Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2005:AT4393

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
16-03-2005
Datum publicatie
21-04-2005
Zaaknummer
103472
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank overweegt dat de brandstichting door gedaagde een onrechtmatig handelen betreft.

Door Woudsend wordt niet betwist dat gedaagde ten tijde van brandstichting verminderd toerekeningsvatbaar was.

Naar het oordeel van de rechtbank is de verminderd toerekeningsvatbaarheid ten tijde van de brandstichting geen beletsel om de brandstichting als een onrechtmatige daad aan gedaagde toe te rekenen (artikel 6:165 BW).

De rechtbank overweegt voorts dat als onbetwist vast staat dat als gevolg van de brandstichting schade is geleden door de eigenaar van het bedrijfspand.

Verder is niet in geschil dat de geschonden norm -gij zult andersmans spullen niet beschadigen- strekt tot bescherming tegen de schade die de benadeelde heeft geleden.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat aan de vereisten voor aansprakelijkheid ex artikel 6:162 BW is voldaan.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Burgerlijk Wetboek Boek 6 165
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2005/49
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak/rolnummer: 103472 / HA ZA 03-1416

Datum uitspraak: 16 maart 2005

Vonnis

in de zaak van

de naamloze vennootschap

N.V. VERZEKERING MAATSCHAPPIJ WOUDSEND AO 1816,

gevestigd te Woudsend, gemeente Wymbritseradiel,

eiseres,

procureur mr. P.C. Plochg,

advocaat mr. T. Bogers te Utrecht,

tegen

[gedaagde],

wonende te Culemborg,

gedaagde,

procureur en advocaat mr. C.G.T. van Ouwerkerk te Tiel.

1. Het verloop van de procedure

Voor het verloop van de procedure wordt verwezen naar het tussenvonnis van 21 januari 2004. Ter uitvoering van dit vonnis heeft een comparitie van partijen plaatsgevonden. Het proces-verbaal daarvan bevindt zich bij de processtukken. De procedure is vervolgens naar de slaaprol verwezen. Daarna zijn de volgende processtukken gewisseld: een akte aan de zijde van gedaagde en een akte aan de zijde van eiseres. Tot slot is vonnis bepaald.

2. De vaststaande feiten

2.1. Gedaagde, hierna te noemen: [gedaagde], heeft in de nacht van 3 op 4 juni 2003 brand gesticht in het bedrijfspand op het Stationsemplacement in Culemborg. Het bedrijfspand is eigendom van Handelsonderneming [gedaagde] B.V.. [gedaagde] is de zoon van de directeur van deze onderneming, de heer G.J. [gedaagde].

2.2. In opdracht van eiseres, hierna te noemen: Woudsend, de verzekeraar van Handelsonderneming [gedaagde] B.V., heeft I.TEK B.V.een schaderapport uitgebracht. Het rapport (rapportnummer: 03.2315.006 d.d. 20 juni 2003) bevindt zich bij de processtukken. Door de schade-expert is de schade aan de opstal en diverse roerende zaken vastgesteld op een totaalbedrag van € 412.943,--.

2.3. Woudsend heeft verzekeringspenningen uitgekeerd aan [gedaagde] Handelsonderneming B.V. en is conform artikel 284 K getreden in de rechten van de verzekerde.

2.4. Woudsend heeft [gedaagde] bij brief van 17 juli 2003 aansprakelijk gesteld voor de brandschade.

2.5. Bij strafvonnis van 12 november 2003 heeft deze rechtbank [gedaagde] ter zake van de brandstichting veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk. Uit het strafvonnis blijkt dat de rechtbank de brandstichting in verminderde mate aan [gedaagde] heeft toegerekend. De rechtbank heeft bij deze beslissing en bij de beslissing over de straf rekening gehouden (onder meer) met een over [gedaagde] opgemaakt psychologisch rapport van [psycholoog], klinisch psycholoog, gedateerd 20 september 2003. In dit rapport concludeert de deskundige dat [gedaagde] ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde lijdende was aan een persoonlijkheidsstoornis met afhankelijke en vermijdende trekken, met daarnaast symptomen van een posttraumatische stressstoornis en PDD-NPS kenmerken. Het strafvonnis en het rapport van drs. Seegers bevindt zich bij de processtukken.Tegen het strafvonnis is geen hoger beroep in gesteld.

2.6. Woudsend heeft op 18 juli 2003 ten laste van [gedaagde] derdenbeslag doen leggen onder ING Bank.

3. Het geschil

3.1. Woudsend vordert dat de rechtbank [gedaagde] bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zal veroordelen tot betaling van een totaalbedrag van € 422.483,95, te vermeerderen met de wettelijke rente over de hoofdsom van € 412.943,-- vanaf 11 augustus 2003 tot aan de dag van algehele voldoening en met veroordeling in de proceskosten.

3.2. Woudsend voert aan dat [gedaagde] jegens de verzekerde aansprakelijk is voor de schade ten gevolge van de brandstichting. Met een beroep op artikel 284 K voert Woudsend aan dat [gedaagde] gehouden is de uitgekeerde verzekeringspenningen, thans vermeerderd met rente en kosten, aan haar te vergoeden.

3.3. [gedaagde] erkent dat hij brand heeft gesticht in het betreffende bedrijfspand. Volgens [gedaagde] kan de brandstichting hem slechts in verminderde mate worden toegerekend en hij verwijst in dit verband naar het strafvonnis. [gedaagde] voert voorts aan dat de schade hem niet geheel kan worden toegerekend. Volgens [gedaagde] is de schade groter dan aan zijn schuld is te wijten, omdat de brandweer pas geruime tijd nadat zij ter plaatse was met de bluswerkzaamheden is begonnen. Hierdoor heeft de brand zich verder kunnen uitbreiden dan het geval zou zijn geweest indien de brandweer meteen tot blussen zou zijn overgegaan, en dit is volgens [gedaagde] een niet voor hem voorzienbaar gevolg van zijn handelen geweest. Tot slot bepleit [gedaagde] een aanzienlijke matiging van de vordering van Woudsend.

4. De beoordeling van het geschil

4.1. Ten aanzien van het gelegde beslag zijn alle wettelijke formaliteiten en termijnen in acht genomen.

4.2. De rechtbank stelt voorop dat de door de uitkering van de verzekeringspenningen de vordering tot schadevergoeding op Woudsend is overgegaan (artikel 284 K).

4.3. De rechtbank overweegt dat de brandstichting door [gedaagde] een onrechtmatig handelen betreft.

Door Woudsend wordt niet betwist dat [gedaagde] ten tijde van brandstichting verminderd toerekeningsvatbaar was. Dat laatste blijkt reeds afdoende uit hetgeen hiervoor onder 2.5 is overwogen ter zake van het strafvonnis van 12 november 2003 en het rapport van drs. Seegers van 20 september 2003. Naar het oordeel van de rechtbank is de verminderd toerekeningsvatbaarheid ten tijde van de brandstichting geen beletsel om de brandstichting als een onrechtmatige daad aan [gedaagde] toe te rekenen (artikel 6:165 BW).

De rechtbank overweegt voorts dat als onbetwist vast staat dat als gevolg van de brandstichting schade is geleden door de eigenaar van het bedrijfspand.

Verder is niet in geschil dat de geschonden norm -gij zult andersmans spullen niet beschadigen- strekt tot bescherming tegen de schade die de benadeelde heeft geleden.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat aan de vereisten voor aansprakelijkheid ex artikel 6:162 BW is voldaan.

4.4. Met betrekking tot de vaststelling van de omvang van de schadevergoedingsplicht overweegt de rechtbank het volgende. Ingevolge artikel 6:98 BW komt slechts voor vergoeding in aanmerking schade die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend. Het gaat in casu om aansprakelijkheid wegens brandstichting en de opgetreden brandschade behoort naar het oordeel van de rechtbank tot de kenmerkende gevolgen van de brandstichting. De opgetreden brandschade is immers een naar objectief inzicht, redelijkerwijs te verwachten gevolg van de brandstichting. Het verweer van [gedaagde] dat hij niet de intentie had om veel schade te veroorzaken gaat naar het oordeel van de rechtbank niet op. De rechtbank is voorts van oordeel dat het voor risico van [gedaagde] komt dat de brandweer, toen zij ter plaatse arriveerde, niet meteen met bluswerkzaamheden kon beginnen. Het voorgaande brengt naar het oordeel van de rechtbank mee dat [gedaagde] de ontstane brandschade in beginsel volledig dient te vergoeden.

4.5. Met betrekking tot de omvang van de schade overweegt de rechtbank dat [gedaagde] het onder 2.2. genoemde rapport van I.TEK B.V. onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken. Naar het oordeel van de rechtbank kan het schadebedrag derhalve worden vastgesteld op een bedrag van € 412.943,--.

4.6. De rechtbank overweegt voorts dat toekenning van volledige schadevergoeding in de gegeven omstandigheden tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zou leiden. [gedaagde] was ten tijde van de brandstichting verminderd toerekeningsvatbaar en dat staat naar het oordeel van de rechtbank het toekennen van volledige schadevergoeding zoals thans gevorderd in de weg. Een andere omstandigheid waaraan de rechtbank niet voorbij wil gaan is de beperkte draagkracht van [gedaagde]. Het is niet in geschil dat [gedaagde] niet in staat is en zal zijn het volledige schadebedrag van € 412.943,-- te betalen, ook niet in betalingstermijnen waarmee vele jaren zullen zijn gemoeid. Het beslag op de rekeningen van [gedaagde] heeft “slechts” doel getroffen tot een totaalbedrag van € 21.500,--.

Beide omstandigheden worden door Woudsend op de comparitie onderkend. Een andere omstandigheid die naar het oordeel van de rechtbank voor matiging pleit betreft het volgende.

4.7. Op de comparitie is onder meer besproken de mogelijkheid de wettelijk aansprakelijkheidsassuradeur van [gedaagde] aan te spreken. Zo zou de raadsman van [gedaagde] de betreffende verzekeraar met spoed aanspreken en Woudsend op de hoogte houden van de ontwikkelingen hierin. Het een noch het ander is gebeurd. Wel is door [gedaagde] gemeld dat op de WA-verzekering de aangescherpte voorwaarden in geval van opzet van toepassing zijn en dat de WA-assuradeur zich op standpunt stelt dat er geen dekking is, omdat de schade door opzet is veroorzaakt. Voor de volledigheid meldt de rechtbank dat op de griffie van deze rechtbank een afschrift van een vonnis van de rechtbank te ’s-Gravenhage van 16 februari 2005 is ingekomen, toegezonden door griffie van de Haagse rechtbank. Uit dit vonnis blijkt dat [gedaagde] een procedure heeft opgestart tegen Klaverblad Schadeverzekeringsmaatschappij N.V. en dat die procedure naar de rechtbank te Arnhem is verwezen. [gedaagde] vordert dat Klaverblad aan hem zal betalen al hetgeen hij ([gedaagde]) aan Woudsend in de onderhavige procedure zal moeten betalen. [gedaagde] heeft derhalve een soort van vrijwaringprocedure opgestart en dat was duidelijk niet de bedoeling. Wat van die procedure verder zij, de rechtbank acht het heel goed denkbaar dat een beroep op de zogenaamde opzetclausule door de WA-assuradeur in rechte zal worden gehonoreerd. De rechtbank gaat er van uit dat er geen uitkering door de WA-assuradeur komt en dat rechtvaardigt in samenhang met hetgeen hiervoor onder 4.6 is overwogen een forse matiging van de door Woudsend ingestelde vordering.

4.8. De rechtbank is alles overziende van oordeel dat er voldoende grond om de wettelijke verplichting tot schadevergoeding te matigen tot een bedrag van € 100.000,--. De rechtbank zal dit bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 augustus 2003, als schadevergoeding aan Woudsend toekennen.

4.9. Met betrekking tot de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten is onvoldoende aangetoond dat er substantiële incassowerkzaamheden zijn verricht buiten de brief van 17 juli 2003. [gedaagde] heeft deze werkzaamheden betwist en hiervan is geen bewijs door Woudsend aangeboden. Deze vordering dient derhalve te worden afgewezen.

4.10. Als de hoofdzakelijk in het ongelijk gestelde partij zal [gedaagde] in de kosten van deze procedure -de kosten van het beslag inbegrepen- worden verwezen.

5. De beslissing

De rechtbank

veroordeelt [gedaagde] tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Woudsend te betalen de somma van € 100.000,-- (éénhonderdduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 augustus 2003 tot de dag van algehele voldoening,

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van deze procedure, tot aan dit vonnis aan de zijde van Woudsend begroot op € 4.263,-- voor salaris en op € 1.488,68,

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.G.J.M. van Ekert en in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2005.

de griffier de rechter