarheidsgehalte van de op ambtseed afgelegde verklaringen van de betreffende verbalisanten.

Dat het bezoek in het teken heeft gestaan van een ‘derdenonderzoek’, zoals de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] hebben aangeven, of een ‘reguliere belastingcontrole’, zoals verdachte heeft aangegeven komt de politierechter op grond van bovenstaande feiten en omstandigheden dan ook niet geloofwaardig over. Over de geloofwaardigheid van de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] overweegt de politierechter verder als volgt.

4) Getuige [getuige 1] kende het softwareprogramma [naam] en wist ook dat de FIOD-ECD daarnaar op zoek was. Uit de verklaringen van onder meer verdachte was [getuige 1] degene die de afroomfunctie bediende en daarvoor contact had met de franchisers. Niettemin werd de informatie over de aanwezigheid van het programma niet spontaan gegeven door de getuige [getuige 1]. In eerste instantie konden de verbalisanten het softwareprogramma [naam] niet vinden. Er is doorgezocht en doorgevraagd, waarbij door getuige [getuige 1] aanvankelijk zelfs is ontkend dat een dergelijk softwareprogramma werd gebruikt.

5) Over het reeds in gang gezette afbouwen - zoals is beweerd door de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] en verdachte - van het afromen volgt uit de verklaringen van de franchisers, de gemaakte uitdraaien afkomstig van het softwareprogramma [naam] en de door de FIOD-ECD gemaakte nadeelberekeningen, betreffende onder meer verdachte, dat na de overgang van de gulden naar de euro het afroombedrag bij alle franchisers is gestegen, althans gelijk is gebleven. Daarnaast blijkt uit de verklaringen dat men (waaronder verdachte) is blijven afromen met dezelfde bedragen tot het moment van het bezoek van de FIOD-ECD op 30 januari 2003. Van het reeds in gang gezette traject van afbouwen is naar het oordeel van de politierechter dan ook niet gebleken.

6) De getuigen [getuige 1], [getuige 2] en verdachte hebben voorts gesteld dat het softwaresysteem [naam] niet te kraken zou zijn. Kennelijk doelen de getuigen en verdachte met dit laatste op het aspect dat zonder een succesvolle ‘kraak’ van het softwareprogramma [naam] de belastingdelicten niet bekend zouden gaan worden bij de FIOD-ECD. Daardoor zou, in de visie van de raadsman van verdachte, met recht een beroep gedaan kunnen worden op de inkeerbepaling van artikel 69, lid 3 AWR. Te meer nu het bezoek van de FIOD-ECD in de ogen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] aangemerkt diende te worden als een ‘derdenonderzoek’. Deze omstandigheden, gecombineerd met het bezoek van de FIOD-ECD op 30 januari 2003 hebben er volgens de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] toe geleid schoon schip te gaan maken.

Ten aanzien van het ‘kraken’ volgt naar het oordeel van de politierechter volgt uit de ambtshandelingen dat de van de weegschalen ontvangen bestanden niet werden aangepast, maar werden opgeslagen in een apart bestand (AnArt.bst.). Alleen de cijfers op de dagoverzichten waren aangepast (afgeroomd). Verder vormden de omzetgegevens op de dagoverzichten de basis voor het boeken van de omzet in de kasadministratie. Met behulp van een speciaal computerprogramma (ACL) heeft de FIOD-ECD door bestandsvergelijking (Anart.bst. (= omzetgegevens per dag) en Antot.bst. (= omzet na afroming per dag opgeslagen) de juiste omzetcijfers zichtbaar kunnen maken. Het is dus niet nodig geweest het wachtwoord van het softwareprogramma [naam] te kraken.

7) Ten slotte wijst de politierechter op de verklaring van de getuige [getuige 3] die heeft aangegeven dat de getuigen [getuige 2] en [getuige 1] hebben verteld dat het fout zat en dat de FIOD-ECD de informatie wel uit de computers zou verkrijgen. Dit waren voor de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] argumenten om zelf de fiscus dan maar in te lichten, zodat ook de naam van het bedrijf [getuige 2] in een goed daglicht zou blijven staan.

Uit vorenstaande feiten en omstandigheden volgt naar het oordeel van de politierechter dat de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] en verdachte wisten, althans redelijkerwijs moesten vermoeden, dat de (mede) door hen begane belastingdelicten bekend zouden gaan worden bij de belastingdienst en/of FIOD-ECD. De politierechter overweegt over het vermoeden verder nog dat een dergelijk vermoeden ook aan getuigen en verdachte kan worden toegedicht indien een reeds ingesteld opsporingsonderzoek nog niet concreet op getuigen was gericht – wat in deze zaak het geval was -, maar het gelet op de strekking en de reikwijdte ervan wel duidelijk is dat getuigen en verdachte daarbinnen zouden vallen. En daarvan was in deze zaak eveneens sprake. De verklaring van verdachte dat na het bezoek spontaan is besloten tot inkeer acht de politierechter dan ook niet geloofwaardig.

Het verweer tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie wordt daarom verworpen.

B) Rechtstreekse werking van de inkeerregeling als bedoeld in onder meer het Draaiboek Rekeningenproject

De raadsman van verdachte doet een beroep op de rechtstreekse werking van de inkeerregeling, opgenomen in onder meer het Draaiboek Rekeningenproject, dat is vastgesteld voor de KB-LUX-zaken. De politierechter acht geen gronden aanwezig om de betreffende regelingen eveneens van toepassing te verklaren op deze zaak nu in de eerste plaats deze regelingen specifiek van toepassing is verklaard op de KB-LUX-zaken en andersoortige zaken en voorts ook de wet geen grondslag biedt om de regelingen in deze zaak van toepassing te verklaren nu geen sprake is van recht in de zin van artikel 99 van de Wet op de rechterlijke organisatie. Het verweer wordt daarom verworpen.

C) Strijd met het gelijkheidsbeginsel en/of het verbod van willekeur

De raadsman van verdachte stelt dat, indien verdachte geen beroep kan doen op de inkeerregeling zoals bedoeld in onder meer het Draaiboek Rekeningenproject, de beleidsregelgever - waarmee naar de politierechter begrijpt ook het openbaar ministerie wordt bedoeld – het gelijkheidsbeginsel dan wel het verbod van willekeur heeft geschonden. De politierechter overweegt als volgt.

Het gelijkheidsbeginsel verwijst naar de eis van gelijke behandeling van vergelijkbare gevallen. Naar het oordeel van de politierechter is niet aannemelijk geworden dat deze zaak een vergelijkbaar geval betreft als die zaken die worden berecht in de KB-LUX-affaire.

Over het verbod van willekeur overweegt de politierechter dat naar zijn oordeel de officier van justitie bij het vervolgen van verdachte gebruik heeft gemaakt van de haar toekomende beoordelings- en beleidsvrijheid en acht de politierechter niet aannemelijk geworden dat de officier van justitie van deze vrijheden naar willekeur gebruikt heeft gemaakt.

Het verweer van de raadsman wordt daarom verworpen.

D) Vervolging in strijd met de ne bis in idem bepaling van artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht

De raadsman van verdachte heeft betoogd dat verdachte wordt vervolgd voor hetzelfde feit als bedoeld in artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Immers, verdachte wordt vervolgd voor belastingfraude met omzetbelasting en inkomstenbelasting, terwijl over de loonheffing, naar de politierechter begrijpt, een fiscale boete opgelegd gaat worden, althans is opgelegd. Door de raadsman is niet nader geadstrueerd en geconcretiseerd op grond van welke feiten en omstandigheden er strijd zou zijn met het bepaalde van artikel 68 Sr. Dat over de afgedragen loonheffing een fiscale boete is of wordt opgelegd acht de politierechter onvoldoende grond om te komen tot het oordeel dat wordt vervolgd in strijd met het bepaalde van artikel 68 Sr.

Dit verweer wordt op die grond verworpen.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De politierechter acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

1.

hij op tijdstippen gelegen in de periode van

27 februari 1998 tot en met 24 januari 2003 telkens te Maastricht telkens tezamen en in vereniging met een of meer

ander(en), telkens opzettelijk bij de Belastingwet

voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen,

te weten aangiften voor de omzetbelasting ten name van [naam] over de maand januari 1998 tot en met het

vierde kwartaal van 2002, althans over de jaren 1998 en 1999 en 2000 en 2001 en 2002, telkens

onjuist en onvolledig heeft gedaan,

immers hebben verdachte en zijn mededaders telkens opzettelijk op

de bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Maastricht

ingeleverde aangiftebiljetten/aangiften omzetbelasting ten name van [naam] over genoemde tijdvakken telkens

een te laag belastbaar bedrag opgegeven, terwijl dat feit telkens er

toe strekte dat te weinig belasting werd geheven;

2.

hij op 10 november 1999 en op 13 september 2000

en op 16 augustus 2001 en op 19 december 2002

telkens te Maastricht telkens

alleen, telkens opzettelijk bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene

wet inzake rijksbelastingen, te weten aangiften voor de

inkomstenbelasting ten name van [verdachte] over de jaren 1998

en1999 en 2000 en 2001, telkens onjuist en onvolledig heeft

gedaan

immers heeft verdachte telkens opzettelijk op de bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Maastricht

ingeleverde aangiftebiljetten/aangiften inkomstenbelasting ten name van

[verdachte] over genoemde jaren (telkens) een te laag bedrag aan

winst uit onderneming of inkomsten, althans een te laag belastbaar

bedrag opgegeven

terwijl dat feit (telkens) er toe strekte dat te weinig belasting werd geheven;

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

T.a.v. feit 1:

Het medeplegen van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.

T.a.v. feit 2:

Opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.

De feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid of feit aannemelijk geworden waardoor de strafbaarheid van verdachte wordt opgeheven of uitgesloten. Verdachte is dus strafbaar.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de politierechter rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan;

- de persoon en de persoonlijke en financiële omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 10 maart 2005.

De politierechter overweegt daarnaast nog het navolgende.

Verdachte heeft uit winstbejag gedurende een periode van vijf jaren doelbewust onvolledige en onjuiste gegevens vermeld op de belastingaangifteformulieren aangaande zowel de omzet- als de inkomstenbelasting. Tengevolge van dit handelen is gedurende voornoemde lange periode te weinig belasting geheven en heeft verdachte zich ten koste van de Staat der Nederlanden ongerechtvaardigd verrijkt.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen oordeelt de politierechter dat voor de afdoening van de onderhavige zaak een forse geldboete en een werkstraf passend is. Die geldboete zal als stok achter de deur deels in voorwaardelijke vorm worden opgelegd gedurende de proeftijd.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is, behalve op de hiervoor genoemde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen Wetboek van Strafrecht: art. 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 23, 24, 24c, 47, 51, 57 en 91.

Algemene Wet inzake Rijksbelastingen: art. 69 en 72.

8. De beslissing

De politierechter, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot:

het verrichten van een werkstraf gedurende 150 (honderdvijftig) uren.

Bepaalt dat deze werkstraf binnen één (1) jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden voltooid.

Bepaalt voorts dat de termijn binnen welke de werkstraf moet worden verricht, wordt verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen alsmede met de tijd dat hij zich aan zodanige vrijheidsontneming heeft onttrokken.

Beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast.

Stelt deze vervangende hechtenis vast op 75 (vijfenzeventig ) dagen.

En voorts tot:

een betaling van een geldboete te bedrage van € 20.000,-(twintigduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door de duur van 235 dagen hechtenis.

Bepaalt dat van deze geldboete € 10.000,- (tienduizend euro) subsidiair 185 dagen hechtenis niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De politierechter stelt een proeftijd vast van twee (2) jaren. De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het eind van de proeftijd heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

Aldus gewezen door:

mr. M. Jurgens, rechter, als politierechter,

in tegenwoordigheid van mr. B. Tiemens, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze politierechter op 18 april 2005.