Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2005:AT4157

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
11-03-2005
Datum publicatie
19-04-2005
Zaaknummer
123257
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Executiegeschil;

Vraag of dwangsommen zijn verbeurd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 123257 / KG ZA 05-68

Datum vonnis: 11 maart 2005

Vonnis in kort geding

in de zaak van

1. Mr. [eiser]

kantoorhoudende te [woonplaats],

in zijn hoedanigheid van vereffenaar van de nalatenschap van wijlen de heer [b[betrokkene],

2. de vennootschap naar Frans recht

MARWIN INTERNATIONAL FRANCE SÀRL,

gevestigd te Valbonne,

ten deze vertegenwoordigd door mr. [eiser] voornoemd, in zijn hoedanigheid van gérant van deze vennootschap,

eisers in conventie bij dagvaarding van 9 februari 2005,

verweerders in reconventie,

procureur mr. J.M. Bosnak,

advocaat mr. C.H.B. Winters te Arnhem,

tegen

1. [gedaagde],

wonende te [woonplaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

M.O.M. BEHEER B.V.,

gevestigd te Leeuwarden,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. A Steinz te Laren (N-H).

Partijen worden hierna respectievelijk de vereffenaar, Marwin (eisers gezamenlijk; de vereffenaar c.s.) en [gedaagde] c.s. genoemd.

Het verloop van de procedure

De vereffenaar c.s. heeft [gedaagde] c.s. ter terechtzitting in kort geding doen dagvaarden en gevorderd als weergegeven in de dagvaarding.

[gedaagde] c.s. heeft geconcludeerd tot weigering van de gevraagde voorzieningen en tevens een eis in reconventie ingesteld,

zoals weergegeven in de pleitnotities van zijn raadsman.

De vereffenaar c.s. heeft geconcludeerd tot weigering van de in reconventie gevraagde voorzieningen. De raadslieden van partijen hebben de zaak bepleit overeenkomstig de door hen overgelegde pleitnotities. Zij hebben daarbij producties in het geding gebracht.

Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

De vaststaande feiten

1. Partijen zijn op 28 november 2003 een schriftelijke koopovereenkomst aangegaan – hierna de koopovereenkomst –

over de verkoop aan [gedaagde] c.s. door de vereffenaar c.s. van een onroerend goedcomplex gelegen te St. Maxime in Frankrijk.

In de koopovereenkomst is onder meer bepaald:

“1.Het object

1.1. Object van de koopovereenkomst die hierbij wordt gesloten is het onroerend goedcomplex gelegen te St. Maxime, bekend als La Résidence du Lac (...)

2.De prijs

2.1. De totale koopprijs bedraagt € 2.670.000,00 inclusief BTW, kosten koper.

2.2. Een gedeelte groot € 1.020.000,00 wordt toegerekend aan de kavels 1 en 3 van het object, welke vallen in de nalatenschap van (...) [betrokkene].

2.3. Het overige gedeelte van de totale koopsom, derhalve € 1.650.000,00 wordt toegerekend aan de overige kavels, die eigendom zijn van Marwin (...)

3.Verplichtingen van de verkoper

(...)

3.3. (...) Voorts is verkoper gehouden de omzetbelasting af te dragen. Deze bedraagt 19,6% over het zakelijke deel van het object, terwijl voor de privézaken aan omzetbelasting 19,6% is verschuldigd over het verschil tussen de verkoopprijs en het in de aankoop en bouw geïnvesteerde bedrag. Naar schatting zal het totale bedrag aan omzetbelasting ruim € 300.000,00 bedragen (...)

4.verplichtingen van de koper

(...)

4.5 De kosten van de notariële overdracht en eventuele overdrachtsbelasting en registratiekosten komen voor rekening van de koper (...)

8.Slotbepalingen

(...)

8.2 Op deze overeenkomst in het Nederlandse recht van toepassing, behoudens

voorzover krachtens het Frans recht dwingendrechtelijk Frans recht van

toepassing is.

8.3 Geschillen zullen bij uitsluiting worden voorgelegd aan de Rechtbank te Arnhem, behoudens voorzover het Frans recht dwingendrechtelijk anders voorschrijft.”

2. Met betrekking tot kavel 3 en kavel 7 in het bovengenoemde onroerend goedcomplex heeft de voorzieningenrechter bij vonnis

van 25 november 2004, in welk vonnis mr. [eiser] wordt aangeduid als de vereffenaar van de nalatenschap van [betrokkene] en van Marwin International France sarl – hierna Marwin –, in reconventie onder meer de navolgende veroordelingen uitgesproken:

“veroordeelt de vereffenaar om inzake kavel 3 in het boven gemeld onroerend goedcomplex een akte van overdracht te (doen) ondertekenen bij notaris [betrokkene 2] te Valbonne (Frankrijk) voor een netto-koopprijs van € 378.762,54, alsmede om inzake kavel 7 in het boven gemelde onroerend goedcomplex ten overstaan van notaris [betrokkene 2] voornoemd een rectificatieakte te (doen) ondertekenen die leidt tot een netto-koopprijs voor deze kavel van € 153.846,15;

veroordeelt de vereffenaar om een dwangsom van € 10.000,00 te betalen aan [gedaagde] voor iedere dag dat hij na zeven dagen na betekening van dit vonnis geen uitvoering geeft aan de veroordeling hiervóór tot het verlenen van medewerking, zulks tot een maximum van in totaal € 250.000,00;

veroordeelt de vereffenaar in de kosten van deze procedure;

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;”

3. Het vonnis van de voorzieningenrechter van 25 november 2004

is op 2 december 2004 betekend aan de vereffenaar c.s.

4. De ondertekening van de rectificatieakte met betrekking tot

kavel 7 heeft plaatsgehad op 29 november 2004. De overdrachtsakte van kavel 3 is ondertekend op 7 januari 2005.

5. Bij deurwaardersexploit van 12 januari 2005 heeft [gedaagde] c.s.

de vereffenaar c.s. doen aanzeggen – zakelijk weergegeven – dat de maximale dwangsommen van € 250.000,00 die bij vonnis

van 25 november 2004 waren opgelegd, zijn verbeurd.

6. Ter inning de van de dwangsommen heeft [gedaagde] c.s. uit kracht van de grosse van het vonnis van 25 november 2004 c.s. ten laste van de nalatenschap van [betrokkene] en ten laste van Marwin

op 17 januari 2005 executoriaal derden—beslag gelegd onder Stichting Beheer derdengelden Hekkelman Advocaten te Nijmegen, de stichting beheer derdengelden van het kantoor van mr. [eiser]. Voorts heeft [gedaagde] c.s. tot zekerheid van de inning van de dwangsommen en vergoeding van (proces)kosten met machtiging van de executierechter bij de rechtbank van Grasse (Frankrijk) van 11 januari 2005, ten laste van de nalatenschap van [betrokkene] en ten laste van Marwin op 18 januari 2005 conservatoir beslag gelegd (zakelijk weergegeven) onder notaris [betrokkene 2] te Valbonne (Frankrijk) op vorderingen van de nalatenschap van [betrokkene] en op vorderingen van Marwin op notaris [betrokkene 2] (uitmakende de netto verkoopopbrengsten van de verkochte kavels). In haar machtiging heeft de executierechter te Grasse bepaald dat [gedaagde] c.s. binnen een maand na de beslaglegging een bodemprocedure moet instellen of moet voldoen aan de noodzakelijke formaliteiten ter verkrijging van een executoriale titel op straffe van waardeloosheid van de beslaglegging. [gedaagde] c.s. heeft bij dagvaarding van 24 januari 2005 mr. [eiser] als vereffenaar van de nalatenschap van [betrokkene] betrokken in een bodemprocedure bij de rechtbank Arnhem – zakelijk weergegeven – tot betaling van de dwangsommen ad € 250.000,00. De zaak zal dienen op 14 april 2005.

Het geschil in conventie en reconventie

1. Zakelijk weergegeven vordert de vereffenaar c.s. primair opheffing van de hiervóór genoemde beslagen, met een verbod voor [gedaagde] c.s. om op basis van het vonnis van de voorzieningenrechter

van 25 november 2004 (verdere) executiemaatregelen te treffen,

en subsidiair opheffing van de dwangsommen die zijn opgelegd bij het vonnis van 25 november 2004 en deze dwangsommen tot nihil te verminderen voor zover die verbeurd zijn.

2. De vereffenaar c.s. legt aan zijn vordering ten grondslag dat de beslagen onrechtmatig zijn. Hij stelt daartoe dat de dwangsommen niet verbeurd zijn omdat al vóórdat aan hem het vonnis van de voorzieningenrechter van 25 november 2004 was betekend hij uitvoering had gegeven aan de veroordelingen in het vonnis,

door direct nadat hem telefonisch op 25 november 2004 het dictum van het vonnis bekend was gemaakt, notaris [betrokkene 2] opdracht te geven om met gebruikmaking van de onder haar berustende volmachten van de vereffenaar c.s. de akten te verlijden.

De rectificatieakte met betrekking tot perceel 7 is daardoor al

op 29 november 2004 ondertekend, nog vóórdat het vonnis was betekend. Subsidiair beroept de vereffenaar c.s. zich erop dat het hem niet verweten kan worden dat het verlijden van de overdrachtsakte van kavel 3 pas op 7 januari 2005 heeft plaatsgehad, omdat het verlijden van die akte niet alleen van zijn medewerking afhankelijk was,

maar ook van de rechter-commissaris in de nalatenschap van

[betrokkene], aan wie notaris [betrokkene 2] in verband met de verlaging van de koopsom als gevolg van het vonnis van 25 november 2004, (opnieuw) goedkeuring heeft gevraagd. Volgens de vereffenaar c.s. heeft hij zijn uiterste best gedaan om spoedig goedkeuring van de rechter-commissaris te krijgen, maar is desondanks de goedkeuring pas op 15 december 2004 gegeven. Voorts stelt de vereffenaar c.s. dat het verlijden van de overdrachtsakte afhankelijk was van de medewerking van de gemeente St. Maxime die naar Frans recht kennelijk opnieuw een voorkeursrecht op kavel 3 had door de verlaging van de koopprijs. De vereffenaar c.s. ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaringen van notaris [betrokkene 2] over de noodzaak tot het wederom vragen aan de gemeente of zij haar voorkeursrecht wilde uitoefenen, de rappellen die zij daarna aan de gemeente heeft gestuurd en de datum van ontvangst van het bericht van de gemeente dat zij haar voorkeursrecht niet zou uitoefenen, enkele dagen nadat notaris [betrokkene 2] op 3 januari 2005 wederom de gemeente had gemaand tot het nemen van een beslissing. De vereffenaar stelt dat [gedaagde] c.s. onder deze omstandigheden misbruik maakt van zijn bevoegdheid om aan de hand van het vonnis van 25 november 2004 beslagen te leggen ter inning, dan wel tot zekerstelling van de inning, van dwangsommen.

3. [gedaagde] c.s. is van mening dat de vereffenaar c.s. op basis van het vonnis van 25 november 2004 de maximale dwangsommen heeft verbeurd omdat de overdrachtsakte van kavel 3 pas op 7 januari 2005 is verleden, derhalve nadat de termijn verstreken was waarbinnen de maximale dwangsommen konden worden verbeurd. [gedaagde] c.s. stelt zich op standpunt dat de vereffenaar c.s. op basis van het dictum van het vonnis van 25 november 2004 gehouden was om er voor te zorgen dat de ondertekening van de akten zou geschieden binnen 7 dagen nadat het vonnis aan hem was betekend, ongeacht de mogelijke afhankelijkheid van derden, zoals de rechter-commissaris en de gemeente. Daarbij vindt [gedaagde] c.s. dat de vereffenaar c.s. zich onvoldoende heeft ingespannen om tijdig medewerking van de rechter-commissaris en de gemeente te krijgen bij de ondertekening van de overdrachtsakte van kavel 3. Op grond van dit alles is [gedaagde] c.s. van mening dat de beslagen niet onrechtmatig zijn.

Om de inning van de dwangsommen uit de verkoopopbrengst die onder notaris [betrokkene 2] berust zonder onnodige kosten en formaliteiten mogelijk te maken, vordert [gedaagde] c.s. in reconventie – zakelijk weergegeven – veroordeling van de vereffenaar c.s. om notaris [betrokkene 2] te verzoeken € 250.000,00 over te boeken naar een rekening van [gedaagde] c.s. dan wel naar een rekening van Stichting Derdengelden CMS Derks Star Busmann te Arnhem, de stichting derdengelden van het kantoor van mr. Winters.

De beoordeling van het geschil in conventie en reconventie

1. De kern van het geschil tussen partijen is de vraag of

de vereffenaar c.s. tijdig uitvoering heeft gegeven aan de veroordelingen in het vonnis van 25 november 2004. Duidelijk is dat de ondertekening van de rectificatieakte met betrekking tot kavel 7, welke kavel bij de koopovereenkomst uit het vermogen van Marwin was verkocht, tijdig is geschied. Die akte is immers verleden nog vóórdat het vonnis was betekend. Dit brengt mee dat (mr. [eiser] als vertegenwoordiger van) Marwin geen dwangsommen heeft verbeurd. Dat mr. [eiser] in het vonnis van 25 november 2004 als vereffenaar van Marwin wordt aangeduid, hetgeen hij, naar de voorzieningenrechter nu blijkt, niet is, maakt dat niet anders. Namens Marwin, die ook in de zaak die geleid heeft tot het vonnis van 25 november 2004 werd vertegenwoordigd door mr. [eiser], is tijdig uitvoering gegeven aan het vonnis van 25 november 2004. Dit brengt mee dat de beslagen voor zover gelegd ter inning of tot zekerstelling van inning van dwangsommen van Marwin, onrechtmatig zijn, en derhalve opgeheven dienen te worden.

2. Vervolgens is aan de orde de vraag of mr. [eiser] als vereffenaar van de nalatenschap van [betrokkene] tijdig uitvoering heeft gegeven aan de veroordeling die zag op de ondertekening van de overdrachtsakte van kavel 3. Voor beantwoording van die vraag is

van belang hoe [gedaagde] c.s. de veroordelingen in het vonnis

van 25 november 2004 had moeten begrijpen. Van belang is daarvoor de aanleiding voor het kort geding dat heeft geleid tot het vonnis.

Die was er in gelegen dat partijen verdeeld waren over de vraag hoe artikel 2.1. van de koopovereenkomst uitgelegd diende te worden – zakelijk weergegeven – of de koopprijs van de kavels in- of exclusief de omzetbelasting was die [gedaagde] c.s. als koper zelf verschuldigd bleek te zijn in Frankrijk. Als gevolg van die discussie had de ondertekening van de overdrachtsakte van kavel 3 nog niet plaatsgehad en was het de vraag of de overdrachtsakte van kavel 7,

die al was getekend, gerectificeerd diende te worden. Om tot een snelle afronding van zaken te komen heeft de vereffenaar c.s. daarom,

met instemming van [gedaagde] c.s., het kort geding geëntameerd dat heeft geleid tot het vonnis van 25 november 2004. In dat kort geding heeft de vereffenaar c.s. veroordeling van [gedaagde] c.s. gevorderd om de overdrachtsakte te ondertekenen van kavel 3, zonder dat de omzetbelasting die [gedaagde] c.s. verschuldigd was geworden in Frankrijk met betrekking tot de koop van de kavel, in mindering zou komen op de koopsom, en heeft [gedaagde] c.s. in reconventie veroordeling van de vereffenaar c.s. gevorderd om de overdrachtsakte van kavel 3 te ondertekenen waarin de koopsom zou worden verminderd met de omzetbelasting, en om een rectificatieakte met betrekking tot kavel 7 te ondertekenen, waarin alsnog de omzet-belasting in mindering van de koopsom wordt gebracht. Partijen hebben in die zaak aangegeven zich te zullen conformeren aan de uitleg die de voorzieningenrechter zou geven aan artikel 2.1. van de koopovereenkomst, en geen hoger beroep in te zullen stellen juist om snel de zaken af te kunnen ronden. De vereffenaar c.s. had dan ook voor beide situaties (koopprijs in- en koopprijs exclusief omzetbelasting) al volmachten gegeven aan notaris [betrokkene 2] om op basis van de uitkomst van het kort geding één er van te gebruiken.

In dat kort geding is door geen van partijen aan de orde gesteld dat als de uitkomst zou zijn dat de omzetbelasting in de koopprijs was begrepen, hetgeen een verlaging van de netto-koopsom tot gevolg zou hebben, mogelijk (opnieuw) goedkeuring voor de verkoop gevraagd zou moeten worden aan de rechter-commissaris en dat aan de gemeente St. Maxime gevraagd zou moeten worden of zij alsnog haar voorkeursrecht zou willen uitoefenen. Kennelijk gingen partijen ervan uit dat voor de ondertekening van de zijde van de vereffenaar c.s. geen andere actie meer nodig was dan dat hij na de uitkomst van het kort geding aan notaris [betrokkene 2] zou melden welke volmacht zij diende te gebruiken voor het passeren van de akte(n). Dat partijen daar vanuit gingen lijkt ook te volgen uit het feit dat [gedaagde] c.s. in dat kort geding veroordeling van de vereffenaar c.s. gevorderd had om binnen zeven dagen na betekening van het vonnis de akten te (doen) tekenen, een termijn die doorgaans tekort is om daarbinnen medewerking te krijgen van diverse instanties, en de vereffenaar c.s. tegen de korte termijn geen verweer heeft gevoerd. Ook lijkt het te volgen uit het feit dat de vereffenaar c.s. nadat de griffie van de rechtbank hem het dictum van het vonnis van 25 november 2004 telefonisch had medegedeeld,

op diezelfde dag de notaris per telefoon en per faxbericht heeft gemeld welke volmacht zij kon gebruiken. Een kopie van die faxbrief heeft de vereffenaar c.s. naar de raadsman van [gedaagde] c.s. gestuurd, met de mededeling dat hij daarmee aan het vonnis heeft voldaan, waarbij hij het verzoek heeft gedaan om per omgaande te reageren als [gedaagde] c.s. van mening was dat hiermee nog niet aan het vonnis was voldaan. Niet alleen is er zijdens [gedaagde] c.s. niet gereageerd op het verzoek van de vereffenaar c.s., aanvankelijk is ook het vonnis niet betekend aan de verefenaar c.s. terwijl [gedaagde] c.s. door de faxbrief wist dat de vereffenaar c.s. er vanuit ging dat hij had voldaan aan het vonnis.

3. Kortom, de opgetreden vertragingen bij het verlijden van de overdrachtsakte van kavel 3, te weten een nadere machtiging van de rechter-commissaris en een verklaring van de gemeente dat zij afzag van gebruikmaking van haar voorkeursrecht, waren door partijen niet voorzien en – dus – ook niet door de voorzieningenrechter bij het formuleren van het dictum. Een redelijke uitleg brengt mee dat de vereffenaar eerst dan dwangsommen verbeurt als zeven dagen zijn verstreken na het moment waarop het duidelijk was geworden dat deze nadere verklaringen vereist waren, zonder dat hij daarop de voor de verkrijging van de verklaringen vereiste actie heeft ondernomen.

De voorzieningenrechter zal daarom onderzoeken of de vereffenaar met voldoende spoed heeft gehandeld.

4. Op 30 november 2004 heeft de vereffenaar telefonisch van notaris [betrokkene 2] vernomen dat zij van de rechter-commissaris formele goedkeuring voor verlaging van de (netto-) koopprijs verlangde.

De vereffenaar heeft op diezelfde dag de rechter-commissaris daarover een brief gestuurd, met daarin een tekstvoorstel voor de goedkeuring en het verzoek om op korte termijn de goedkeuring te geven.

Het vonnis was op dat moment nog niet betekend aan de vereffenaar. Op 2 december 2004, nadat hem het vonnis was betekend, heeft de vereffenaar per email de rechter-commissaris nogmaals gevraagd om op korte termijn de door de notaris gevraagde goedkeuring te geven. Op 6 december heeft de rechter-commissaris per email aan de vereffenaar bericht dat hij op korte termijn de gevraagde goedkeuring zou geven. Nadat de vereffenaar de goedkeuring uiteindelijk ontvangen had op 20 december 2004, heeft hij de goedkeuring op diezelfde dag naar een vertaalbureau verzonden, met het verzoek om per ommegaande een vertaling in het Frans te sturen. De vertaling is op 21 december 2004 ontvangen door de vereffenaar die de vertaalde goedkeuring op 22 december 2004 heeft gefaxt en per koerier heeft verzonden naar notaris [betrokkene 2]. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de vereffenaar aldus iedere van hem verwachte stap in het proces van de verkrijging van de machtiging terstond gezet. In dat opzicht heeft hij voldaan aan de verplichtingen uit het vonnis van 25 november 2004 en daarom geen dwangsommen verbeurd.

5. Voor de beoordeling van de vraag of voor de wijziging van de koopprijs een nieuwe verklaring van de gemeente vereist was, dat zij afzag van haar voorkeursrecht, was de vereffenaar afhankelijk van de notaris. Dat geldt ook voor het indienen van een aanvraag voor zo'n verklaring. Dit betekent dat de vereffenaar eerst dan dwangsommen verbeurt, als zeven dagen zijn verstreken na het moment waarop de notaris actie had dienen te ondernemen, maar dat heeft nagelaten.

De beoordeling en de indiening van de aanvraag heeft de notaris onverwijld ter hand genomen: de indiening is van 1 december 2004, dus nog vóór betekening van het vonnis. De notaris heeft de gemeente op 3 januari 2005 schriftelijk dringend gerappelleerd, waarbij zij verwees naar "divers entretiens téléphoniques" en wees op het urgente karakter van de kwestie. Diezelfde dag heeft zij de verklaring ontvangen. Zij heeft vier dagen later voor het verlijden van de ovedrachtsakte zorggedragen. De notaris heeft dus ook telkens terstond de nodige actie ondernomen. Ook in dit opzicht heeft de vereffenaar voldaan aan het vonnis en daarom geen dwangsommen verbeurd.

6. Voor de snelheid waarmee de rechter-commissaris en de gemeente de verklaringen hebben afgegeven is de vereffenaar niet verantwoordelijk. De juistheid van de stelling dat deze verklaringen mogelijk eerder hadden kunnen worden afgegeven, behoeft daarom niet te worden onderzocht. De vereffenaar en de notaris hebben overigens de rechter-commissaris respectievelijk de gemeente voldoende aangespoord om de vereiste verklaringen met de nodige spoed af te geven.

7. Het voorgaande brengt mee dat de vereffenaar c.s. geen dwangsommen heeft verbeurd, de beslagen onrechtmatig zijn en derhalve opgeheven dienen te worden. De vordering tot opheffing door de voorzieningenrechter van het onder het kantoor van de vereffenaar c.s. gelegde executoriaal derden-beslag zal dan ook worden toegewezen, evenals de vordering om [gedaagde] c.s. te veroordelen om het door hem onder notaris [betrokkene 2] gelegd conservatoir beslag op te laten heffen. Om (zoveel mogelijk) de problemen te voorkomen die hebben geleid tot dit kort geding, zal [gedaagde] c.s. een termijn van één maand gegeven worden om het beslag dat onder notaris [betrokkene 2] is gelegd, op te laten heffen, versterkt met dwangsommen, een en ander zoals hierna vermeld.

8. Het vorenstaande is ook grond voor het opleggen aan [gedaagde] c.s. van een verbod om op basis van het vonnis van 25 november 2004 (verdere) executiemaatregelen te treffen, versterkt met dwangsommen, zoals hierna vermeld.

9. De vordering in reconventie zal op grond van al het hiervóór overwogene worden afgewezen.

10. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [gedaagde] c.s. worden veroordeeld in de kosten van dit kort geding. In verband met de verwevenheid tussen de vordering in conventie en in reconventie,

zal het salaris van de procureur van de vereffenaar c.s. in reconventie tot aan deze uitspraak op nihil worden gesteld.

De beslissing

De voorzieningenrechter

In conventie

1. heft op het door [gedaagde] c.s. uit kracht van de grosse van het vonnis van 25 november 2004 c.s. ten laste van de nalatenschap van

[betrokkene] en ten laste van Marwin op 17 januari 2005 gelegde executoriaal derden—beslag onder Stichting Beheer Derdengelden Hekkelman Advocaten te Nijmegen;

2. veroordeelt [gedaagde] c.s. om binnen één maand na betekening van dit vonnis te laten opheffen, het met machtiging van de executierechter bij de rechtbank van Grasse (Frankrijk)

van 11 januari 2005 ten laste van de nalatenschap van [betrokkene] en ten laste van Marwin op 18 januari 2005 gelegde conservatoir beslag onder notaris [betrokkene 2] te Valbonne (Frankrijk) op vorderingen van de nalatenschap van [betrokkene] en van Marwin op notaris [betrokkene 2];

3. veroordeelt [gedaagde] c.s. om een dwangsom van € 5.000,00 te betalen aan de vereffenaar c.s. voor iedere dag dat hij na één maand na betekening van dit vonnis geen uitvoering geeft aan de veroordeling sub 2, zulks met een maximum van in totaal

€ 125.000,00;

4. verbiedt [gedaagde] c.s. om (verdere) executiemaatregelen te treffen op basis van het vonnis van de voorzieningenrechter van 25 november 2004;

5. veroordeelt [gedaagde] c.s. om een dwangsom te betalen aan de vereffenaar c.s. van € 5.000,00 voor iedere dag dat hij het verbod sub 4 overtreedt, zulks met maximum van in totaal € 125.000,00;

6. veroordeelt [gedaagde] c.s. in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de vereffenaar c.s. bepaald op

€ 315,93 voor verschotten (€ 244,00 wegens griffierecht en € 71,93 wegens het uitbrengen van de dagvaarding) en op € 816,00 voor salaris procureur;

7. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

8. weigert het meer of anders gevorderde;

in reconventie

9. weigert de gevraagde voorzieningen;

10. veroordeelt [gedaagde] c.s. in de kosten van deze procedure;

11. stelt het salaris van de procureur van de vereffenaar c.s. in deze procedure tot aan deze uitspraak op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.J. de Vries en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2005.