Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2005:AT5596

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
06-04-2005
Datum publicatie
17-05-2005
Zaaknummer
99785
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De vraag die moet worden beantwoord is of het letsel zoals eiser dat bij de vechtpartij heeft opgelopen als een gevolg van de onrechtmatige gedragingen van gedaagde 3 en gedaagde 4 aan hen is toe te rekenen. Eiser heeft zijn vordering tegen beiden onder andere gebaseerd op art. 6:166 BW. Bij de beoordeling moet worden vooropgesteld dat de aansprakelijkheid van art. 6:166 berust op de deelneming aan gedragingen in groepsverband, waarvan de kans op het aldus toebrengen van schade - zoals hier is geschied - de deelnemers had behoren te weerhouden van het deelnemen aan die gedragingen in dat groepsverband.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2005, 389
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 99785 / HA ZA 03-787

Datum vonnis: 6 april 2005

Vonnis

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur mr. P.C. Plochg,

advocaat mr. C.A.M. Luttikhuis te Enschede,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MUZIEKKELDER ARNHEM B.V.,

gevestigd te Arnhem,

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats],

3. [gedaagde 3],

wonende te [woonplaats],

4. [gedaagde 4],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

procureur mr. J.C.N.B. Kaal,

advocaat mr. H.W. Gierman te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eiser], Muziekkelder Arnhem B.V., [gedaagde 2], [gedaagde 3] respectievelijk [gedaagde 4] worden genoemd. De gedaagden zullen daarnaast gezamenlijk worden aangeduid met Muziekkelder Arnhem B.V. c.s.

Het verloop van de procedure

Dit verloop blijkt uit:

- het tussenvonnis van 26 november 2003;

- het proces-verbaal van de rolverwijzing na niet gehouden enquête;

- een akteverzoek van de zijde van [eiser];

- een akteverzoek van de zijde van Muziekkelder Arnhem B.V. c.s.;

- een akteverzoek van de zijde van [eiser] en

- een akteverzoek van de zijde van Muziekkelder Arnhem B.V. c.s..

Ten slotte is vonnis bepaald.

De verdere beoordeling

In het vonnis van 26 november 2003 is aan [eiser] opgedragen te bewijzen feiten en omstandigheden waaruit voortvloeit dat zijn schade een gevolg is van het onrechtmatig handelen jegens hem van [gedaagde 2], [gedaagde 3] en/of [gedaagde 4], dan wel van een handeling of feit waarvoor dezen rechtens aansprakelijk zijn, alsmede dat de Muziekkelder Arnhem B.V. voor dit handelen of dit feit medeaansprakelijk is.

Van het daartoe bepaalde getuigenverhoor is namens [eiser] afgezien. In plaats daarvan beroept hij zich op de dwingende bewijskracht van de onherroepelijke uitspraken van de strafrechter in de strafzaken tegen [gedaagde 3] en [gedaagde 4]. [eiser] heeft daartoe de uitspraken van de politierechter van de rechtbank Arnhem d.d. 25 april 2002, van het Gerechtshof Arnhem d.d. 12 november 2002 en van de Hoge Raad d.d. 2 december 2003 overgelegd en verwezen naar de bewezenverklaringen alsmede naar bepaalde overwegingen in de politierechtervonnissen, waaruit volgens hem blijkt dat hij als gevolg van het onrechtmatig handelen van [gedaagde 3] en [gedaagde 4] zwaar gewond is geraakt. Uit die stukken kan volgens hem voorts worden afgeleid dat zij de feiten waarvoor zij strafrechtelijk zijn veroordeeld hebben gepleegd als werknemer van Muziekkelder Arnhem B.V.

Volgens Muziekkelder Arnhem B.V. c.s. is deze wijze van bewijslevering in strijd met de goede procesorde, aangezien [eiser] te summier heeft aangegeven op welke passages uit de overgelegde stukken zijn stellingen berusten, waardoor het voor haar in het geheel niet duidelijk is op welke wijze zij daarop dient te reageren.

Ter beoordeling van dit verweer van Muziekkelder Arnhem B.V. c.s. moet het volgende worden vooropgesteld. De rechter is niet verplicht alle feiten en omstandigheden die zijn vermeld in een (straf-)

dossier dat in een civiele procedure is overgelegd aan te merken als door de desbetreffende partij aan zijn standpunten ten grondslag gelegd. De partij die een beroep wil doen op zodanige feiten en omstandigheden dient dit op een zodanige wijze te doen dat voor de rechter duidelijk is welke stellingen hem ter beoordeling worden voorgelegd en dat voor de wederpartij duidelijk is waartegen hij zich dient te verweren of waarop hij zijn verdediging dient af te stemmen. Een andere opvatting zou in strijd komen met de eisen van een behoorlijke rechtspleging (HR 23 oktober 1992, NJ 1992, 814, HR 8 januari 1999, NJ 1999, 342). Anders dan Muziekkelder Arnhem B.V. c.s. meent, moet worden geoordeeld dat [eiser], mede in het licht van hetgeen namens en door hem ter comparitie is verklaard, in voldoende mate duidelijk heeft gemaakt op welke (onderdelen van zijn) producties – met name de bewezenverklaringen, de gebezigde bewijsmiddelen en de daarop volgende beslissingen – hij zich beroept ter levering van het hem opgedragen bewijs. Niet kan worden gezegd dat voor Muziekkelder Arnhem B.V. c.s. (te) onduidelijk is op grond waarvan [eiser] het bewijs geleverd acht.

Daarmee komt de rechtbank toe aan de beoordeling van het door [eiser] bijgebrachte bewijs. Met betrekking tot de gestelde aansprakelijkheid van [gedaagde 2] geldt dat uit niets blijkt dat hij op de bewuste avond feitelijk aan het geweld of de vechtpartij heeft deelgenomen of daaraan enige bijdrage heeft geleverd, als portier of in een andere hoedanigheid. Uit de stellingen van [eiser] volgt niet dat hij [gedaagde 2] mede in diens hoedanigheid van bestuurder van Muziekkelder Arnhem B.V. aansprakelijk houdt voor de schade. Ten aanzien van [gedaagde 2] is [eiser] dus niet in het bewijs geslaagd. De tegen [gedaagde 2] gerichte vordering moet daarom worden afgewezen.

Anders ligt de zaak met betrekking tot de aansprakelijkheid van [gedaagde 4] en [gedaagde 3]. Door het hof, evenals door de rechtbank, is ten aanzien van ieder van hen bewezenverklaard:

“1. dat hij in de nacht van 30 juni 2001 op 1 juli 2001 te Arnhem met een ander of anderen, op een voor het publiek toegankelijke plaats, te weten nabij discotheek “Get-in”, of op of aan de openbare weg, het Jansplein/Jansplaats, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [eiser], [betrokkene 1], [betrokkene 2], [betrokkene 3], [betrokkene 4] (roepnaam: [betrokkene 4]) en/of [betrokkene 5], welk geweld bestond uit het (met kracht) duwen, slaan, stompen, schoppen of trappen tegen het hoofd en/of het lichaam van die [eiser], die [betrokkene 1], die [betrokkene 2], die [betrokkene 3], die [betrokkene 4] of die [betrokkene 5];

2. dat hij in de nacht van 30 juni 2001 op 1 juli 2001 opzettelijk heeft deelgenomen aan een aanval of vechterij waarin enerzijds onderscheiden personen, te weten (enerzijds) een aantal bezoekers van discotheek “Get-in” (-onder meer- [eiser], [betrokkene 1], [betrokkene 2], [betrokkene 3], [betrokkene 4] (roepnaam: [betrokkene 4]), [betrokkene 6] en/of [betrokkene 5]) en anderzijds portiers van discotheek “Get-in”, onder wie verdachte, waren gewikkeld, bestaande die aanval of vechterij uit het door die portiers, onder wie verdachte, aangaan van de -geweldadige- confrontatie met die bezoekers en achtervolgen van die bezoekers en (met kracht) duwen, slaan, stompen, schoppen of trappen tegen het lichaam van die bezoekers of door het door die portiers, onder wie verdachte, enerzijds en die bezoekers anderzijds (met kracht) duwen, slaan, stompen, schoppen en/of trappen tegen het hoofd of lichaam van elkaar, en welke aanval of vechterij zwaar lichamelijk letsel bij een bezoeker, te weten [eiser], tengevolge heeft gehad”.

De cassatieberoepen tegen deze arresten zijn verworpen bij arresten van 2 december 2003. Op grond van art. 161 Rv komt aan deze ten aanzien van [gedaagde 4] en [gedaagde 3] bewezenverklaarde feiten (behoudens tegenbewijs) dwingende bewijskracht toe in de onderhavige procedure en gelet hierop staat tussen de partijen vast dat [gedaagde 4] en [gedaagde 3] die bewuste avond in vereniging geweld hebben gepleegd tegen een groep anderen, waaronder [eiser]. Eveneens staat vast dat dit geweld eruit bestond dat zij leden van die groep met kracht hebben geslagen, geschopt en/of geduwd. Verder staat vast dat [eiser] bij de vechtpartij waaraan [gedaagde 4] en [gedaagde 3] hebben deelgenomen zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Op zichzelf wordt de vechtpartij tussen de portiers en de groep van [eiser], de deelname aan die vechtpartij van [gedaagde 4] en [gedaagde 3] – zie, onder meer, hun verklaringen ter comparitie – en het door de vechtpartij ontstaan van letsel bij [eiser] door Muziekkelder Arnhem B.V. c.s. ook niet betwist, zodat aan tegenbewijs hiervan niet wordt toegekomen.

De vraag die moet worden beantwoord is of het letsel zoals [eiser] dat bij de vechtpartij heeft opgelopen als een gevolg van de onrechtmatige gedragingen van [gedaagde 4] en [gedaagde 3] aan hen is toe te rekenen. [eiser] heeft zijn vordering tegen beiden onder andere gebaseerd op art. 6:166 BW. Bij de beoordeling moet worden vooropgesteld dat de aansprakelijkheid van art. 6:166 BW berust op de deelneming aan gedragingen in groepsverband, waarvan de kans op het aldus toebrengen van schade – zoals hier is geschied – de deelnemers had behoren te weerhouden van het deelnemen aan die gedragingen in dat groepsverband. Van deelneming is sprake indien betrokkene op een of andere manier door zijn gedragingen een bijdrage heeft geleverd aan het geheel van de gedragingen in groepsverband die het gevaar voor toebrenging van schade hebben doen ontstaan en tussen die bijdrage en de bijdragen van andere deelnemers aan die gedragingen een zodanige mate van samenhang bestaat dat de gedragingen van betrokkene en die anderen als gedragingen in groepsverband kunnen worden aangemerkt.

Gelet op hetgeen onder 2.6 is overwogen staat vast dat [gedaagde 4] en [gedaagde 3] hebben deelgenomen aan gedragingen in groepsverband in de hiervoor bedoelde zin. Zij hebben (met kracht) leden van de groep van [eiser] geduwd, geslagen en/of geschopt. Tussen deze gedragingen van hen beiden bestaat een voldoende mate van bewuste samenhang om deze als gedragingen in groepsverband te kunnen aanmerken. Het staat immer vast (ook op grond van door Muziekkelder Arnhem B.V. c.s. zelf overgelegde verklaringen) dat de portiers van de ‘Get In’ gezamenlijk hebben gevochten tegen de groep discobezoekers waartoe [eiser] behoorde. Genoemde gedragingen brengen ontegenzeglijk het gevaar voor toebrenging van schade – zoals het letsel dat [eiser] heeft opgelopen – met zich en daarom hadden [gedaagde 4] en [gedaagde 3] zich daarvan dienen te onthouden. Op grond van de strafrechtelijke bewezenverklaringen kan niet zonder meer als vaststaand worden aangenomen dat het letsel dat [eiser] in concreto heeft opgelopen door [gedaagde 4] danwel [gedaagde 3] is toegebracht. Daarvoor zijn die bewezenverklaringen te weinig gespecificeerd. En in die zin staat dan ook nog niet vast dat de schade door een van de tot de groep behorende personen is toegebracht, indien ervan uitgegaan wordt dat de groep beperkt was tot [gedaagde 4] en [gedaagde 3]. Uit de stukken komt naar voren dat er behalve [gedaagde 4] en [gedaagde 3] nog enkele anderen bij de vechtpartij betrokken zijn geweest die het letsel aan [eiser] mogelijk hebben toegebracht.

Ten eerste blijkt uit de stukken – ook uit de door Muziekkelder Arnhem B.V. c.s. overgelegde – dat op de bewuste avond naast [gedaagde 4] en [gedaagde 3] ook [betrokkene 7] als portier dienst deed bij de ‘Get In’ en deze [betrokkene 7] samen met [gedaagde 4] en [gedaagde 3] de discotheek is uitgegaan en is met hen gaan meevechten tegen de groep waartoe [eiser] behoorde. Dat ook [betrokkene 7] aan de vechtpartij tegen de groep van [eiser] heeft deelgenomen is op grond van een aantal getuigenverklaringen en het videomateriaal in de strafzaken tegen [gedaagde 4] en [gedaagde 3] alsmede op grond van de bij de dagvaarding gevoegde verklaringen van bedrijfsleider van de ‘Get In’, [betrokkene 8], zonder meer aannemelijk. [betrokkene 7] behoorde daarmee tot de groep van [gedaagde 4] en [gedaagde 3] en heeft een bijdrage geleverd aan gedragingen in groepsverband waarvan de kans op schade hem had behoren te weerhouden, ook al staat niet vast waaruit zijn gedragingen precies hebben bestaan. Dat [betrokkene 7] door de strafrechter is vrijgesproken van de hem in verband met de vechtpartij in concreto tenlastegelegde strafbare feiten maakt dit niet anders.

Naast de betrokkenheid van [betrokkene 7] heeft Muziekkelder Arnhem B.V. nog aangevoerd dat personen uit de groep van [eiser] ook zijn mishandeld door één of meer omstanders. In dit verband heeft zij de naam van ene Omar Khalifa genoemd, die tegenover de politie heeft verklaard dat hij een Vietnamese jongen in de onderbuik heeft getrapt. Voor zover omstanders leden van de groep van [eiser] mede te lijf zijn gegaan maakten zij zich schuldig aan de dezelfde soort onrechtmatige gedragingen als de portiers, gericht tegen dezelfde groep personen. Deze omstanders moeten worden beschouwd als leden van de groep van [gedaagde 4] en [gedaagde 3] doordat zij zijn gaan deelnemen aan de door [gedaagde 4] en [gedaagde 3] vertoonde gedragingen die eruit bestonden dat grof fysiek geweld werd toegepast tegen die al genoemde groep bezoekers van de discotheek. Niet relevant is of de portiers de uitbreiding van de groep met de omstanders hebben gewild of niet. Door op straat te gaan vechten tegen de groep van [eiser] hebben zij het – voorzienbare – risico genomen dat omstanders aan hun zijde zouden gaan meevechten tegen de groep van [eiser]. Hieraan doet ook niet af dat de portiers, zoals één van hen heeft verklaard, na afloop de meevechtende omstander(s) van de slachtoffers zouden hebben afgehaald of deze(n) zouden hebben gesommeerd op te houden toen de portiers zich na de vechtpartij terugtrokken om weer naar binnen te gaan.

Op grond van het voorgaande staat vast dat het letsel van [eiser] in elk geval door één van de deelnemers aan de onrechtmatige gedragingen in groepsverband is toegebracht. Het is (in theorie) mogelijk dat dat [betrokkene 7] of één van de hiervoor besproken eventuele omstander(s) is geweest. Dat doet de eerder besproken bijdragen van [gedaagde 3] en [gedaagde 4] aan de gedragingen in groepsverband echter niet teniet. Voor de gevolgen van de (eventuele) onrechtmatige gedragingen van de andere groepsleden zijn zij op grond van art. 6:166 BW hoofdelijk aansprakelijk, ongeacht het antwoord op de vraag wie van de groepsleden nu precies het letsel aan [eiser] heeft toegebracht. Muziekkelder Arnhem B.V. c.s. heeft onvoldoende concrete aanknopingspunten geboden voor een ander oordeel om in dit verband tot tegenbewijs te worden toegelaten.

Muziekkelder Arnhem B.V. c.s. heeft nog een aantal omstandigheden aangevoerd op grond waarvan het optreden van [gedaagde 4] en [gedaagde 3] volgens haar niet als onrechtmatig kan worden gekwalificeerd. Zij heeft gesteld dat onwenselijk gedrag van personen uit de groep van [eiser] de eerste aanleiding tot de ongeregeldheden is geweest. Voorts meent zij dat de portiers later weer naar buiten zijn gegaan ter bescherming van de vriendin één van hen en/of ter bescherming van de overige bezoekers die buiten stonden en om de boel te sussen. Verder is zij van mening dat de vechtpartij door de groep van [eiser] is uitgelokt en dat zij hebben gehandeld uit zelfverdediging. Hierover wordt het volgende overwogen.

De omstandigheid dat het gedrag van één of meer personen uit de groep van [eiser] de aanleiding is geweest voor het buiten zetten van (een deel van) die groep doet aan de onrechtmatigheid van het gedrag van [gedaagde 4] en [gedaagde 3] daarná niet af. Met het buiten zetten van die personen is er een einde gekomen aan de rechtvaardiging voor het gebruik van enig gepast geweld jegens die groep. Er bestond geen noodzaak voor het daarna opnieuw aangaan van de fysieke confrontatie met die bezoekers, ook niet indien zou vaststaan dat zij met glas en/of fietsen tegen de gevel van de ‘Get In’ hebben gegooid. De door Muziekkelder Arnhem B.V. in dit verband aangehaalde jurisprudentie ziet op situaties die met de onderhavige niet vergelijkbaar zijn. Geenszins is aannemelijk gemaakt dat de portiers niet anders konden dan naar buiten gaan ter noodzakelijke bescherming van anderen of dat sprake is van uitlokking. Zij hadden, zoals de interne instructie van de ‘Get In’ ook luidde, de komst van de inmiddels gealarmeerde politie moeten afwachten. Het argument dat de portiers handelden uit zelfverdediging, omdat zij met zijn drieën zijn aangevallen door een groep van negen à tien personen, gaat ook hierom niet op. Al deze verweren van Muziekkelder Arnhem B.V. c.s. worden verworpen.

Op grond van het voorgaande moet de conclusie zijn dat [gedaagde 3] en [gedaagde 4] op grond van art. 6:166 BW hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die [eiser] heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van het letsel dat hem tijdens de vechtpartij in de nacht van 30 juni 2001 op 1 juli 2001 is toegebracht.

Met betrekking tot de gestelde werkgeversaansprakelijkheid van Muziekkelder Arnhem B.V. voor de hiervoor vastgestelde fouten van [gedaagde 4] en [gedaagde 3] wordt het volgende overwogen. Voor deze aansprakelijkheid is nodig dat door een fout van een ondergeschikte bij de uitvoering van zijn taak schade aan een derde wordt toegebracht, dat de kans op de fout door de opdracht tot het verrichten van deze taak is vergroot en dat degene in wiens dienst de ondergeschikte stond uit hoofde van hun desbetreffende rechtsbetrekking zeggenschap had over de gedragingen waarin de fout was gelegen (art. 6:170 lid 1 BW). Uit het voorgaande volgt dat aan al deze vereisten is voldaan. Niet in geschil is dat [gedaagde 4] en [gedaagde 3] die bewuste nacht als portier in dienst waren van Muziekkelder Arnhem B.V., dat zij toen tot taak hadden portierswerkzaamheden te verrichten in de door deze vennootschap geëxploiteerde discotheek ‘Get In’, dat deze vennootschap zeggenschap had over de wijze waarop zij deze taak uitvoerden en dat zij bij de uitvoering van deze taak door een fout schade hebben toegebracht aan [eiser]. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, kan Muziekkelder Arnhem B.V. c.s. dan ook niet worden gevolgd in haar verweer dat van het vereiste van ‘functioneel verband’ geen sprake is. Juist bij de opgedragen portierswerkzaamheden, in welk kader toepassing van enig gepast geweld jegens ongewenste bezoekers noodzakelijk kan zijn, is de kans groot dat het tot gevechten komt waarbij grenzen worden overschreden. Muziekkelder Arnhem B.V. is dan ook mede-aansprakelijk voor de schade van [eiser].

Nu de aansprakelijkheid van [gedaagde 4], [gedaagde 3] en Muziekkelder Arnhem B.V. vaststaat, moet worden beoordeeld of de schade van [eiser] geheel of gedeeltelijk voor zijn eigen rekening behoort te blijven, zoals Muziekkelder Arnhem B.V. c.s. heeft aangevoerd. Volgens haar bestaat daartoe aanleiding, omdat de groep waartoe [eiser] behoorde wegens slecht gedrag de discotheek was uitgezet waarna deze groep een vechtpartij met de portiers heeft uitgelokt door met flessen en fietsen naar de gevel van de discotheek te gooien, omdat [eiser] onder invloed van alcohol was en omdat hij de (aanleiding tot de) confrontatie met de portiers heeft opgezocht althans zich niet daaraan heeft onttrokken terwijl daartoe alle gelegenheid was. Daarnaast heeft zij aangevoerd dat [eiser] zich aan de medisch geïndiceerde revalidatiebehandeling heeft onttrokken, waardoor een (groot) deel van zijn huidige klachten kunnen worden verklaard of veroorzaakt.

Waar het bij de beoordeling van een beroep op eigen schuld, zoals hier, om gaat is of er omstandigheden aan het ontstaan van de schade hebben bijgedragen die aan [eiser] kunnen worden toegerekend. In dat geval wordt in beginsel de schadevergoedingsplicht van de aansprakelijke personen geheel of gedeeltelijk verminderd, tenzij de billijkheid vereist dat de vergoedingsplicht geheel in stand blijft wegens de uitlopende ernst van de gemaakte fouten (art. 6:101 lid 1 BW). In het onderhavige geval moet onderscheid worden gemaakt tussen enerzijds de met betrekking tot de toedracht van de vechtpartij aangevoerde omstandigheden en anderzijds de omstandigheid dat [eiser] zijn revalidatiebehandeling niet heeft afgemaakt.

De omstandigheden dat het gedrag van een aantal personen uit de groep van [eiser] heeft geleid tot verwijdering uit de discotheek en dat een aantal van hen met glas en/of fietsen is gaan gooien kunnen niet aan [eiser] worden toegerekend, nu niet is gesteld of gebleken dat ook [eiser] zich in of buiten de discotheek op deze wijze heeft misdragen. De relevantie van de – voor discobezoekers overigens niet uitzonderlijke – omstandigheid dat [eiser] onder invloed van alcohol was is door Muziekkelder Arnhem B.V. c.s. niet duidelijk gemaakt. Wel kan [eiser] worden toegerekend dat hij de confrontatie met de portiers niet uit de weg is gegaan. [eiser] is, zo blijkt uit de stukken, naar een portier toegelopen die zijn vriend had geslagen – naar eigen zeggen om het gesprek met de portier aan te gaan – en dat was gelet op de op dat moment heersende omstandigheden onverstandig. Er was immers een vechtpartij gaande tussen zijn groep en de portiers, waarbij de portiers veruit in de minderheid verkeerden. [eiser] had er daarom rekening mee moeten houden dat de portier zijn (gestelde) goede intenties niet zo zou opvatten. Voorzover deze omstandigheid echter al kan worden aangemerkt als een aan [eiser] te verwijten fout, dan geldt dat deze in het niet valt bij de fouten van [gedaagde 4] en [gedaagde 3]. Het staat vast dat zij zonder noodzaak een nieuwe fysieke confrontatie met de groep van [eiser] zijn aangegaan en dat een vechtpartij is ontstaan waarbij grof fysiek geweld is gebruikt, ten gevolge waarvan [eiser] ernstig gewond is geraakt. De eventuele fout van [eiser] zinkt daarbij in het niet. Voor enige vermindering van de vergoedingsplicht van [gedaagde 4], [gedaagde 3] en Muziekkelder Arnhem B.V. is daarom geen plaats.

Rest de vraag of het gegeven dat [eiser] zijn revalidatiebehandeling niet heeft afgemaakt nog van invloed is op de omvang van de door [gedaagde 4], [gedaagde 3] en Muziekkelder Arnhem B.V. te betalen schadevergoeding. Op zichzelf betreft het een omstandigheid die mogelijk aan [eiser] zou kunnen worden toegerekend en tot gehele of gedeeltelijke vermindering van de schadevergoedingsverplichting zou kunnen leiden. Daarvoor is nodig dat komt vast te staan dat redelijkerwijs van [eiser] kon (of kan) worden gevergd dat hij zich ter bestrijding van zijn klachten aan verdere behandeling onderwierp (of onderwerpt), waarbij betekenis toekomt aan onder meer de ingrijpendheid en mate van belasting van die behandeling alsmede het daarvan te verwachten resultaat. Zoals uit het navolgende zal blijken behoeft deze vraag thans echter niet te worden beantwoord.

Het is op grond van al het voorgaande aannemelijk dat [eiser] ook daadwerkelijk, zoals hij heeft aangevoerd, materiële en immateriële schade heeft geleden. In het tussenvonnis van 26 november 2003 heeft de rechtbank overwogen dat het voor de hand ligt deze in de onderhavige procedure te begroten in plaats van de door [eiser] gewenste verwijzing naar de schadestaatprocedure. Inmiddels is duidelijk, gelet op de stellingname van de partijen met betrekking tot de schade, dat de begroting daarvan veel gecompliceerder zal zijn dan het zich aanvankelijk liet aanzien. Er zal naar verwachting aanzienlijke instructie, waaronder het inwinnen van meerdere deskundigenberichten, nodig zijn. Daarom kan de zaak, gelet op de duur van de onderhavige procedure, beter naar de schadestaatprocedure verwezen worden, zoals aanvankelijk is gevorderd.

Daarmee hoeft thans nog slechts te worden beslist over het door [eiser] gevorderde voorschot op de nog vast te stellen schadevergoeding ad € 10.000,--. Uit welke schadeposten het gevorderde voorschot precies is opgebouwd is niet aangegeven. Gelet hierop zal de rechtbank volstaan met toewijzing van een bedrag ad € 6.000,-- bij wijze van voorschot op de immateriële schade die [eiser] heeft geleden en zal zij het meer of anders gevorderde afwijzen. Op grond van de overgelegde stukken staat vast dat [eiser] hij als gevolg van de vechtpartij in elk geval een incomplete dwarslaesie heeft opgelopen en dat hij een aantal voortanden moet missen, dat hij per ambulance voor behandeling naar het ziekenhuis is gebracht, dat hij in totaal ruim twee maanden in het ziekenhuis opgenomen is geweest en dat hij meerdere keren is geopereerd in verband met de incomplete dwarslaesie. Verder staat vast dat hij pijn heeft geleden en dat hij enige tijd verlammingsverschijnselen heeft gehad aan zijn linker ledematen. Gelet op dit een en ander acht de rechtbank de hoogte van het toe te wijzen voorschot op de immateriële schade van [eiser] gerechtvaardigd.

Als de overwegend in het ongelijk gestelde partij zal Muziekkelder Arnhem B.V. c.s. in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 81,16

- betaald vast recht 61,25

- in debet gesteld vast recht 183,75

- salaris procureur 1.356,00 (3,0 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.682,16.

De beslissing

De rechtbank

veroordeelt [gedaagde 4], [gedaagde 3] en Muziekkelder Arnhem B.V. hoofdelijk, met dien verstande dat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 6.000,00 (zesduizend euro) bij wijze van voorschot op de immateriële schadevergoeding,

veroordeelt [gedaagde 4], [gedaagde 3] en Muziekkelder Arnhem B.V. hoofdelijk, met dien verstande dat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan [eiser] te betalen de overige schade die [eiser] als gevolg van de vechtpartij in de nacht van 30 juni 2001 op 1 juli 2001 heeft geleden en zal lijden, te vermeerderen met de buitengerechtelijke kosten, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,

veroordeelt Muziekkelder Arnhem B.V. c.s hoofdelijk, met dien verstande dat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.682,16, waarvan op de voet van artikel 243 Rv te betalen

aan de griffier door overmaking op rekeningnummer 19.23.25.752. ten name van MvJ Arrondissement Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem onder vermelding van "proceskostenveroordeling" en het zaak- en rolnummer 99785 / HA ZA 03-787:

€ 183,75 wegens in debet gesteld vast recht,

€ 81,16 wegens explootkosten,

€ 1.356,00 wegens salaris procureur

en aan de procureur van [eiser] het restant van € 61,25 wegens de eigen bijdrage in het vast recht,

verklaart dit vonnis wat betreft de onder 3.1. tot en met 3.3. genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.B. Boonekamp en in het openbaar uitgesproken op 6 april 2005.