Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2005:AT5075

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
04-05-2005
Datum publicatie
04-05-2005
Zaaknummer
05/089170-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank spreekt verdachte vrij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2005, 318
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector strafrecht

Meervoudige Economische Kamer

Parketnummer : 05/089170-04

Datum zitting : 6 mei 2004, 9 september 2004 en 21 april 2005

Datum uitspraak : 4 mei 2005

VERKORT VONNIS

TEGENSPRAAK

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats].

Raadsman: mr. P.J.F.M. de Kerf, advocaat te Nijmegen.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2002

tot 1 mei 2003 te Oosterhout, gemeente Nijmegen (locatie: [locatie]), samen en in vereniging met anderen of

een ander dan wel alleen, (telkens) opzettelijk en wederrechtelijk bij de

sloop van gebouwen (stallen) en/of voorwerpen en/of het demonteren van

voorwerpen (inventaris van stallen) een of meer stoffen, te weten asbest,

asbestvezels en/of asbesthoudende materialen, op en/of in de bodem en/of in de lucht hebben/heeft gebracht, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) om te vermoeden dat daarvan gevaar voor de openbare gezondheid of levensgevaar voor een ander te duchten was,

immers hebben/heeft verdachte en/of zijn mededader(s) op ondeskundige en/of voor de gezondheid gevaarlijke wijze asbest en/of asbesthoudende materialen losgebroken en/of kapotgemaakt en/of gesloopt/gedemonteerd op zodanige wijze dat een (grote) hoeveelheid asbestvezels en/of (stukken of stukjes) asbesthoudende materialen op en/of in de bodem terecht kwam(en) en/of in de lucht werd(en) gebracht, terwijl bij het inademen van die vezels en/of dat materiaal, die vezels an/of dat materiaal kunnen doordringen in de longen (en ernstige ziekten kunnen veroorzaken zoals longkanker en/of mesothelioom -buik- en longvlieskanker-);

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

het aan verdachtes en/of verdachtes mededader(s) schuld te wijten is dat op

één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2002 tot 1

mei 2003 te Oosterhout, gemeente Nijmegen (locatie: [locatie]), (telkens) wederrechtelijk bij de sloop van

gebouwen (stallen) en/of voorwerpen en/of het demonteren van voorwerpen

(inventaris van stallen) een of meer stoffen, te weten asbest, asbestvezels

en/of asbesthoudende materialen, op en/of in de bodem en/of in de lucht is

gebracht, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen

had(den) om te vermoeden dat daarvan gevaar voor de openbare gezondheid of

levensgevaar voor een ander te duchten was, immers hebben/heeft verdachte en/of zijn mededader(s) op ondeskundige en/of voor de gezondheid gevaarlijke wijze asbest en/of asbesthoudende materialen losgebroken en/of kapotgemaakt en/of gesloopt/gedemonteerd op zodanige wijze dat een (grote) hoeveelheid asbestvezels en/of (stukken of stukjes) asbesthoudende materialen op en/of in de bodem terecht kwam(en) en/of in de lucht werd(en) gebracht, terwijl bij het inademen van die vezels en/of dat materiaal, die vezels en/of dat materiaal kunnen doordringen in de longen (en ernstige ziekten kunnen veroorzaken longkanker en/of mesothelioom -buik- en/of longvlieskanker-);

meer subsidiair:

hij op één of meer tijdstippen in op of omstreeks de periode van 1 oktober

2002 tot en met 1 mei 2003 te Oosterhout, gemeente Nijmegen, samen en in

vereniging met anderen of een ander dan wel alleen, (telkens) al dan niet

opzettelijk, zich van afvalstoffen te weten asbest, asbestvezels en/of (delen

van) asbesthoudende materialen heeft ontdaan door deze - al dan niet in

verpakking - buiten een inrichting op of in de bodem te brengen;

2.

hij te Oosterhout, gemeente Nijmegen, terwijl hij samen en in vereniging met

anderen of een ander dan wel alleen, op en/of in de bodem (een) handeling(en)

heeft verricht, te weten het op en/of in de bodem brengen van asbest,

asbestvezels en/of (delen van) asbesthoudende materialen en terwijl hij en/of

verdachtes mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) kunnen

vermoeden, dat door die handeling(en) de bodem kon worden verontreinigd en/of aangetast, al dan niet opzettelijk op of omstreeks 1 mei 2003 (nog) niet aan zijn verplichting heeft voldaan alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs

van hem konden/kunnen worden gevergd, teneinde die verontreiniging en/of

aantasting te voorkomen dan wel, terwijl die verontreiniging en/of aantasting

zich voordeed, de bodem te saneren of de aantasting en de directe gevolgen

daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 6 mei 2004, 9 september 2004 en 21 april 2005 ter terechtzitting onderzocht. Verdachte is op 9 september 2004 en 21 april 2005 verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. P.J.F.M. de Kerf, advocaat te Nijmegen.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, geheel voorwaar-delijk met een proeftijd van 2 jaren en voorts tot het ver-richten van 200 uren werkstraf, subsidiair 100 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd in verzekering doorge-bracht.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

2a. De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat het Openbaar Ministerie op grond van schending van de algemene beginselen van behoorlijke procesorde niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard.

Allereerst heeft de raadsman betoogd dat [verdachte] rechtspositioneel gelijk te stellen is met een ambtenaar, zodat -als de gemeente Nijmegen ter zake van de onderliggende feiten niet vervolgd wordt en haar ambtenaren [naam] en [naam] evenmin- [verdachte] er op had mogen vertrouwen dat hij ook niet door het Openbaar Ministerie zou worden vervolgd.

Voorts heeft de raadsman bepleit dat het ter inzage geven aan de pers van de dagvaarding, terwijl de raadsman reeds een brief aan het Openbaar Ministerie had doen toekomen met daarin de mededeling dat hij een bezwaarschrift tegen de dagvaarding zou indienen bij de rechtbank, bij de beoordeling met betrekking tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie dient te worden meegenomen.

Tenslotte heeft de raadsman aangevoerd dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden aangezien de gemeente Nijmegen voor de onderhavige feiten niet vervolgd is en [verdachte] wel, [verdachte] gelijk kan worden gesteld aan de gemeente Nijmegen en omdat de gemeente Nijmegen anders is behandeld dan een normale verdachte.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het beroep op het vertrouwens- en het gelijkheidsbeginsel dat er geen toezeggingen zijn gedaan aan [verdachte] dat hij niet vervolgd zou worden. Als [verdachte] al als ambtenaar van de gemeente Nijmegen zou kunnen worden aangemerkt, hetgeen feitelijk onjuist is (het stond [verdachte] namelijk vrij om zijn werkzaamheden naar eigen inzicht in te delen en hij was aan niemand verantwoording schuldig), dan volgt daaruit niet dat hij niet door het Openbaar Ministerie vervolgd zou kunnen worden. Bovendien heeft de officier van justitie gemotiveerd aangegeven waarom de gemeente Nijmegen, in tegenstelling tot [verdachte], niet vervolgd is.

Wat de ambtenaren [naam] en [naam] betreft is de rechtbank van oordeel dat, afgezien van de kijkdag op 1 mei 2003, uit niets blijkt dat zij bemoeienis hebben gehad met (de activiteiten van) medeverdachte [medeverdachte]. Bovendien waren hun functies inhoudelijk anders dan de functie van [verdachte], zodat de officier van justitie er van uit mocht gaan dat er geen sprake was van gelijke gevallen.

Wat het punt van de raadsman met betrekking tot de publiciteit betreft merkt de rechtbank op dat niet aannemelijk is geworden dat [verdachte] daardoor in zijn belangen is geschaad. Nergens blijkt uit dat er hier sprake zou zijn geweest van een ernstige schending van beginselen van goede procesorde waarbij doelbewust of met grove veronachtzaming van [verdachte]’ belangen tekort zou zijn gedaan aan diens recht op een behoorlijke behandeling van de zaak.

De door de raadsman gevoerde verweren worden derhalve verworpen.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Verdachte wordt verweten dat hij zich als medepleger en subsidiair als pleger schuldig heeft gemaakt aan opzettelijke, althans culpose milieuverontreiniging, althans het opzettelijk ontdoen van afvalstoffen. Verder wordt verdachte verweten zich als medepleger, althans als pleger te hebben schuldig gemaakt aan bodemverontreiniging.

De feiten

Over de vaststelling van de feiten overweegt de rechtbank als volgt.

Op 20 november 2001 sloot de gemeente Nijmegen met Dumeco BV een koopovereenkomst betreffende de aankoop van het voormalige [locatie]. Het terrein werd aangekocht voor het project ‘Waalsprong’ te Nijmegen. Op 1 september 2002 werden het terrein en de opstallen leeg en ontruimd opgeleverd aan de gemeente Nijmegen.

Door de gemeente Nijmegen werd bekeken of de opstallen konden worden verhuurd of verpacht, met als doel inkomsten te verkrijgen gedurende periode vanaf de levering tot het moment van de sloop. Voor het beheer, gedurende genoemde periode, werd door de gemeente Nijmegen met verdachte een overeenkomst van opdracht gesloten. Uit de overeenkomst volgt dat de werkzaamheden van verdachte bestonden uit het optreden als rentmeester van de Waalsprong. In die hoedanigheid heeft verdachte in opdracht van de gemeente Nijmegen de inventaris van de opstallen verkocht. De inventaris is via een advertentie in het Agrarisch Dagblad op 16 oktober 2002 verkocht aan verdachte [medeverdachte].

Eind oktober 2002 heeft verdachte samen met verdachte [medeverdachte] een rondgang gemaakt op het [locatie]. Uit de verklaring van verdachte als ook uit een door verdachte opgesteld memo volgt dat verdachte [medeverdachte] door verdachte is gewezen op de aanwezigheid van asbest. Omstreeks november/december 2002 is verdachte [medeverdachte] begonnen met de verwijderingwerkzaamheden die hebben geduurd tot en met 1 mei 2003. Verdachte heeft gedurende die werkzaamheden een aantal malen telefonisch contact gehad met verdachte [medeverdachte] en verder is verdachte één keer langs geweest om ter plaatse de werkzaamheden te bespreken. Vanaf 9 april 2003 is verdachte door een gebroken middenvoetsbeentje niet meer op het [locatie] geweest.

Door onder andere de getuige [naam] is geconstateerd dat in de loop van februari 2003 in de stallen werd gesloopt, waarbij asbest is vrijgekomen. Naar zijn zeggen werd er op grove en ondeskundige wijze gesloopt. De getuige [naam] heeft verdachte hiervan meerdere malen telefonisch in kennis gesteld. Verdachte herinnert zich een tweetal telefoongesprekken met de getuige [naam] en volgens verdachte heeft hij daarop verdachte [medeverdachte] aangesproken. Verdachte [medeverdachte] ontkent overigens dat verdachte hem ooit heeft gebeld over de wijze waarop de inventaris werd verwijderd.

Medeplegen

Voor medeplegen is vereist een bewuste, nauwe en volledige samenwerking en verder een gezamenlijke uitvoering. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de inhoud van de bewijsmiddelen niet worden afgeleid dat verdachte enige uitvoeringshandeling heeft verricht. Verder kan uit de bewijsmiddelen evenmin volgen dat verdachte ter uitvoering van een gezamenlijk plan zo nauw en volledig met verdachte [medeverdachte] heeft samengewerkt dat op grond daarvan kan worden aangenomen dat verdachte de ten laste gelegde feiten tezamen en in vereniging met verdachte [medeverdachte] heeft begaan. De rechtbank wijst hierbij op het feit dat de contacten tussen verdachte en verdachte [medeverdachte] zich hebben beperkt tot een aantal telefonische contacten en een enkele werkbespreking op het [locatie]. Ten slotte kan ook niet uit de inhoud van de bewijsmiddelen volgen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan ‘passief’ medeplegen. Hierbij staat weliswaar vooral de aanwezigheid ter plekke op de voorgrond, maar ook dan dient vast te staan dat er sprake is van een voldoende bewuste, nauwe en volledige samenwerking. En van die vereiste samenwerking is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.

Plegen

Nu verdachte niet kan worden verweten zich als medepleger te hebben schuldig gemaakt aan de hem ten laste gelegde strafbare feiten, dient voorts te worden beoordeeld of verdachte als pleger strafbare handelingen heeft verricht. Daarvoor is van belang dat verdachte niet als feitelijke pleger kan worden aangemerkt, nu de sloopwerk-zaamheden niet door hem, maar door verdachte [medeverdachte] zijn uitgevoerd. Verdachte kan enkel als pleger worden aangemerkt indien de gedragingen van [medeverdachte] hem kunnen worden toegerekend. Toerekening is alleen mogelijk indien verdachte erover vermocht te beschikken of de gedragingen van verdachte [medeverdachte] al dan niet zouden plaatsvinden en zodanig gedrag blijkens de feitelijke gang van zaken door verdachte werd aanvaard. Hierbij is van belang dat verdachte [medeverdachte] niet in dienst was bij verdachte, maar op grond van een koopovereenkomst gesloten tussen verdachte [medeverdachte] en de gemeente Nijmegen de inventaris had gekocht. Vastgesteld moet worden of er derhalve een zekere zeggenschapsverhouding heeft bestaan tussen verdachte en verdachte [medeverdachte]. Daarvoor is het noodzakelijk om te bezien hoe de taken en verantwoordelijkheden tussen de gemeente Nijmegen, verdachte en verdachte [medeverdachte] waren geregeld.

In genoemde koopovereenkomst is daaromtrent niets vastgelegd. En dat geldt ook voor de tussen verdachte en de gemeente Nijmegen gesloten beheerovereenkomst en de daaraan verbonden ‘Regeling voor Rentmeester’. Uit de enkele vaststelling dat verdachte als rentmeester zijn werkzaamheden heeft uitgevoerd kan naar het oordeel van de rechtbank in ieder geval niet worden afgeleid dat verdachte zeggenschap had over de werkzaamheden van verdachte [medeverdachte].

Verdachte dient dan ook voor het plegen te worden vrijgesproken nu de gedragingen van [medeverdachte] niet kunnen worden toegerekend aan verdachte.

De rechtbank acht derhalve niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder 1 en 2 is tenlastege-legd en zal hem daarvan vrij-spreken.

4. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Spreekt verdachte vrij van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten.

Aldus gewezen door:

mr. R.J.J. van Acht, rechter, als voorzitter,

mr. M. Jurgens, rechter,

mr. L.G.J.M. van Ekert, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. B.J.M. Vermulst, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 4 mei 2005.