Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2005:AT2991

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
09-03-2005
Datum publicatie
01-04-2005
Zaaknummer
117159
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Letsel als gevolg van een aanrijding: WAM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 117159 / HA ZA 04-1546

Datum vonnis: 9 maart 2005

Vonnis

in de zaak van

[eiseres],

wonende te Nijmegen,

eiseres bij dagvaarding van 10 augustus 2004,

procureur mr. W.H.B.M. Litjens,

advocaat mr. A.M. Engelen te 's-Hertogenbosch,

tegen

de naamloze vennootschap

ALLIANZ NEDERLAND SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

procureur mr. J.C.N.B. Kaal,

advocaat mr. W.J. Hengeveld te Rotterdam.

Het verloop van de procedure

Voor het verloop van de procedure tot het tussenvonnis van 27 oktober 2004 wordt naar dat vonnis verwezen. Ter uitvoering van dit tussenvonnis is een comparitie van partijen gehouden. Het proces-verbaal daarvan bevindt zich bij de stukken. Ten slotte is vonnis bepaald. Op de comparitie heeft [eiseres] 11 kleurenfoto's overgelegd. Die foto's bevinden zich in het dossier.

De vaststaande feiten

1.1 Op 17 november 1997 omstreeks 17.15 heeft zich op de fietsoversteekplaats ter hoogte van de kruising tussen de Sint Annastraat en de Kapittelweg te Nijmegen een aanrijding voorgedaan tussen het door [betr[betrokkene] bestuurde personenvoertuig en de door [eiseres] bestuurde bromfiets. Het door [betrokkene] bestuurde voertuig was tegen wettelijke aansprakelijkheid verzekerd bij Royal Nederland Schadeverzekering NV, de rechtsvoorgangster van Allianz.

1.2 De Sint Annastraat bestaat ter hoogte van die kruising uit twee weghelften, gescheiden door een middenberm. [betrokkene] stond voorgesorteerd voor de verkeerslichten op de Sint Annastraat om rechtsaf de Kapittelweg in te slaan. Aan de zijde waar [betrokkene] stond is de weghelft verdeeld in drie rijstroken: twee daarvan zijn bestemd voor het recht doorgaand verkeer terwijl de derde, meest rechts gelegen rijstrook is bestemd voor het rechtsafslaand verkeer. Op het wegdek van de Sint-Annastraat bevinden zich kort na de verkeerslichten drie stippellijnen ter aanduiding van de voetgangers en- fietsoversteekplaatsen. Aan de andere zijde van de middenberm bestaat de Sint-Annastraat uit een dubbele rijstrook.

1.3 [eiseres] was op haar bromfiets op het fietspad behorende bij de Sint-Annastraat aan komen rijden. Aangekomen op het kruispunt Sint-Annastraat/Kapittelweg stak zij de Sint-Annastraat over op de fietsoversteekplaats. [betrokkene] is opgetrokken en is vervolgens in aanrijding gekomen met [eiseres].

1.4 Bij de stukken bevindt zich een kopie van een pagina van een door de politie ([politie]) opgesteld rapport. Dat rapport vermeldt dat het ten tijde van het ongeval droog weer was, dat sprake was van duisternis en dat de auto van [betrokkene] links voor lichte schade had. Voorts vermeldt het rapport als beknopte omschrijving van het ongeval:

"Betrokkene 2 (= [betrokkene], rb) reed over de Sint-Annastraat te Nijmegen, komende uit de richting van de Grootstalselaan te Nijmegen en reed bij groen licht het kruispunt op om rechtsaf de Kapittelweg op te rijden. Betrokkene 1 (= [eiseres], rb) reed over de Sint-Annastraat te Nijmegen, komende uit de richting van de Hatertseweg te Nijmegen en reed bij rood licht het kruispunt op om linksaf de Kapittelweg op te rijden. Hierdoor ontstond tussen beiden een aanrijding met vermelde schade. Betrokkene 1 gaf geen gevolg aan een verkeersteken dat een gebod inhield."

1.5 [betrokkene] heeft in verband met het ongeval het als productie 1 door Allianz overgelegde formulier ingevuld. Op de daarin gestelde vraag wie er naar zijn mening aansprakelijk is en waarom, heeft hij als volgt geantwoord:

"Bromfietser, moet door rood gereden zijn en is voor rechts afslaand verkeer 'onzichtbaar'."

1.6 Als gevolg van de aanrijding heeft [eiseres] letsel opgelopen, bestaande uit een gebroken linker scheenbeen en een verbrijzeld kniegewricht. In verband met de comparitie heeft zij een brief van haar huisarts van 31 december 2004 overgelegd, voorts drie brieven van de afdeling orthopaedie van het UMC St. Radboud van 18 december 2003, 1 april, 10 mei en 7 december 2004, alsmede een brief van [betrokkene] van het Instituut voor Fysiotherapie van 16 december 2004. Die brieven bevinden zich bij de stukken.

1.7 Bij brief van 17 juli 1998 heeft [eiseres] [betrokkene] voor de gevolgen van het ongeval aansprakelijk gesteld, en hem verzocht die aansprakelijkstelling door de sturen naar Royal Nederland. Bij brief van 29 juli 1998 heeft Royal Nederland het volgende geschreven:

"Aansprakelijkheid kunnen wij niet erkennen daar uw cliënte door rood licht zou zijn gereden volgens onze verzekerde. Voor de goede orde zenden wij u een kopie van het schadeformulier van onze verzekerde alsmede de registratieset van politie."

1.8 Bij brief van 2 november 1999 heeft Royal Nederland in reactie op de brief van de advocaat van [eiseres] van 29 september 1999 het volgende geschreven:

"Allereerst merken wij op dat in deze kwestie geen sprake is van een zwakkere verkeersdeelnemer. Als eisende partij dient u aan te tonen dat onze verzekerde onrechtmatig heeft gehandeld en deze onrechtmatige gedraging aan onze verzekerde is toe te rekenen en daarmee aansprakelijk is voor het ontstaan van het ongeval. Tot op heden heeft u geen bewijs overgelegd waaruit de aansprakelijkheid van onze verzekerde blijkt."

Het geschil

2. [eiseres] vordert dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad voor recht zal verklaren dat [betrokkene] een onrechtmatige daad heeft gepleegd en dat Allianz voor het ongeval aansprakelijk is en voorts dat Allianz zal worden veroordeeld tot vergoeding van alle schade die zij als gevolg van het ongeval heeft geleden en nog zal lijden, nader op te maken bij staat. Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten legt zij daaraan kort samengevat ten grondslag dat [betrokkene] op 17 november 1997 jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld en dat zij op grond van art. 6 lid 1 WAM een rechtstreeks vorderingrecht op Allianz heeft.

3. Allianz voert gemotiveerd verweer. Daarop zal, voor zover van belang, hierna worden ingegaan.

De beoordeling van het geschil

4. Niet in geschil is dat de door [betrokkene] op 17 november 1997 bestuurde personenauto tegen wettelijke aansprakelijkheid was verzekerd bij Royal Nederland Schadeverzekering NV, de rechtsvoorganger van Allianz, en dat [eiseres] op grond van art. 6 lid 1 WAM een rechtstreeks vorderingsrecht op Allianz heeft.

5. Allianz beroept zich erop dat de vordering van [eiseres] is verjaard op grond van art. 10 lid 1 WAM. Die bepaling bevat een korte verjaringstermijn van drie jaar. Op grond daarvan verjaart het eigen recht tegen de verzekeraar door verloop van drie jaar te rekenen vanaf het feit waaruit de schade is ontstaan. Als begindag van die termijn geldt de dag na de datum van het feit waaruit schade is ontstaan en daaronder moet worden verstaan de datum van het ongeval. Voor het onderhavig geval betekent dit dat de verjaringstermijn van drie jaar is gaan lopen op 18 november 1997 en is voltooid op 18 november 2000, tenzij de verjaring is gestuit op de wijze als bedoeld in art. 10 lid 4 of art. 10 lid 5 WAM.

6. Artikel 10 lid 5 WAM kent een bijzondere vorm van stuiting door iedere vorm van onderhandelingen tussen de verzekeraar en de benadeelde. Bij beantwoording van de vraag of sprake is geweest van onderhandelingen in de zin van het artikel is 'niet beslissend (...) of de verzekeraar de indruk geeft bereid te zijn de schade te dragen, maar alleen of de verzekeraar zich zodanig heeft uitgelaten dat de benadeelde niet hoeft aan te nemen dat de verzekeraar een regeling zonder meer uitsluit (BGH 20 oktober 1989, NJ 1990, 660). Uit de hiervoor onder 1.8 genoemde brief blijkt dat Allianz op 2 november 1999, derhalve binnen de verjaringstermijn, [eiseres] heeft geschreven dat zij dient aan te tonen dat haar verzekerde aansprakelijk is voor het ontstaan van het ongeval en dat zij daarvoor tot op heden geen bewijzen heeft overgelegd. Dat is aan te merken als een uitnodiging tot het geven van een nadere onderbouwing en dat kan gekwalificeerd worden als een onderhandeling in vorenbedoelde zin want op grond daarvan behoefde [eiseres] niet aan te nemen dat Allianz een regeling zonder meer uitsloot.

7. Daarvan uitgaande kon, vanwege de in art. 10 lid 5 WAM geregelde duurstuiting welke aan een (tijdig) gestarte onderhandeling is verbonden, de vordering op zijn vroegst verjaren drie jaren na kennisgeving van het afbreken van de onderhandelingen bij deurwaardersexploit of aangetekende brief aan de andere partij. Dat laatste is niet gebeurd, zodat de stuiting is doorgelopen. Het verjaringsverweer faalt dus.

8. De aansprakelijkheid van [betrokkene] wordt door [eiseres] gegrond op art. 6:162 BW. Voor aansprakelijkheid op die grond is nodig dat aan [betrokkene] van zijn wijze van rijden rechtens enig verwijt kan worden gemaakt. De zorgvuldigheidsplicht die van de bestuurder van een auto kan worden verlangd brengt mee dat die bestuurder rekening moet houden met fouten van andere weggebruikers – daaronder begrepen het slachtoffer zelf – tenzij die fouten zo onwaarschijnlijk zijn dat hij daarmee in redelijkheid geen rekening behoefde te houden. Dat laatste kan niet worden aangenomen op de enkele grond dat - zoals Allianz stelt en [eiseres] betwist- [eiseres] met haar bromfiets bij het oversteken van de Sint-Annastraat, waar [betrokkene] met zijn auto voor het verkeerslicht stond te wachten, door het rode licht zou zijn gereden. Op grond van de hoofdregel van art. 150 Rv rust in beginsel op [eiseres] de last feiten te stellen, en bij voldoende gemotiveerde betwisting te bewijzen, waaruit kan volgen dat [betrokkene] bedoeld verwijt kan worden gemaakt.

9. Volgens [eiseres] is zij met een snelheid van 15 à 20 km/uur met haar bromfiets de fietsoversteekplaats overgestoken (terwijl het verkeerslicht voor haar groen was) en heeft zij vanwege de geringe snelheid van haar bromfiets de oversteek niet tijdig kunnen voltooien. Halverwege het tweede weggedeelte constateerde zij dat het verkeer aanstalten maakte om op te trekken. Zij verwijt [betrokkene] dat hij bij het optrekken onvoldoende voorzichtig is geweest, in het bijzonder dat hij ‘volledig gefixeerd’ was op het verkeerslicht en dat hij heeft verzuimd te kijken of de weg vóór hem wel vrij was als gevolg waarvan hij [eiseres] heeft aangereden. Omdat [betrokkene] na het verkeerslicht eerst nog een brede voetgangersoversteekplaats diende te passeren, had hij [eiseres] ‘zeker moeten opmerken’, aldus [eiseres].

10. Volgens Allianz valt [betrokkene] geen enkel verwijt te maken, omdat hij is opgetrokken op het moment dat het verkeerslicht voor hem op groen stond en hij [eiseres] niet heeft kunnen zien aankomen, omdat het zicht naar links voor hem belemmerd werd door het verkeer dat voorgesorteerd stond om rechtdoor te gaan.

11. Zij stelt voorts dat [eiseres] door rood licht is gereden, gelet op de inhoud van het hiervoor onder 1.4 genoemde rapport van de politie. In dat verband voert zij verder aan dat een verkeerslicht op een fietsoversteekplaats zodanig is afgestemd dat fietsers binnen de daarvoor beschikbare tijd de overkant moeten kunnen halen, hetgeen dan temeer geldt voor een bromfietser die in de regel sneller is dan een fietser. Als [eiseres] groen licht zou hebben gehad zou zij dus voldoende tijd hebben gehad om de oversteek met haar bromfiets af te maken, zodat, nu zij zich nog op de fietsoversteekplaats bevond op het moment dat het verkeerslicht voor [betrokkene] op groen sprong, de conclusie geen andere kan zijn dan dat [eiseres] door rood licht is gereden. Op de comparitie heeft Allianz haar stelling verder onderbouwd met een verwijzing naar twee overgelegde emails van John Dibbits, Projectcoordinator Verkeer van de Gemeente Nijmegen van 19 januari 2005. Daaruit blijkt dat wanneer [eiseres] door groen licht zou zijn gereden het verkeerslicht vervolgens oranje zou zijn geworden en dat de tijd tussen ‘start oranje fiets’ en ‘start groen auto’ (het moment waarop het verkeerslicht voor de auto’s groen wordt) minimaal 9 seconden bedraagt. Dat betekent volgens Allianz dat [eiseres] minimaal 9 seconden tijd zou hebben gehad om met haar bromfiets over te steken alvorens het verkeerslicht voor [betrokkene] op groen sprong en zij die oversteek met haar bromfiets dus gemakkelijk heeft moeten kunnen voltooien. Ten slotte betoogt Allianz dat wanneer de bromfiets van [eiseres] zo traag was dat zij de oversteek niet kon afronden binnen de daarvoor voor fietsers gestelde tijd van haar verwacht mocht worden daarmee bij het maken van de oversteek rekening te houden, temeer omdat het op het moment van oversteken reeds donker was en de Sint-Annastraat uit twee over te steken weggedeelten bestond. Zij had de mogelijkheid de oversteek in twee delen af te ronden, hetgeen zij heeft nagelaten.

12. Niet in geschil is dat [betrokkene] is opgetrokken op het moment dat het verkeerslicht voor hem groen was. Gelet op de gemotiveerde betwisting van Allianz zal [eiseres] vervolgens dienen te bewijzen dat [betrokkene] niet voldoende voorzichtig is geweest bij het optrekken, in het bijzonder dat hij gefixeerd is geweest op het verkeerslicht en dat hij heeft verzuimd te kijken of de weg voor hem wel vrij was. Had hij dat wel gedaan dan zou hij, aldus [eiseres], haar hebben moeten opmerken. Dat bewijs volgt nog niet uit het enkele feit dat [betrokkene] met [eiseres] in aanrijding is gekomen, omdat volgens Allianz [betrokkene] haar eenvoudigweg niet heeft kunnen zien aankomen. Overeenkomstig haar aanbod zal [eiseres] worden opgedragen haar stellingen te bewijzen. Slaagt zij daarin niet, dan strandt de vordering. Slaagt zij daarin wèl dan is denkbaar dat [betrokkene] een verwijt van onrechtmatig handelen kan worden gemaakt.

13. Voor het geval dat vast zou komen te staan dat [betrokkene] jegens [eiseres] onrechtmatig zou hebben gehandeld beroept Allianz zich er op dat er sprake is van een zodanige mate van eigen schuld (art. 6:101 BW) aan de zijde van [eiseres] dat de schade geheel, althans voor het grootste deel, voor haar rekening dient te blijven. Daaraan legt Allianz ten grondslag haar (onder 11 weergegeven) stelling dat [eiseres] door rood licht is gereden, althans dat [eiseres] met de traagheid van haar bromfiets rekening had moeten houden bij het oversteken, terwijl er auto’s bij het verkeerslicht stonden die voorrang hadden en die haar niet goed konden zien.

14. Gelet op de betwisting van [eiseres] volgt uit de hoofdregel van art. 150 Rv dat op Allianz de last rust haar stelling te bewijzen dat [eiseres] door rood licht is gereden. Dat bewijs is ook nodig want volgt niet reeds uit het onder 1.4 genoemde rapport van politie waaraan vrije bewijskracht toekomt en waarvan niet duidelijk is waarop de vermelding dat [eiseres] door rood licht is gereden is gebaseerd. Ook de enkele, eerst op de comparitie overgelegde, emails van [betrokkene] van de gemeente Nijmegen zijn vooralsnog ontoereikend omdat daarmee weliswaar als (ter comparitie onbestreden) is gegeven de tijd die gelegen is tussen ‘start oranje fiets’ en ‘start groen auto’s’ - te weten minimaal 9 seconden - maar niet hoe groot de te overbruggen afstand precies is geweest en in hoeveel tijd die afstand kan worden afgelegd met een bromfiets die – zoals door [eiseres] op de comparitie is verklaard – met een snelheid van 15 à 20 km/uur rijdt. Het komt praktisch voor om Allianz reeds thans tot het leveren van (nader) bewijs van haar stelling toe te laten, gecombineerd met de aan [eiseres] te verstrekken bewijsopdracht. Slaagt zij in het bewijs dan heeft op grond daarvan te gelden dat de schade mede een gevolg is van de omstandigheid dat [eiseres] met haar bromfiets door rood licht is gereden zodat aan de hand van de primaire maatstaf van art. 6:101 lid 1 BW een causale verdeling moet worden gemaakt naar rato van de aan ieder toe te rekenen omstandigheden.

15. Overigens lijkt zich hier de situatie voor te hebben gedaan dat [betrokkene] niet alleen door groen licht reed maar bovendien voor de overstekende [eiseres] van rechts kwam. Op grond van art. 15 lid 1 RVV 1990 zou hij daarom voorrangsgerechtigd zijn geweest. [eiseres] heeft hem echter vooralsnog zonder goede grond geen voorrang verleend. Voorshands volgt daaruit reeds dat de schade in zoverre mede een gevolg is van een omstandigheid die aan [eiseres] kan worden toegerekend.

16. Nu het ongeval meer dan zeven jaar geleden heeft plaatsgevonden en blijkens de onder 1.6 genoemde stukken en haar op de comparitie afgelegde verklaring duidelijkheid bestaat omtrent de aard en de omvang van het beenletsel dat [eiseres] als gevolg van het ongeval heeft opgelopen moet zij inmiddels in staat worden geacht haar schade te onderbouwen. Afhankelijk van de uitkomst van de bewijslevering zal [eiseres] daartoe in de gelegenheid worden gesteld, zodat verwijzing naar de schadestaat achterwege kan blijven. Vanzelfsprekend zal Allianz daarop in dat geval mogen reageren.

17. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. Tussentijds hoger beroep van dit vonnis is uitgesloten.

De beslissing

de rechtbank, recht doende,

draagt [eiseres] op te bewijzen feiten en omstandigheden waaruit kan volgen dat [betrokkene] op 17 november 1997 bij het optrekken op de Sint-Annastraat in Nijmegen niet voldoende voorzichtig is geweest, in het bijzonder dat hij zich volledig op het verkeerslicht voor hem had gefixeerd en dat hij heeft verzuimd voldoende te kijken of de weg voor hem wel vrij was;

draagt Allianz op te bewijzen feiten en omstandigheden waaruit kan volgen dat [eiseres] op 17 november 1997 ter plaatse van de Sint-Annastraat te Nijmegen door het rode verkeerslicht is gereden;

bepaalt dat, voor zover partijen dit bewijs door middel van getuigen willen leveren, de getuigen door de rechtbank (mr. R.A. van der Pol) gehoord zullen worden in het Paleis van Justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd (in beginsel op een donderdag),

verwijst de zaak naar de tweede rolzitting na de dag waarop dit vonnis is uitgesproken voor het opgeven van eventuele getuigen met hun respectieve verhinderdagen, alsmede de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden mei 2005 tot en met juli 2005, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

bepaalt dat het aan de hand van de gedane opgave(n) vastgestelde tijdstip in beginsel niet zal worden gewijzigd,

verstaat dat bij gebreke van de gevraagde opgave van getuigen geen gelegenheid meer zal worden gegeven voor het doen horen van getuigen,

verwijst in dat geval de zaak naar de zesde rolzitting na de dag waarop dit vonnis is uitgesproken, voor het nemen van een conclusie na niet gehouden getuigenverhoor aan de zijde van [eiseres], waarbij deze desgewenst ook het bewijs schriftelijk kan leveren, of voor bepaling datum vonnis,

bepaalt dat de partijen bij de getuigenverhoren aanwezig zullen zijn,

bepaalt dat, voor zover partijen in verband met de getuigenverhoren zich nog van (schriftelijke) (bewijs)stukken willen bedienen, zij deze stukken uiterlijk twee weken tevoren in fotokopie aan de andere partij en aan de rechtbank toe zullen zenden,

verstaat dat hoger beroep van dit vonnis alleen mogelijk is tegelijk met dat van het eindvonnis,

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. van der Pol, rechter, en uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2005.

de griffier de rechter