Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2005:AT4651

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
26-04-2005
Datum publicatie
26-04-2005
Zaaknummer
05/091048-03
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARN:2007:BB6874, Overig
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Arnhem heeft in de zaak waarbij de Officier van Justitie en een tolk in de zittingszaal van het gerechtsbouw te Arnhem op 29 januari 2003 werden gegijzeld, de hoofdverdachte S. veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 jaar en 8 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Parketnummer: 05/091048-03

Uitspraakdatum: 26 april 2005

Tegenspraak

VERKORT STRAFVONNIS (art. 138b Sv)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 11 februari 2004, 12 maart 2004, 7 juni 2004, 19 augustus 2004, 1 november 2004, 19 januari 2005 en 12 april 2005 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in [detentie adres].

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 november 2002 tot en met 29 januari 2003 te Arnhem en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 1] (officier van Justitie) en/of [slachtoffer 2] (tolk), wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden (in de Groesbeekzaal van het Paleis van Justitie), met het oogmerk (een) ander(en), te weten de Nederlandse (justitiële) autoriteiten, te dwingen iets te doen of niet te doen, immers [gijzelnemer] heeft [naam] (politiesurveillant) met een wapen (gas-/alarmpistool) bedreigd en/of overmeesterd en/of vervolgens diens vuurwapen (dienstpistool, merk Walther P5) afgepakt en/of (vervolgens) die [slachtoffer 1 (officier van justitie)] en/of die [slachtoffer 2 (tolk)] belet de Groesbeekzaal te verlaten en/of die [slachtoffer 1 (officier van justitie)] en/of die [slachtoffer 2 (tolk)] gedwongen in de Groesbeekzaal te blijven en/of die [slachtoffer 1 (officier van justitie)] een of meerdere malen een wapen tegen het hoofd gezet en/of (daarbij) afgeteld en/of een of meerdere malen een wapen op die [slachtoffer 1 (officier van justitie)] gericht en/of gericht gehouden en/of die [slachtoffer 1 (officier van justitie)] (aldus) met een wapen bedreigd en/of een of meerdere malen tegen die [slachtoffer 1 (officier van justitie)] en/of die [slachtoffer 2 (tolk)] gezegd dat hij, [gijzelnemer], hen/hem/haar zou vermoorden, dood zou schieten en/of af zou maken, althans dergelijke dreigende taal geuit, en/of van de Nederlandse (justitiële) autoriteiten geëist dat - zakelijk weergegeven - de sleutels van de zittingszaal naar de Groesbeekzaal moesten worden gebracht, dat die [slachtoffer 2 (tolk)], die inmiddels de Groesbeekzaal was ontvlucht en/of had verlaten, moest terugkeren naar de Groesbeekzaal en/of dat [verdachte] vanuit het [naam penitentiaire inrichting] moest worden overgebracht naar de Groesbeekzaal, en welk medeplegen van verdachte (onder meer) hieruit heeft bestaan dat verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, conform tevoren met zijn mededader(s) gemaakte afspraken, een mededader ([mededader]) opdracht heeft gegeven, althans –nadrukkelijk - heeft geëist/verzocht, een wapen over de muur van het [naam penitentiaire inrichting] te gooien, althans een wapen het [naam penitentiaire inrichting] binnen te brengen en/of - nadat eerder genoemd wapen (gas-/alarmpistool) over de muur van het [naam penitentiaire inrichting] was gegooid en/of in het [naam penitentiaire inrichting] was binnengebracht - dat wapen (gas-/alarmpistool) heeft

overgedragen, verschaft en/of geleverd aan die [gijzelnemer] en/of zijn mededader(s) en/of contact heeft gelegd en/of

onderhouden met en/of aanwijzingen en/of instructies heeft gegeven aan die [gijzelnemer] en/of zijn mededader(s);

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

[gijzelnemer] op of omstreeks 29 januari 2003 te Arnhem en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 1] (officier van Justitie) en/of [slachtoffer 2] (tolk), wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, met het oogmerk (een) ander(en), te weten de Nederlandse (justitële) autoriteiten, te dwingen iets te doen of niet te doen, immers [gijzelnemer] heeft [naam] (politiesurveillant) met een wapen (gas-/alarmpistool) bedreigd en/of overmeesterd en/of vervolgens diens

vuurwapen (dienstpistool, merk Walther P5) afgepakt en/of (vervolgens) die [slachtoffer 1 (officier van justitie)] en/of die [slachtoffer 2 (tolk)] belet de Groesbeekzaal te verlaten en/of die [slachtoffer 1 (officier van justitie)] en/of die [slachtoffer 2 (tolk)] gedwongen in de

Groesbeekzaal te blijven en/of die [slachtoffer 1 (officier van justitie)] een of meerdere malen een wapen tegen het hoofd gezet en/of (daarbij) afgeteld en/of een of meerdere malen een wapen op die [slachtoffer 1 (officier van justitie)] gericht en/of gericht gehouden en/of die [slachtoffer 1 (officier van justitie)] (aldus) met een wapen bedreigd en/of een of meerdere malen tegen die [slachtoffer 1 (officier van justitie)] en/of die [slachtoffer 2 (tolk)] gezegd dat hij, [gijzelnemer], hen/hem/haar zou vermoorden, dood zou schieten en/of af zou maken, althans dergelijke dreigende taal geuit, en/of van de Nederlandse (justitiële) autoriteiten geëist dat - zakelijk

Weergegeven - de sleutels van de zittingszaal naar de Groesbeekzaal moesten worden gebracht, dat die [slachtoffer 2 (tolk)], die inmiddels de Groesbeekzaal was ontvlucht en/of had verlaten, moest terugkeren naar de Groesbeekzaal en/of dat [verdachte] vanuit het [naam penitentiaire inrichting] moest worden overgebracht naar de Groesbeekzaal, welk feit verdachte in of omstreeks de periode van 1 november 2002 tot en met 29 januari 2003 te Arnhem en/of (elders) in Nederland opzettelijk heeft uitgelokt door giften, beloften, misbruik van gezag, geweld, bedreiging of misleiding en/of door het verschaffen van gelegenheid, middelen en/of inlichtingen, althans tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 1 november 2002 tot en met 29 januari 2003 te Arnhem en/of (elders) in Nederland medeplichtig is geweest door het opzettelijk verschaffen van gelegenheid, middelen en/of

inlichtingen en/of door opzettelijk behulpzaam te zijn, welke opzettelijke uitlokking, althans medeplichtigheid, (onder meer) hieruit heeft bestaan dat verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, conform tevoren met zijn mededader(s) gemaakte afspraken, een mededader ([mededader]) opdracht heeft gegeven, althans – nadrukkelijk - heeft geëist/verzocht, een wapen over de muur van het [naam penitentiaire inrichting] te gooien, althans een wapen het [naam penitentiaire inrichting] binnen te brengen en/of -nadat eerder genoemd wapen (gas-/alarmpistool) over de muur van het [naam penitentiaire inrichting] was gegooid en/of in het [naam penitentiaire inrichting] was binnengebracht - dat wapen (gas-/alarmpistool) heeft overgedragen, verschaft en/of geleverd aan die [gijzelnemer] en/of zijn mededader(s) en/of contact heeft gelegd en/of onderhouden met en/of aanwijzingen en/of instructies heeft gegeven aan die [gijzelnemer] en/of zijn mededader(s);

2.

hij in of omstreeks de periode van 27 tot en met 29 januari 2003, althans in of omstreeks de maand januari 2003, te Arnhem en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk

[gijzelnemer], die krachtens rechterlijke uitspraak en/of beschikking van de vrijheid was beroofd, bij zijn zelfbevrijding behulpzaam is geweest, hierin bestaande dat verdachte en/of verdachtes mededader(s) opzettelijk een wapen over de muur van het [naam penitentiaire inrichting] hebben/heeft gegooid en/of een wapen in het [naam penitentiaire inrichting] hebben/heeft binnengebracht en/of dat wapen (vervolgens) hebben/heeft verschaft en/of geleverd aan die [gijzelnemer];

althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling leidt:

hij in of omstreeks de periode van 27 tot en met 28 januari 2003, althans in of omstreeks de maand januari 2003, te Arnhem en/of (elders) in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [gijzelnemer], die krachtens rechterlijke uitspraak en/of beschikking van de vrijheid was beroofd, bij zijn zelfbevrijding behulpzaam te zijn, opzettelijk, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, -nadat conform tevoren gemaakte afspraken een wapen over de muur van het [naam penitentiaire inrichting] was gegooid en/of een wapen in het [naam penitentiaire inrichting] was binnengebracht - dat wapen heeft verschaft en/of geleverd aan die [gijzelnemer], terwijl de uitvoering van dat

voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

[mededader] in of omstreeks de periode van 27 tot en met 29 januari 2003, althans in of omstreeks de maand januari 2003, te Arnhem en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk verdachte, die krachtens rechterlijke uitspraak en/of beschikking van de vrijheid was beroofd, bij zijn zelfbevrijding behulpzaam is geweest door een wapen over de muur van het [naam penitentiaire inrichting] te gooien en/of een wapen in het [naam penitentiaire inrichting] binnen te brengen en/of dat wapen (aldus) te verschaffen en/of te leveren aan verdachte, welk feit verdachte in of omstreeks de periode van 1 november 2002 tot en met 29 januari 2003, te Arnhem en/of (elders) in Nederland opzettelijk heeft uitgelokt door giften, beloften, misbruik van gezag, geweld, bedreiging of misleiding en/of door het verschaffen van gelegenheid, middelen en/of

inlichtingen, welke opzettelijke uitlokking hieruit heeft bestaan dat verdachte die [mededader] en/of zijn mededader(s) opdracht heeft gegeven, althans –nadrukkelijk - heeft geëist/verzocht, een wapen over de muur van het Huis van

Bewaring Arnhem-Zuid te gooien, althans een wapen het [naam penitentiaire inrichting] binnen te brengen en/of die [mededader] en/of zijn mededader(s) dienaangaande de nodige aanwijzingen en/of instructies heeft gegeven;

althans, indien het vorenstaande onder 3 niet tot een veroordeling leidt:

[mededader] in of omstreeks de periode van 27 tot en met 29 januari 2003, althans in of omstreeks de maand januari 2003, te Arnhem en/of (elders) in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk verdachte, die krachtens rechterlijke uitspraak en/of beschikking van de vrijheid was beroofd, bij zijn zelfbevrijding behulpzaam te zijn, opzettelijk,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een wapen over de muur van het [naam penitentiaire inrichting] heeft gegooid en/of een wapen in het [naam penitentiaire inrichting] heeft binnengebracht en/of dat wapen (aldus) heeft verschaft en/of geleverd aan verdachte, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welk feit verdachte in of omstreeks de periode van 1 november 2002 tot en met 29 januari 2003, te Arnhem en/of (elders) in Nederland opzettelijk heeft uitgelokt door giften, beloften, misbruik van gezag, geweld, bedreiging of misleiding en/of door het verschaffen van gelegenheid, middelen en/of inlichtingen, welke opzettelijke uitlokking hieruit heeft bestaan dat verdachte die [mededader] en/of zijn mededader(s) opdracht heeft gegeven, althans – nadrukkelijk - heeft geëist/verzocht, een wapen over de muur van het [naam penitentiaire inrichting] te gooien, althans een wapen het [naam penitentiaire inrichting] binnen te brengen en/of die [mededader] en/of zijn mededader(s) dienaangaande de nodige aanwijzingen en/of instructies heeft gegeven;

4.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2002 tot en met 3 april 2002, te Renkum en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland

heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne (ongeveer 425 a 500 gram), zijnde cocaïne, een middel vermeld op de bij die wet behorende lijst I, dan wel

aangewezen krachtens het tweede of derde lid van artikel 2 van die wet, immers een persoon, (bekend onder de naam [naam]), heeft die cocaïne vanuit België naar Renkum vervoerd, althans vanuit België binnen het grondgebied van Nederland gebracht, en welk medeplegen van verdachte hieruit heeft bestaan dat verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, die persoon heeft verzocht hem, verdachte, die cocaïne te verschaffen en/of die cocaïne van die persoon in ontvangst heeft genomen en/of die cocaïne (vervolgens) heeft opgeslagen en/of heeft verborgen in (de kelder van) een woning ([adres]);

althans, indien het vorenstaande onder 4 niet tot een veroordeling leidt:

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2002 tot en met 10 november 2003 te Renkum en/of (elders) in

Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne (ongeveer 425 a 500 gram), zijnde cocaïne, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het tweede of derde lid van artikel 2 van die wet;

Op vordering van de officier van justitie is de tenlastelegging van feit 4 ter terechtzitting gewijzigd. Een kopie van die vordering is als bijlage I bij dit vonnis gevoegd en maakt daarvan deel uit.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1 Vrijspraak

De officier van justitie heeft bewezen geacht hetgeen verdachte onder 1 primair, 2 primair, 3 primair en 4 primair is ten laste gelegd.

De rechtbank acht evenwel niet bewezen hetgeen verdachte onder 2 primair en subsidiair is ten laste gelegd en overweegt daartoe als volgt. De rechtbank gaat ervan uit dat verdachte van plan was zichzelf te bevrijden en dat hij hierbij gebruik heeft gemaakt van de hulp van [gijzelnemer]. Onder feit 2 is echter de zelfbevrijding van [gijzelnemer] ten laste gelegd. Al is het zeer aannemelijk te achten dat [gijzelnemer] zelf niet wilde achterblijven, hiervoor is in het dossier geen bewijs voorhanden. Evenmin kan worden bewezen dat verdachte hierbij [gijzelnemer] hulp zou hebben geboden, bestaande uit het (laten) binnenbrengen van het wapen in het [naam penitentiaire inrichting], en het zelf verschaffen of leveren hiervan aan [gijzelnemer].

De rechtbank acht evenmin bewezen hetgeen verdachte onder 3 primair is ten laste gelegd. Zij acht wel bewezen hetgeen onder 3 subsidiair is ten laste gelegd. In dit verband overweegt de rechtbank dat zij - anders dan de officier van justitie - geen voltooide hulp bij zelfbevrijding bewezen acht, omdat de zelfbevrijding, welke bestanddeel vormt van het gronddelict, niet is gerealiseerd; verdachte heeft zich immers niet onttrokken aan het toezicht van de justitiële autoriteiten.

Het onder 4 primair ten laste gelegde acht de rechtbank ten slotte ook niet bewezen omdat zij uit het dossier en uit hetgeen verdachte ter terechtzitting heeft verklaard geen duidelijkheid heeft verkregen over de wijze waarop de cocaïne in de woning aan de [adres] terecht is gekomen alsmede over de rol die verdachte hierbij gespeeld zou hebben. Verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken van het onder 2 primair en subsidiair, 3 primair en 4 primair ten laste gelegde.

3.2 Verweren met betrekking tot de bruikbaarheid van het bewijs

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat de door [naam]) aan de verbalisanten toevertrouwde, belastende informatie jegens verdachte en zijn medeverdachte, van het bewijs moet worden uitgesloten omdat deze is verkregen op een wijze die schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde oplevert van een zodanig ingrijpende aard dat de "Schutznorm" daartegen geen barrière kan opwerpen. Daarbij heeft de raadsman gewezen op de wijze waarop [naam] is benaderd en bewerkt alsmede de manier waarop is geverbaliseerd, nadat de met hem in gang gezette onderhandelingen over een mogelijk getuigenbeschermingsprogramma in de openbaarheid waren gekomen.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Uit het bedoelde proces-verbaal van bevindingen van 9 januari 2004 blijkt dat [naam] in zijn eigen strafzaak veelvuldig is gehoord. Op 23 oktober 2003, na zijn twintigste verhoor, heeft hij aangegeven over belangrijke gegevens te beschikken met betrekking tot de gijzelingszaak en als getuige te willen meewerken, maar uitsluitend anoniem, omdat hij voor zijn leven vreesde, indien bij de criminele betrokkenen bij de gijzeling bekend zou worden dat hij een verklaring had afgelegd. Vervolgens zijn met [naam] gesprekken gevoerd, waarin hij heeft verklaard over de gijzelingszaak en waarin ook aan de orde is geweest de eventuele mogelijkheid van een getuigenbeschermingsprogramma alsook die van een procedure als bedoeld in artikel 226a en verder Wetboek van Strafvordering en tevens gesproken is over een deal in relatie tot zijn eigen strafzaak.

Op 6 november 2003 is aan [naam] meegedeeld dat van een deal geen sprake kon zijn en van een getuigenbeschermingsprogramma evenmin. Wel is de bedreigde-getuigenprocedure als mogelijkheid besproken. Op 23 december 2003 heeft [naam] terecht gestaan in zijn eigen strafzaak. Blijkens het proces-verbaal van de desbetreffende terechtzitting is aldaar, nadat een verzoek tot sluiting van de deuren was afgewezen, betoogd dat [naam] aan de politie informatie had gegeven over de gijzelingszaak en dat aan hem toezeggingen zijn gedaan omtrent zijn voorlopige hechtenis, hetgeen tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie zou moeten leiden. De rechtbank heeft ter terechtzitting van 23 december 2003 de voorlopige hechtenis van [naam] opgeheven met ingang van 24 december 2003 op grond van het voorschrift van artikel 67a lid 3 Wetboek van Strafvordering. Van een en ander is verslag gedaan in een artikel in dagblad “De Gelderlander” van 24 december 2003. Nadat op 29 december 2003 nog een gesprek heeft plaatsgevonden met [naam], is hij op 4 januari 2004 vanuit vreemdelingenbewaring uitgezet naar Albanië.

De rechtbank stelt vast dat, blijkens het hier bedoelde proces-verbaal, reeds op 24 oktober 2003 de status van bedreigde getuige voor [naam] is overwogen, maar dat zulks op 23 december 2003 nog niet was geëffectueerd en dat tussen 6 november en 29 december 2003 tussen [naam] en de politie daaromtrent geen contact is geweest. Voorts stelt de rechtbank vast dat de dienstdoende officier van justitie zich ter terechtzitting van 23 december 2003 heeft verzet tegen sluiting van de deuren, ofschoon het in de rede ligt te veronderstellen dat zij niet geheel onkundig was van de omstandigheid dat [naam] ten aanzien van het gijzelingsonderzoek een bijzondere positie innam. De rechtbank stelt verder nog vast, dat na de opheffing van de voorlopige hechtenis slechts één - afrondend - gesprek tussen verbalisanten en [naam] heeft plaatsgevonden alvorens hij werd uitgezet. Daardoor werd de mogelijkheid van betrokkene nog een verklaring af te nemen nagenoeg illusoir en is ook het stellen van vragen van de zijde van de verdediging onmogelijk geworden.

Anderzijds stelt de rechtbank vast dat de positie van [naam] door zijn eigen raadsman in de openbaarheid is gebracht op grond van een argument – dat toezeggingen zouden zijn gedaan – dat op basis van de stukken voor onjuist moet worden gehouden.

De gedane vaststellingen brengen de rechtbank tot het oordeel dat ten aanzien van [naam] door of onder verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie niet de - gelet op de omstandigheden - vereiste optimale zorgvuldigheid is betracht, hetgeen er onder meer toe heeft geleid dat de verdediging hem geen vragen heeft kunnen stellen. Daaraan dient een rechtsgevolg te worden verbonden.

Anders dan van de zijde van de verdediging is aangevoerd acht de rechtbank bewijsuitsluiting hier een onevenredig zware sanctie. Daarbij kent de rechtbank in het bijzonder betekenis toe aan de omstandigheid dat niet justitie de rol van [naam] in de openbaarheid heeft gebracht, maar dat [naam] daarin zelf een rol heeft gespeeld.

De rechtbank heeft tenslotte geen aanwijzingen gevonden die aannemelijk zouden maken dat de verklaringen van [naam] onder ongeoorloofde druk tot stand zouden zijn gekomen. De wijze waarop de verbalisanten [naam] hebben behandeld alsmede het grote aantal verhoren dat heeft plaatsgevonden heeft de rechtbank bij haar oordeel betrokken.

Ten aanzien van de getuigen die in de loop van het onderzoek de status van bedreigde getuige hebben gekregen heeft de raadsvrouw van verdachte aangevoerd dat zij niet is staat is gesteld zich een beeld te vormen van de betrouwbaarheid van deze getuigen alsmede van de door hen (met name BG1) verschafte informatie. Indien de rechtbank deze getuigenverklaringen gebruikt voor het bewijs zal zij de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens negeren in de zaak Van Mechelen c.s. versus Nederland, waarin het Hof heeft uitgemaakt dat zulke verklaringen niet uitsluitend of in beslissende mate het bewijs van daderschap mogen uitmaken, aldus nog steeds de raadsvrouw van verdachte.

De rechtbank acht de verklaring van de persoon die bij de rechter-commissaris als bedreigde getuige 1 is ge-hoord voldoende betrouwbaar. De rechter-commissaris heeft zich blijkens het daaromtrent opgemaakte pro-ces-verbaal een oordeel gevormd over de betrouwbaarheid van de getuige en deze persoon als betrouwbaar aangemerkt. In aanmerking genomen dat de bij de rechter-commissaris afgelegde verklaringen op belangrijke punten overeenstemmen met de eerder door deze getuige bij de politie afgelegde verklaring (proces-verbaal van 1 februari 2003, opgemaakt door verbalisant [naam]) en voorts met andere bewijsmiddelen ziet de rechtbank geen aanleiding anders te oordelen dan de rechter-commissaris.

Nu het bewijs dat verdachte het onder 1 primair en 3 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan niet uitsluitend of in beslissende mate steunt op de verklaringen van deze getuige, kunnen deze verklaringen meewerken tot het bewijs.

De verklaringen van [naam] en de op zijn informatie gebaseerde de-auditu verklaring van penitentiair inrichtingswerker [naam] kunnen volgens de raadsvrouw van verdachte eveneens niet worden gebruikt voor het bewijs vanwege de daaraan klevende onbetrouwbaarheid, gelet op de omstandigheid dat [naam] eerder in strijd met de waarheid heeft verklaard. Ook de verklaringen van [naam] zouden wegens de gebleken onjuistheden en tegenstrijdigheden daarin niet voor het bewijs bruikbaar zijn.

Dit verweer behoeft geen bespreking, aangezien de rechtbank deze verklaringen niet bezigt voor het bewijs van enig tenlastegelegd feit.

3.3 Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 primair, 3 subsidiair en 4 subsidiair tenlastegelegde feiten heeft begaan in dier voege dat:

1. primair

hij in de periode van 1 november 2002 tot en met 29 januari 2003 te Arnhem tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk [slachtoffer 1] (officier van justitie) en [slachtoffer 2] (tolk) wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden in de Groesbeekzaal van het Paleis van Justitie met het oogmerk anderen, te weten Nederlandse justitiële autoriteiten te dwingen iets te doen, immers [gijzelnemer] heeft [naam] (politiesurveillant) met een wapen (gaspistool) bedreigd en vervolgens diens vuurwapen (dienstpistool, merk Walther P5) afgepakt en vervolgens die [slachtoffer 1 (officier van justitie)] belet de Groesbeekzaal te verlaten en die [slachtoffer 1 (officier van justitie)] en die [slachtoffer 2 (tolk)] gedwongen in de Groesbeekzaal te blijven en die [slachtoffer 1 (officier van justitie)] een wapen tegen het hoofd gezet en daarbij afgeteld en meerdere malen een wapen op die [slachtoffer 1 (officier van justitie)] gericht en die [slachtoffer 1 (officier van justitie)] aldus met een wapen bedreigd en meerdere malen tegen die [slachtoffer 1 (officier van justitie)] en die [slachtoffer 2 (tolk)] gezegd dat hij, [gijzelnemer], hen/hem/haar zou vermoorden, dood zou schieten en/of af zou maken, en van Nederlandse justitiële autoriteiten geëist dat de sleutels van de zittingszaal naar de Groesbeekzaal moesten worden gebracht, dat die [slachtoffer 2 (tolk)], die inmiddels de Groesbeekzaal had verlaten, moest terugkeren naar de Groesbeekzaal en dat [verdachte] vanuit het [naam penitentiaire inrichting] moest worden overgebracht naar de Groesbeekzaal,

en welk medeplegen van verdachte hieruit heeft bestaan dat verdachte [mededader] heeft verzocht een wapen over de muur van het [naam penitentiaire inrichting] te gooien, en - nadat eerder genoemd wapen

(gaspistool) over de muur van het [naam penitentiaire inrichting] was gegooid en in het [naam penitentiaire inrichting] was binnengebracht - contact heeft onderhouden met en aanwijzingen heeft gegeven aan die [gijzelnemer].

3. subsidiair

[mededader] omstreeks 27 januari 2003 te Arnhem ter uitvoering van het door [mededader] voorgenomen misdrijf om opzettelijk verdachte, die krachtens rechterlijke beschikking van de vrijheid was beroofd, bij zijn zelfbevrijding behulpzaam te zijn, een wapen over de muur van het [naam penitentiaire inrichting] heeft gegooid terwijl de uitvoering van voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

welk feit verdachte in de periode van 1 november 2002 tot en met 29 januari 2003 te Arnhem opzettelijk heeft uitgelokt door het verschaffen van inlichtingen, welke opzettelijke uitlokking hieruit heeft bestaan dat verdachte die [mededader] heeft verzocht een wapen over de muur van het [naam penitentiaire inrichting] te gooien en die [mededader] dienaangaande de nodige aanwijzingen heeft gegeven.

4. subsidiair

hij in de periode van 1 januari 2002 tot en met 10 november 2003 tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne (ongeveer 425 gram) zijnde cocaïne, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd.

In het bijzonder geldt dit ten aanzien van feit 3 subsidiair waarin het woord ‘verdachte’ in de 1e regel is vervangen door ‘[mededader]’. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte onder 1 primair, 3 subsidiair en 4 subsidiair meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

3.4 Bewijsoverweging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat tijdens het opsporingsonderzoek sprake is geweest van een tunnelvisie waarbij de relatie tussen verdachte en [gijzelnemer] van groot belang werd geacht voor het uiteindelijke verwijt dat verdachte ten aanzien van de gijzeling wordt gemaakt. Politie en justitie zouden slechts oog hebben gehad voor één scenario, terwijl andere scenario’s onvoldoende zijn onderzocht.

De rechtbank is daaromtrent een ander oordeel toegedaan. Het onderzoeksteam heeft open en zeer uitgebreid gerechercheerd en daarvan nauwkeurig verslag gedaan. Voor zover alternatieve scenario’s naar de mening van de verdediging onvoldoende waren onderzocht, zijn in de loop van de behandeling van de zaak daartoe strekkende verzoeken gedaan die telkenmale hebben geleid tot terugwijzingen naar de rechter-commissaris voor nader onderzoek. Alle daartoe strekkende verzoeken zijn gehonoreerd. Noch in het opsporingsonderzoek, noch in het onder leiding van de rechter-commissaris verrichte onderzoek vindt de rechtbank aanwijzingen voor de opvatting dat alternatieve scenario’s onvoldoende aandacht hebben gekregen.

4. Strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

1 primair.

medeplegen van gijzeling

3 subsidiair.

uitlokking van een poging tot zelfbevrijding

4 subsidiair.

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 aanhef en onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;

5. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting voor de feiten 1 primair, 2 primair, 3 primair en 4 primair een gevangenisstraf gevorderd voor de duur van tien jaar.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Op 29 januari 2003 betrad [gijzelnemer], die vanuit het [naam penitentiaire inrichting] door de Dienst Vervoer en Ondersteuning was aangevoerd, in het bezit van een gaspistool de Groesbeekzaal in het Arnhemse Paleis van Justitie. Nadat hij met dit wapen één van de parketwachten had bedreigd, kon hij diens dienstwapen van hem afpakken. Alle in de zaal aanwezigen wisten te vluchten behalve de officier van justitie en de tolk. Zij bleven met de gijzelnemer achter. Zowel de officier van justitie als de tolk werden meerdere malen bedreigd en hun werd te verstaan gegeven dat zij de Groesbeekzaal niet levend zouden verlaten. De gijzelnemer eiste dat hem de sleutels van de zittingszaal zouden worden gegeven. De tolk heeft toen zij de sleutels van buiten de zaal moest gaan halen, de zittingszaal kunnen verlaten. De officier van justitie werd nadien nog meerdere malen onder schot genomen waarbij één keer een wapen tegen zijn hoofd werd gezet, de gijzelnemer zijn wijsvinger om de trekker hield en vervolgens aftelde.

De gijzelnemer liet vervolgens via de gegijzelde officier van justitie aan de politie weten dat verdachte uit het [naam penitentiaire inrichting] diende te worden opgehaald. Aan de gijzeling kwam pas een einde toen het arrestatieteam reageerde op een door de gijzelnemer per ongeluk en ongericht afgevuurd schot en de zittingszaal binnenstormde waarna de gijzelnemer dodelijk werd getroffen en de officier van justitie werd geraakt in zijn schouder. Zwaar gewond is deze afgevoerd naar het ziekenhuis.

De rechtbank gaat ervan uit dat verdachte wilde ontsnappen uit het [naam penitentiaire inrichting] en zijn medegedetineerde en afdelingsgenoot [gijzelnemer] heeft benaderd om hem hierbij te helpen. Verdachte heeft ook een kennis van hem gevraagd een wapen over de muur van het Huis van Bewaring te gooien. Vervolgens heeft hij [gijzelnemer] aanwijzingen gegeven over hetgeen er in het Paleis van Justitie diende te gebeuren. Daartoe behoorde dat [gijzelnemer] tijdens de gijzeling naar verdachte zou vragen om te bewerkstelligen dat deze vanuit het Huis van Bewaring naar het Paleis van Justitie zou worden overgebracht en hij zich langs die weg aan zijn vrijheidsontneming zou onttrekken.

Een poging te ontsnappen uit detentie door in een gerechtsgebouw een officier van justitie en een tolk te gijzelen acht de rechtbank een flagrante inbreuk op de uitgangspunten van de rechtsstaat. Het valt verdachte uiterst kwalijk te nemen dat hij een jonge medegedetineerde heeft ingeschakeld en deze bij wijze van spreken een "mijnenveld" heeft ingestuurd met alle risico’s van dien. De dood van deze nog jonge man moet verdachte in dat opzicht dan ook worden aangerekend. De tolk en de officier van justitie zijn zeer ernstig bedreigd en hebben gevreesd voor hun leven. De officier van justitie heeft zelfs enkele uren aan de bedreigingen bloot gestaan. De ernstige inbreuk die aldus is gemaakt op hun lichamelijke en geestelijke integriteit kan als traumatische ervaring lang nawerken. Ook op de overige betrokkenen, te weten de zittingdoende rechters en griffier, de parketwachten en overige aanwezigen in en rondom de Groesbeekzaal heeft deze gijzeling zeer diepe indruk gemaakt.

Verdachte heeft zich eveneens schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een hoeveelheid cocaïne.

Cocaïne bevat voor de gezondheid van personen schadelijke stoffen. Het betreft hier een verslavend en bewustzijnsbeïnvloedend middel ten aanzien waarvan de wetgever (onder meer) het bezit heeft verboden.

De verspreiding van en handel in cocaïne gaat gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. Gelet op de gedeeltelijke vrijspraak alsmede op de vaststellingen die de rechtbank heeft gedaan met betrekking tot de gang van zaken omtrent [naam] komt de rechtbank tot een lagere straf dan door de officier van justitie is geëist. In het bijzonder geldt dat de rechtbank in verband met de zojuist bedoelde gang van zaken komt tot een verlaging van de anders opgelegde straf met zes maanden.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

Wetboek van Strafrecht: 45, 47, 57, 63, 191 en 282a

Opiumwet: 2 en 10

8. Beslissing

De rechtbank:

Spreekt verdachte vrij van de hem onder 2 primair en subsidiair, 3 primair en 4 primair tenlastegelegde

feiten.

Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1 primair, 3 subsidiair en 4 subsidiair tenlastegelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.3 vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is

aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezenverklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaar en acht maanden.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige

hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. Verpalen, voorzitter,

mrs. Terwiel en Sicking, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffiers mrs. Den Haan en Van Nunen,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 26 april 2005.