Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2005:AT5271

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
10-05-2005
Datum publicatie
10-05-2005
Zaaknummer
125332
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Na de recente kerkfusie waarbij een aantal kerken is verenigd in de Protestantse Kerk in Nederland (PKN) zijn in Kesteren twee verschillende kerkgemeenten ontstaan, een binnen PKN-verband en een daarbuiten (in "Hersteld Verband"). In dit kort geding komt onder meer de vraag aan de orde wie eigenaar van verschillende zaken (o.a. het kerkgebouw) is. De Gemeente in Hersteld Verband dient af te zien van het gebruik van het kerk- en verenigingsgebouw en zorg te dragen voor overhandiging van alle sleutels en administratie ed. De voorzieningenrechter overweegt dat de beslissingen en verordeningen van de commissie van bijzondere zorg (CBZ) niet bindend zijn tegenover de kerk en gemeenten in Hersteld Verband. De vordering is daarom niet toewijsbaar voor zover het "ter uitvoering van de voorlopige maatregel van de CBZ" bedoeld is, maar voor het overige inhoudelijk wel.

Ten aanzien van de Stichting Vermogensbeheer van de Hervormde Gemeente Kesteren geldt dat zij zowel gelet op haar doelstelling als gelet op haar visie dat zij de Gemeente in Hersteld Verband moet volgen, veroordeeld kan worden toe te staan dat de Hervormde Gemeente exclusief beschikt over de verschillende gebouwen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2005, 291
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 125332 / KG ZA 05-198

Datum vonnis: 10 mei 2005

Vonnis in kort geding

in de zaak van

1. de kerkelijke rechtspersoon

HERVORMDE GEMEENTE KESTEREN,

gevestigd te Kesteren,

2. de kerkelijke rechtspersoon

DIACONIE VAN DE HERVORMDE GEMEENTE KESTEREN,

gevestigd te Kesteren,

eiseressen bij dagvaarding van 11 april 2005,

procureur mr. F.J. Boom,

advocaat mr. G.C.W. van der Feltz te Den Haag,

tegen

1. de kerkelijke rechtspersoon

HERSTELD HERVORMDE GEMEENTE KESTEREN,

gevestigd te Kesteren,

2. de stichting

STICHTING VERMOGENSBEHEER VAN DE HERVORMDE GEMEENTE KESTEREN,

gevestigd te Kesteren,

gedaagden,

vertegenwoordigd door de heer J.K.C. van Eck, scriba van de kerkenraad van gedaagde sub 1, en de heer G.C. van Leerdam, voorzitter van de Kerkvoogdij van gedaagde sub 1 en voorzitter van gedaagde sub 2.

Eiseressen worden hierna aangeduid als de Hervormde Gemeente en gedaagden als respectievelijk de Gemeente in Hersteld Verband en de Stichting.

Het verloop van de procedure

De Hervormde Gemeente heeft de Gemeente in Hersteld Verband en de Stichting ter zitting in kort geding doen dagvaarden en gevorderd als weergegeven in de dagvaarding. De Gemeente in Hersteld Verband en de Stichting hebben geconcludeerd tot weigering van de gevorderde voorzieningen. De advocaat van de Hervormde Gemeente heeft de zaak bepleit overeenkomstig de door hem overgelegde pleitnotitie en de heren Van Eck en Van Leerdam hebben namens de Gemeente in Hersteld Verband en de Stichting de zaak toegelicht overeenkomstig de door hen overgelegde pleitnotitie. Daarbij hebben zij producties in het geding gebracht. Ten slotte is vonnis bepaald.

De vaststaande feiten

1. Op 1 mei 2004 zijn de Nederlandse Hervormde Kerk (hierna: de

NHK), de Gereformeerde Kerken in Nederland (hierna: de GKN) en de Evangelisch-Lutherse Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden (hierna: de ELK) verenigd in de Protestantse Kerk in Nederland (hierna: de PKN). Het daartoe strekkende besluit van de NHK (hierna: het verenigingsbesluit) is op 12 december 2003 door haar generale synode genomen.

2. Ter voorbereiding van de vereniging heeft de synode van de NHK

op 8 juni 2001 besloten het door de commissie voor Kerkelijke Aangelegenheden van de NHK opgestelde rapport “Om de eenheid en heelheid van de kerk” te aanvaarden.

3. Op 13 december 2002 heeft de synode van de NHK een nieuwe

kerkorde voor de PKN (hierna: PKO) vastgesteld, ter vervanging van de voor de NHK geldende hervormde kerkorde van 1951 (hierna: HKO).

4. Zowel tegen de in hiervoor onder 2 en 3 genoemde besluiten als

tegen het verenigingsbesluit is door diverse hervormde gemeenten bezwaar gemaakt bij de Generale Commissie voor de behandeling van bezwaren en geschillen van de NHK (hierna: GCBG). De GCBG heeft deze bezwaren alle ongegrond verklaard.

5. Bij brief van 22 december 2003 heeft de kerkenraad van de

(toenmalige) Hervormde Gemeente aan de generale synode, voor zover van belang, het volgende bericht.

“(...)

In een op 1 december 2003 gehouden vergadering heeft de kerkenraad besloten om geen deel uit te maken van de Protestantse Kerk in Nederland.

(...)

De kerkenraad is de overtuiging toegedaan dat voornoemd besluit niet tot gevolg heeft dat de hervormde gemeente Kesteren de aanspraak op de goederen en de algemene middelen van de Nederlandse Hervormde Kerk prijsgeeft.”

6. Op 5 maart 2004 hebben drieënvijftig hervormde gemeenten,

waaronder de Gemeente in Hersteld Verband, een bodemprocedure voor de rechtbank Utrecht aanhangig gemaakt tegen de NHK. In die procedure wordt onder meer gevorderd dat de rechtbank voor recht verklaart:

a. dat de in bezwaar genomen beslissingen van de GCBG jegens eisers nietig althans onverbindend zijn;

b. dat eisers uitsluitend aan de HKO gebonden zijn;

c. dat de PKO en de daarbij behorende Ordinanties, Generale regelingen en Overgangsbepalingen jegens eisers nietig althans onverbindend zijn, althans dat eisers daaraan niet zijn gebonden;

d. primair dat het verenigingsbesluit nietig althans onverbindend is jegens eisers, subsidiair dat eisers het recht hebben om als plaatselijke hervormde gemeenten te beslissen dat zij niet toetreden tot de PKN met de bevoegdheid de naam Hervormde Gemeente te blijven dragen en te blijven beschikken over het kerkelijk vermogen van de betreffende plaatselijke hervormde gemeente.

7. Op grond van artikel 28 Overgangsbepalingen PKO heeft de

gezamenlijke vergadering van synoden op 1 februari 2004 een commissie van bijzondere zorg met betrekking tot de hervormde gemeenten, de gereformeerde kerken en de evangelisch-lutherse gemeenten benoemd. De leden van de commissie van bijzondere zorg met betrekking tot de hervormde gemeenten (hierna: CBZ) zijn gekozen op voordracht van de generale synode van de NHK uit de belijdende leden van de NHK. In de Overgangsbepalingen PKO is aan de CBZ een rol toebedeeld voor (bijstand aan) groepen gemeenteleden die tot de conclusie komen dat zij de overgang van “hun” kerk naar de PKN niet kunnen volgen. Op grond van die Overgangsbepalingen is de CBZ (als enige) bevoegd tot het treffen van voorlopige maatregelen en voorzieningen.

8. In december 2004 heeft de Hervormde classicale vergadering van

Tiel in de Protestantse Kerk in Nederland onder meer het volgende aan alle gemeenteleden van de Hervormde Gemeente te Kesteren bericht.

“(...)

Zoals u wellicht weet heeft de kerkenraad van de Hervormde gemeente van Kesteren in haar geheel besloten zich aan te sluiten bij de per 1 mei opgerichte Hersteld Hervormde Kerk (HHK). Dit betekent dat de oude hervormde gemeente van Kesteren al geruime tijd vacant is.

Een aantal gemeenteleden heeft de hulp ingeroepen van de Commissie van Bijzondere Zorg (CBZ).

(...)

De CBZ heeft het Breed Moderamen (het kerkelijk “bestuur”) van de classis Tiel bereid gevonden om tijdelijk als kerkenraad voor onze gemeente op te treden en de kerkordelijk voorgeschreven maatregelen te nemen.

(...)

Zodra er een kerkenraad is volgens de regels van de kerk, treedt het BM van de classis terug.”

9. In reactie op voornoemde brief heeft de kerkenraad en

kerkvoogdij van de Gemeente in Hersteld Verband bij brief van 20 december 2004 onder meer het volgende aan de gemeenteleden bericht.

“(...)

De oude hervormde gemeente van Kesteren is niet vacant. Deze zetten we voort zoals het voor 1 mei was. Helaas waren we echter genoodzaakt om juridische gronden na 1 mei de naam te wijzigen in Hersteld Hervormde Gemeente van Kesteren. Echter de nieuw gevormde PKN gemeente, onder leiding van het breed Moderamen (BM) van de classis Tiel en de genoemde kerkenraadscommissie, is vacant.”

10. Bij besluit van 9 maart 2005 heeft de CBZ met betrekking tot de

Hervormde Gemeente te Kesteren een voorlopige maatregel getroffen die, voor zover van belang, het volgende inhoudt:

“5. Vermogensrechtelijke positie van de hervormde gemeente

De zorg voor alle aangelegenheden op vermogensrechtelijk gebied, zowel diaconaal als niet-diaconaal, valt onder de verantwoordelijkheid van de kerkenraad van de hervormde gemeente (...) die deze zorg toevertrouwt aan resp. het college van kerkrentmeesters en het college van diakenen van de hervormde gemeente.

Het college van kerkrentmeesters is derhalve, namens de hervormde gemeente te Kesteren, bevoegd te beschikken over kerkgebouw met bijruimten met bijbehorende inventarissen, de pastorie en andere registergoederen die toebehoren aan de hervormde gemeente te Kesteren.

Het college van diakenen is derhalve, namens de gemeente te Kesteren, bevoegd te beschikken over registergoederen die toebehoren aan de diaconie van de hervormde gemeente te Kesteren.

Alle banksaldi van de hervormde gemeente resp. de diaconie van de hervormde gemeente per 30 april 2004 blijven vanaf 1 mei 2004 eigendom van de hervormde gemeente en ter beschikking staan van deze kerkelijke lichamen.

(...)

Beheerders (administrateurs, penningmeesters, tekeningsbevoegden) die vermogensbestanddelen onttrekken aan de hervormde gemeente c.q. de diaconie van de hervormde gemeente zijn gezamenlijk en persoonlijk aansprakelijk overeenkomstig het bepaalde in ord. 18-19-1 KO resp. 11-28 PKO.

6. Gebruik van kerkgebouw, nevenruimten en verenigingsgebouw Eben-Haëzer

CBZ bepaalt dat alle gebouwen van de hervormde gemeente te Kesteren met ingang van uiterlijk 15 april 2005 volledig ter beschikking staan van de hervormde gemeente te Kesteren onder meer om aldaar erediensten en andere activiteiten te beleggen ten behoeve van deze gemeente. (...) Met ingang van 24 april 2005 zullen om 9.00 uur en 16.30 uur de kerkdiensten van de hervormde gemeente gehouden worden.

CBZ bepaalt dat het college van kerkrentmeesters van de hervormde gemeente te Kesteren bevoegd is om het kerkgebouw tijdelijk, d.w.z. tot 1 september 2006 op zondag op andere tijden, te weten vanaf 11.00 uur en vanaf 18.30 uur ter beschikking te stellen aan de hersteld hervormde gemeente, tegen een door het college te bepalen vergoeding. Deze vergoeding dient een nauwe relatie te hebben met de reële exploitatiekosten. De kerkklok(ken) word(t)en op zodanig tijdstip geluid dat kerkdiensten hierdoor niet worden verstoord. (...)

Het college van kerkrentmeesters van de hervormde gemeente te Kesteren is bevoegd om de nevenruimten van het kerkgebouw en het gebouw Eben-Haëzer op doordeweekse dagen ten behoeve van kerkelijke activiteiten ter beschikking te stellen aan de hersteld hervormde gemeente, tegen een door het college te bepalen vergoeding, eveneens op basis van reële exploitatiekosten.

Rouw- en trouwdiensten en andere doordeweekse diensten van de hersteld hervormde gemeente zoals bijbellezingen in het kerkgebouw kunnen na overleg door het college van kerkrentmeesters worden bepaald.

Regelingen voor het medegebruik van het kerkgebouw en nevenruimten door de hersteld hervormde gemeente zijn alleen mogelijk voor zover hierdoor de belangen van de hervormde gemeente niet worden belemmerd of geschaad.

7. Ledenadministratie

De ledenadministratie van de hervormde gemeente valt onder beheer van het college van kerkrentmeesters van de hervormde gemeente te Kesteren.

Er zullen in het kader van deze voorlopige maatregelen en voorzieningen geen individuele of collectieve gegevens worden verstrekt aan degenen die geen deel uitmaken van de hervormde gemeente of aan hun vertegenwoordigers. (...)

Dit impliceert tevens dat de bestaande kaartenbakken e.d. door de vertrekkende kerkenraadsleden op eerste verzoek ter beschikking dienen te worden gesteld van de hervormde gemeente. (...)

8. Overdracht van sleutels en andere bescheiden

De kerkenraad van de hersteld hervormde gemeente (of vertegenwoordigers daarvan) overhandigt op vrijdagavond 15 april 2005 om 19.00 uur in het gebouw Eben-Haëzer alle sleutels die toegang verlenen tot de gebouwen van de hervormde gemeente en van depots en kluizen, alle eigendomsbewijzen en bescheiden van de hervormde gemeente en van de stichting voor het beheer van het verenigingsgebouw, de volledige financiële administratie van de hervormde gemeente resp. van de diaconie van de hervormde gemeente, de volledige hervormde ledenregisters, doop-, trouw- en overlijdensregisters en het lidmatenboek, en de overige momenteel onder beheer van de kerkenraad van de hersteld hervormde gemeente zijnde zaken aan de vertegenwoordiger van de huidige kerkenraad van de hervormde gemeente. (...)

9. Geldwerving

Het college van kerkrentmeesters van de hervormde gemeente organiseert geldwervingsacties onder de in de ledenadministratie opgenomen leden van de gemeente. Deze acties kunnen zich uitstrekken tot alle leden die in het register van de hervormde gemeente staan ingeschreven.”

11. Bij brief van 17 maart 2005 hebben de Kerkenraad en colleges van kerkvoogden en notabelen van de Gemeente in Hersteld Verband onder meer het volgende aan de CBZ bericht.

“De beide colleges kunnen echter met de maatregelen en voorzieningen niet akkoord gaan. (...)

De Hersteld Hervormde Gemeente als voortzetting van de oude Hervormde gemeente van Kesteren is eigenaar van gebouwen en goederen (...).”

Het geschil

1. De Hervormde Gemeente vordert dat de Gemeente in Hersteld

Verband zal worden geboden uiterlijk acht dagen na betekening van het vonnis, ter uitvoering van de voorlopige maatregel van de CBZ - totdat deze zal zijn vervangen door een definitieve maatregel van de CBZ of totdat de voorlopige maatregel door het GCBG en/of de civiele rechter terzijde zal zijn geschoven -:

a. - zich voor het medegebruik van het kerkgebouw te richten

naar de daarvoor in de voorlopige maatregel aangegeven

regeling;

- af te zien van het gebruik van overige gebouwen anders dan gebruik waarover vooraf overeenstemming is bereikt met de kerkenraad;

- af te zien van het gebruik van roerende en onroerende goederen van de Hervormde Gemeente en van onroerende diaconale goederen anders dan voor het gebruik waarover vooraf overeenstemming is bereikt met de kerkenraad respectievelijk het college van diakenen van de Hervormde Gemeente (de diaken en twee kerkenraadsleden);

b. zorg te hebben gedragen voor overhandiging aan dr. H. Veldhuis, voorzitter van de kerkenraad van de Hervormde Gemeente van:

- alle sleutels die toegang geven tot het kerkgebouw en de overige gebouwen van de Hervormde Gemeente waar zij over beschikt;

- alle sleutels die toegang geven tot de (gebouwen van de) Diaconie waar zij over beschikt;

- de ledenadministratie;

- het archief en de doop-, trouw- en overlijdensregisters;

- de financiële administratie van de Hervormde Gemeente en de Diaconie;

c. het beheer te hebben overgedragen van eventuele bankrekeningen waar tegoeden staan die toekomen aan (op naam staan van) de Hervormde Gemeente, het college van kerkvoogden, de Diaconie;

d. het beheer van onroerende zaken van de Diaconie te hebben overgedragen aan het college van diakenen van de Hervormde Gemeente.

2. De Hervormde Gemeente vordert dat de Stichting zal worden

veroordeeld om te gehengen en te gedogen dat de Hervormde Gemeente exclusief beschikt over het gebruik van het Kerkgebouw aan de Kerkstraat 4, het Hervormd Verenigingsgebouw aan de Kerkstraat 2a en de Pastorie aan de Kerkstraat 8 en ook actief al hetgeen te doen dat daarvoor nodig is en waartoe zij redelijkerwijs in staat moet worden geacht.

3. De Hervormde Gemeente legt aan haar vordering het volgende

ten grondslag. Zowel juridisch als institutioneel bezien is de PKN de enige voortzetting van de NHK. Hervormde gemeenten die voorheen onderdeel waren van de NHK zijn per 1 mei 2004, zonder enige nadere rechtshandeling en zonder dat zij dat konden beletten, zelfstandige onderdelen van de PKN geworden. Het ‘niet meegaan’ in de PKN is alleen mogelijk voor individuele leden van een hervormde gemeente, niet voor een hervormde gemeente als zodanig. De Gemeente in Hersteld Verband heeft zich echter gerechtigd en bevoegd geacht om als gemeente te beslissen niet mee te gaan in de PKN. Zij beschouwt zichzelf als de enige voortzetting van de NHK en de enige hervormde gemeente te Kesteren. Op grond hiervan is zij ook van mening dat de naam, de bezittingen en de ‘ambten’ aan haar toekomen. In tegenstelling tot de Hervormde Gemeente beschikt de Gemeente in Hersteld Verband nu over de ledenadministratie, de financiële administratie en enkele bankrekeningen van de Hervormde Gemeente en over de sleutels die toegang verschaffen tot enkele gebouwen. Dit is gelet op het voorgaande onrechtmatig jegens de Hervormde Gemeente. Dit geldt evenzeer voor de Stichting nu zij op grond van een aantal bepalingen uit haar statuten verbonden is met de Hervormde Gemeente en dus ook verplicht is te gedogen dat de feitelijke situatie in overeenstemming wordt gebracht met de voorlopige maatregel van de CBZ. Bovendien is de Hervormde Gemeente op dit moment niet in staat haar verplichtingen tegenover haar gemeenteleden te voldoen. Herstel van de rechtmatige toestand, hetgeen volgens de Hervormde Gemeente reeds is neergelegd in de voorlopige maatregel van de CBZ, is daarom de inzet van dit kort geding.

4. De Gemeente in Hersteld Verband en de Stichting voeren gemotiveerd verweer waarop, voor zover van belang, hierna zal worden ingegaan.

De beoordeling van het geschil

1. Het spoedeisend belang vloeit voort uit de stellingen van de

Hervormde Gemeente.

2. Voorop wordt gesteld dat kerkgenootschappen en hun

zelfstandige onderdelen worden geregeerd door hun eigen statuut. Als vaststaand kan worden aangenomen dat de NHK, GKN en ELK blijkens de notariële akte van fusie een juridische fusie hebben beoogd met overgang onder algemene titel van het vermogen van de drie landelijke kerken naar de PKN. Vast staat tevens dat het besluit tot fusie met de vereiste tweederde meerderheid door de generale synode is genomen en dat de door bezwaarde gemeenten en kerkleden daartegen ingebrachte bezwaren door de kerkelijke rechter zijn verworpen. De voorzieningenrechter beschouwt dit als een gegeven, nu door de Gemeente in Hersteld Verband onvoldoende is gesteld om te oordelen dat de fusie in strijd zou zijn met het statuut van de NHK of dat het besluitvormingsproces dat tot de fusie heeft geleid niet conform de interne regels van de NHK heeft plaatsgevonden. Voor zover de bezwaren van de Gemeente in Hersteld Verband tegen de fusie gelegen zijn op het gebied van geloof en belijdenis, merkt de voorzieningenrechter op dat de burgerlijke rechter daarin niet mag treden. Dat de fusie in strijd zou zijn met de wet is vooralsnog evenmin gebleken. De omstandigheid dat titel 7 van boek 2 BW niet op kerkgenootschappen van toepassing is verklaard, is daarvoor onvoldoende. Dit noopt immers niet noodzakelijkerwijs tot de conclusie dat kerkgenootschappen niet zouden kunnen fuseren analoog aan het in die titel voor andere rechtspersonen gestelde. Ook de parlementaire geschiedenis biedt voor dat standpunt geen aanknopingspunten (vgl. MvA, Kamerstukken II, 17725, nr. 7 p. 12). Uit het vorenstaande volgt dat er vooralsnog vanuit dient te worden gegaan dat de fusie het beoogde rechtsgevolg teweeg heeft gebracht.

3. Vervolgens is van belang de vraag of het mogelijk is om als

hervormde gemeente als zodanig niet mee te gaan in, dan wel uit te treden uit de PKN. Bovendien bestaat er onduidelijkheid over de vraag bij wie het eigendomsrecht op verschillende zaken rust.

4. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat gelet op

het bepaalde in artikel 2:2 lid 2 BW de kerkorde het uitgangspunt dient te zijn. Vast staat dat de generale synode van de hervormde kerk met het aanvaarden van het rapport “Om de eenheid en heelheid van de kerk” de HKO aldus heeft uitgelegd dat de hervormde gemeenten, ook al hebben zij eigen rechtspersoonlijkheid, onderdelen zijn van de NHK. Uit het rapport volgt dat een gemeente zich als zodanig niet van de NHK kan losmaken en dat slechts individuele leden kunnen bedanken voor het lidmaatschap. Daaruit volgt tevens dat een hervormde gemeente na de fusie van rechtswege onderdeel van de PKN wordt, ook wanneer een groot aantal gemeenteleden zich, voor of na de fusie, afscheidt van de NHK. Deze door de synode aanvaarde uitleg van de HKO is door de kerkelijke rechter gesanctioneerd.

Vast staat tevens dat de synode van de NHK bij besluit van 13

december 2002 een nieuwe kerkorde, de PKO, heeft vastgelegd en

dat deze PKO met de daarbij behorende ordinanties en het overgangsrecht, uitgaat van dezelfde beginselen als beschreven in het rapport “Om de eenheid en heelheid van de kerk”. Het bezwaar dat diverse hervormde gemeenten tegen dat besluit hebben gemaakt is door de bevoegde kerkelijke rechter, de GCBG, ongegrond verklaard.

De voorzieningenrechter beschouwt ook deze synodebesluiten en uitspraken van de kerkelijke rechter als een gegeven, te meer nu de Gemeente in Hersteld Verband onvoldoende heeft gesteld om reeds op voorhand aan te nemen dat er sprake is geweest van onregelmatigheden of dat de uitspraken van de GCBG naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zouden zijn.

Het voorgaande is ook in overeenstemming met hetgeen de Hoge Raad (23 juli 1946, NJ 1947, 1) reeds geruime tijd geleden heeft bepaald: “het gemeene recht verzet er zich niet tegen dat in een kerkgenootschap uitspraken omtrent de leer, genomen door de bevoegde organen, ook voor de minderheid bindend zijn, doch eischt wel, dat uittreden uit dat kerkgenootschap alsdan zal vrijstaan.”

Dit betekent vooralsnog dat de stelling van de Gemeente in Hersteld Verband, dat zij - kort gezegd - als hervormde gemeente uit de PKN is getreden, moet worden opgevat als de door haar leden gezamenlijk

geuite wens te bedanken voor het lidmaatschap van de NHK (zijnde een onderdeel van de PKN) om vervolgens een nieuw kerkgenootschap op te richten. Dit laatste heeft kennelijk plaatsgevonden. De vraag of het gezamenlijk optreden van de leden ook heeft meegebracht dat zij ieder individueel als lid zijn uitgetreden, is hier niet aan de orde, maar zal, nu zij niet ieder uitdrukkelijk hun wens uit te treden kenbaar hebben gemaakt, ontkennend moeten worden beantwoord.

5. De voorzieningenrechter overweegt voorts dat de identiteit van

de kerk en de gemeenten in Hersteld Verband als rechtspersonen moet worden onderscheiden van hun geestelijk erf- en gedachtengoed. Vooralsnog moet ervan uit worden gegaan dat de PKN en haar gemeenten de rechtsopvolgers onder algemene titel van de NHK en de andere gefuseerde kerken zijn. De kerk en de gemeenten in Hersteld Verband zijn nieuw opgerichte rechtspersonen. Bij de beoordeling van hun vermogensrechtelijke positie is niet relevant en bovendien niet ter beoordeling aan de burgerlijke rechter of zij, zoals zij zelf menen, in geestelijk opzicht zijn te zien als opvolgers van de NHK. De mogelijke opvolging in geestelijk, of zelfs kerkrechtelijk gedachtengoed, is niet bepalend voor de vermogensrechtelijke positie die, naar hiervóór werd overwogen door de binnen de kerken genomen besluiten en aanvullend, naar analogie, door het rechtspersonenrecht wordt beheerst. Dit betekent dat de PKN en haar gemeenten zijn opgevolgd in de rechten en verplichtingen, waaronder in de eerste plaats de eigendomsrechten, van de NHK. Daarmee komt de eigendom van de plaatselijke gebouwen (kerkgebouw en overige gebouwen), naar voorshands wordt geoordeeld, toe aan de PKN en haar gemeenten, en kunnen zij ook het gebruik daarvan bepalen.

6. Voor wat betreft de Stichting is het volgende van belang. De

Stichting heeft tot doel “het verkrijgen, beheren en administreren van alsmede het beschikken over gelden, registergoederen en andere vermogenswaarden, op een zodanige wijze dat de belangen van de Hervormde Gemeente te Kesteren op een evenwichtige wijze worden behartigd en voorts al hetgeen met een en ander rechtstreeks of zijdelings verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn, alles in de ruimste zin des woords” (artikel 3 lid 1 Akte van Oprichting Stichting Vermogensbeheer van de Hervormde Gemeente te Kesteren). Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt reeds dat naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter onder ‘Hervormde Gemeente’ thans eiseres sub 1 moet worden volstaan. Dat de oprichters van de Stichting als natuurlijke personen behoren tot de groep gemeenteleden die zich thans aangesloten achten bij de Gemeente in Hersteld Verband en menen dat er te allen tijde voor moet worden gewaakt dat genoemde zaken beschikbaar blijven voor een hervormde gemeente die de gereformeerde belijdenis hanteert, verandert daar niets aan. Uit de door de Kerkenraad en colleges van kerkvoogden en notabelen van de Gemeente in Hersteld Verband op 17 maart 2005 aan de CBZ verzonden brief (zie 11 van de vaststaande feiten) blijkt dat zij van mening zijn dat de Gemeente in Hersteld Verband als voortzetting van de oude Hervormde Gemeente van Kesteren eigenaar is van de gebouwen en de goederen. Hieruit kan vooralsnog worden afgeleid dat de Stichting de door de Gemeente in Hersteld Verband gegeven aanwijzingen dient op te volgen. De Stichting kan dus zowel omdat haar taak dienstbaar is aan de Hervormde Gemeente als omdat zij zelf van mening is de aanwijzingen van de Gemeente in Hersteld Verband te moeten opvolgen, door de Hervormde Gemeente worden aangesproken. Een niet-ontvankelijkverklaring aan de zijde van de Hervormde Gemeente voor zover het de Stichting betreft, is derhalve niet aan de orde.

7. Het hiervoor onder 6 overwogene leidt ertoe dat de Stichting zowel gelet op haar doelstelling als gelet op haar visie dat zij de Gemeente in Hersteld Verband moet volgen, veroordeeld kan worden

toe te staan dat de Hervormde Gemeente exclusief beschikt over het gebruik van de plaatselijke gebouwen, te weten het Kerkgebouw, het Hervormd Verenigingsgebouw en de Pastorie (zoals hiervoor onder 2 van het geschil weergegeven).

8. Vervolgens is de positie van de CBZ in de onderhavige zaak van belang. Zoals hiervoor onder 7 van de vaststaande feiten reeds is aangegeven, is de CBZ door de gezamenlijke vergadering van synoden in het leven geroepen om, ingeval een breuk onvermijdelijk zou blijken, bijzondere voorzieningen te treffen zodanig dat de kerk (de NHK binnen de PKN) betrokken wordt bij een gesprek met degenen die zich van de hervormde kerk losmaken. In de Overgangsbepalingen PKO is aan de CBZ een aantal artikelen gewijd met betrekking tot de taken van de CBZ en de maatregelen die zij kan treffen. Vaststaat - zie artikel 33 Overgangsbepalingen PKO - dat de CBZ (onder meer) als taak heeft voorzieningen te treffen indien een deel van de gemeenteleden een nieuw kerkgenootschap vormt met het oog op het komen tot een nieuw kerkelijk leven van de betrokkenen. Voorshands geoordeeld volgt daaruit dat de CBZ, en dus de NHK binnen de PKN, een zorgplicht heeft jegens de gemeente in Hersteld Verband, met oog voor hun belangen.

9. Wat hiervoor onder 5 over de identiteit van de kerk en de

gemeenten in Hersteld Verband is overwogen, betekent dat de beslissingen en verordeningen van de CBZ, inclusief de onder 10 van de vaststaande feiten bedoelde voorlopige maatregel, wél bindend zijn tegenover haar oprichters en hun opvolger, de PKN, en de leden van haar oprichters en de PKN, waaronder de uitgetreden leden die lid waren van de NHK toen deze meebesliste over de instelling van de CBZ, maar niét tegenover de kerk en de gemeenten in Hersteld Verband. Deze naderhand opgerichte rechtspersonen zijn immers niet betrokken geweest bij de oprichting van de commissies en kunnen niet door het binnen de NHK en de PKN geldende kerkrecht aan de besluiten en verordeningen van die commissies gebonden worden.

10. Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, acht de

voorzieningenrechter het door de Hervormde Gemeente gevorderde voorshands niet toewijsbaar voor zover het ‘ter uitvoering van de voorlopige maatregel van de CBZ’ bedoeld is, maar voor het overige - in voege zoals hierna aan te geven - inhoudelijk wel. Daarbij is de toevoeging ‘ter uitvoering van de voorlopige maatregel van de CBZ’ als het meerdere te beschouwen van het inhoudelijk deel van de vordering, die dus niet geheel wordt toegewezen.

11. De voorzieningenrechter ziet, gelet op de aard van het geschil en de omstandigheid dat deze zaak zich grotendeels afspeelt tussen de leden van één kerkgenootschap, aanleiding de kosten van dit kort geding tussen partijen te compenseren.

De beslissing

De voorzieningenrechter:

1. gebiedt de Gemeente in Hersteld Verband binnen twee weken

na betekening van dit vonnis:

- zich voor het medegebruik van het kerkgebouw te richten naar de daarvoor in de voorlopige maatregel aangegeven regeling;

- af te zien van het gebruik van overige gebouwen anders dan gebruik waarover vooraf overeenstemming is bereikt met de kerkenraad;

- af te zien van het gebruik van roerende en onroerende goederen van de Hervormde Gemeente en van onroerende diaconale goederen anders dan voor het gebruik waarover vooraf overeenstemming is bereikt met de kerkenraad respectievelijk het college van diakenen van de Hervormde Gemeente (de diaken en twee kerkenraadsleden);

- zorg te hebben gedragen voor overhandiging aan dr. H. Veldhuis, voorzitter van de kerkenraad van de Hervormde Gemeente van:

- alle sleutels die toegang geven tot het kerkgebouw en de overige gebouwen van de Hervormde Gemeente waar zij over beschikt;

- alle sleutels die toegang geven tot de (gebouwen van de) Diaconie waar zij over beschikt;

- de ledenadministratie;

- het archief en de doop-, trouw- en overlijdensregisters;

- de financiële administratie van de Hervormde Gemeente en de Diaconie;

- het beheer te hebben overgedragen van eventuele bankrekeningen waar tegoeden staan die toekomen aan (op naam staan van) de Hervormde Gemeente, het college van kerkvoogden, de Diaconie;

- het beheer van onroerende zaken van de Diaconie te hebben overgedragen aan het college van diakenen van de Hervormde Gemeente;

2. veroordeelt de Stichting om:

- te gehengen en te gedogen dat de Hervormde Gemeente exclusief beschikt over het gebruik van het Kerkgebouw aan de Kerkstraat 4, het Hervormd Verenigingsgebouw aan de Kerkstraat 2a en de Pastorie aan de Kerkstraat 8;

- actief al hetgeen te doen dat daarvoor nodig is en waartoe zij redelijkerwijs in staat moet worden geacht;

3. compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat

iedere partij haar eigen kosten draagt;

4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5. weigert het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.D.A. den Tonkelaar en in het openbaar uitgesproken op 10 mei 2005.

de griffier de rechter