Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2005:AT2939

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
02-03-2005
Datum publicatie
31-03-2005
Zaaknummer
103717
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van betrokkene niet kan worden gebruikt als een zo onafhankelijke verklaring dat zij doorslaggevend kan zijn in de procedure. De omstandigheid dat de verklaring onder ede is afgelegd en het feit dat gedaagden de gelegenheid hebben gehad betrokkene vragen te stellen tijdens het getuigenverhoor doet aan voorgaande niet af. Dit brengt mee dat de verklaring van betrokkene niet aangemerkt kan worden als aanvullend bewijs in de zin van artikel 164 lid 2 Rv. Door de tegenover elkaar staande verklaringen is niet komen vast te staan dat partijen op 22 januari 2002 een nieuwe (mondelinge) overeenkomst hebben gesloten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 103717 / HA ZA 03-1461

Datum vonnis: 2 maart 2005

Vonnis

in de zaak van

[eiser],

wonende te Velddriel,

eiser,

procureur mr. L.P. Veldhuijzen,

advocaat mr. F.A. Verberk-Elich te 's-Hertogenbosch,

tegen

1. [gedaagde 1],

wonende te Kerkdriel,

2. [gedaagde 2],

wonende te Kerkdriel,

gedaagden,

advocaat en procureur mr. M.F.G. Mulders.

Het verloop van de procedure

Voor het verloop van de procedure tot het tussenvonnis van 31 maart 2004 wordt naar dat vonnis verwezen. Ter uitvoering van dit tussenvonnis heeft een getuigenverhoor plaatsgevonden. Het proces-verbaal daarvan bevindt zich bij de stukken. Verder zijn nog de volgende processtukken gewisseld:

* een conclusie na getuigenverhoor van de zijde van [eiser];

* een conclusie na getuigenverhoor van de zijde va[[gedaagde 1]gden].

Ten slotte is vonnis bepaald.

De verdere beoordeling van het geschil

1. De rechtbank volhardt bij hetgeen in de eerdere tussenvonnissen is overwogen en beslist.

2. Bij tussenvonnis van 31 maart 2004 is [eiser] toegelaten:

‘...feiten en omstandigheden te bewijzen waaruit volgt dat partijen op 22 januari 2002 een nieuwe (mondelinge) overeenkomst hebben gesloten waarbi[[gedaagde 1]gden] zich onder meer heeft verbonden na realisering van de bestemmingswijziging op eerste verzoek van [eiser] het litigieuze perceel aan [eiser] te verkopen en te leveren voor een bedrag van € 149.747,47 (fl 333.000,-).

3. Ter voldoening aan voornoemde bewijslast heeft [eiser] zichzelf, de heer [g[betrokkene] en de heer [[gedaagde 1] als getuigen doen horen[[gedaagde 1]gden] heeft afgezien van het horen van getuigen in contra-enquête.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de bewijslevering als volgt.

4. Partijgetuige [eiser] heeft onder meer verklaard:

“Ik ben akkoord gegaan met de gewijzigde prijs maar ik wilde toen wel de afspraken vastgelegd hebben. We zijn bij de notaris geweest en die heeft de tekst voorgelezen die ik heb ondertekend. Ik weet niet wie de tekst heeft opgesteld.

Ik ontving een brief van de heer [[gedaagde 1], dat de koop niet door zou gaan. We hebben onderling contact gehad. Later ontving ik weer een brief dat de eerste brief als niet verzonden moest worden beschouwd. Ik ben met deze brieven naar mijn accountant gegaan. Ik vertelde hem dat er volgens mij iets niet klopte. Mijn accountant heeft mij toen in contact gebracht met de heer [betrokkene]. Met wie ik ook een gesprek heb gehad. Ik heb de heer [[gedaagde 1] uitgenodigd voor een gesprek met de heer [betrokkene] samen. De heer [[gedaagde 1] wilde dat ook graag, we wilden er samen uitkomen.

Tijdens het gesprek bij de heer [betrokkene] hebben we ons verhaal over en weer gedaan. Dit nadat de heer [betrokkene] zich na binnenkomst had voorgesteld aan de heer [gedaagde 1]. De heer [gedaagde 1] en ik hebben de heer [betrokkene] gevraagd of hij ons verder wilde helpen om tot elkaar te komen. Hoe eerder hoe liever.”

“[gedaagde 1] en ik waren het er over eens dat de grond voor de prijs van Fl. 300.000,- officieel en Fl. 30.000,- om de akte heen zou worden betaald. Een en ander zou zo spoedig mogelijk moeten plaatsvinden. Het wachten was vervolgens op de vergunning.”

5. Getuige [betrokkene] heeft onder meer verklaard:

“In januari vindt er een gesprek plaats op het kantoor van een relatie van mij. Kerkdriel is een kleine gemeenschap. Ik ben de enige advocaat in Kerkdriel die daar geboren en getogen is en iedereen kent elkaar daar. Hoe de heer [eiser] mij bij de heer [gedaagde 1] heeft geïntroduceerd weet ik niet. Ik heb in elk geval gezegd wat ik doe. Op enig moment is die avond overeenstemming bereikt tussen partijen. Men was het eens over het object, de prijs en het feit dat de levering en de betaling zal plaats vinden zodra het perceel de bestemming “wonen” had. Als geen bestemmingswijziging zou plaatsvinden dan zouden partijen de kosten van een en ander delen. Ik heb de afspraak herhaald.”

“Ik heb de gemaakte afspraak niet willen vastleggen omdat een deel van de koopsom Fl 30.000,- van de Fl. 330.000,- zwart door de heer [eiser] aan [gedaagde 1] zou worden betaald. Ik heb wel aangegeven dat ik zonodig onder ede de gemaakte afspraken zal bevestigen.”

6. [eiser] - wiens verklaring als partijgetuige is onderworpen aan de beperking van artikel 164 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) - heeft zijn eigen lezing, zoals in het tussenvonnis d.d. 31 maart 2004 onder meer in rechtsoverweging 3.3 is neergelegd, bevestigd. De vraag is of die verklaring voldoende steun vindt in aanvullende bewijzen die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen, dat zij de partijverklaring voldoende geloofwaardig maken.

7. In het tussenvonnis d.d. 31 maart 2004 heeft de rechtbank overwogen dat in de in het geding gebrachte stukken, op zich en in onderlinge samenhang bezien, geen steun is te vinden voor de stelling van [eiser] dat op 22 januari 2002 een nieuwe overeenkomst is gesloten. Nadien zijn geen (bewijs)stukken in het geding gebracht.

Met betrekking tot de schriftelijke verklaring van mr. [betrokkene] heeft de rechtbank in voornoemd tussenvonnis overwogen dat aan de schriftelijke verklaring van mr. [betrokkene] vooralsnog geen doorslaggevende waarde kan worden toegekend, nu de verklaring naar het oordeel van de rechtbank als een niet onafhankelijke verklaring moet worden aangemerkt, die niet met andere bewijsmiddelen wordt gesteund.

In de conclusie na enquête is zijdens [eiser] benadrukt dat de verklaring van mr. [betrokkene] wel degelijk als een onafhankelijke getuige dient te worden beschouwd. Zijden[gedaagde 1]gden] is dit bestreden.

8. Cruciaal bij de waardering van het (getuigen)bewijs in de onderhavige zaak, is de vraag welke waarde moet worden toegekend aan de - onder ede afgelegde - verklaring van mr. [betrokkene]. De rechtbank blijft erbij dat in het midden kan blijven of mr. [betrokkene] tijdens het gesprek in januari 2002 en in de periode daarna de belangen van beide partijen of alleen de belangen van [eiser] heeft behartigd. De rechtbank is van oordeel dat uit de getuigenverklaringen kan worden afgeleid dat mr. [betrokkene] vanaf het eerste moment dat hij bij de zaak betrokken is, interpreterend en redenerend vanuit de visie van [eiser] met de kwestie aan de slag is gegaan.Ter toelichting overweegt de rechtbank het volgende.

9. Zowel uit de verklaring van [eiser] als van mr. [betrokkene] zelf blijkt dat [eiser] het niet eens was met de datum 31 december in de door de notaris opgestelde overeenkomst, terwijl [gedaagde 1] heeft verklaard dat hij de datum er nu juist in wilde hebben en waarom. De rechtbank maakt uit de verklaringen en uit de in het geding gebrachte stukken op dat partijen er na het gesprek met mr. [betrokkene] - zoals later blijkt abusievelijk - vanuit zijn gegaan dat de overeenkomst op 31 december 2001 niet was geëindigd en dat partijen nog met elkaar verbonden waren. Dit uitgangspunt is - hoe het ook zij - in het belang van [eiser], die immers de grond graag wilde kopen. Blijkens de verklaring van [eiser] en de eigen verklaring van mr. [betrokkene] heeft mr. [betrokkene] in zijn advisering aan [eiser] dan wel aan partijen duidelijk stelling genomen in het geschil tussen partijen. Indien uit de stukken (correspondentie) en uit de verklaringen zou blijken dat daarvan geen sprake was en dat mr. [betrokkene] slechts bemiddelend had opgetreden, dan zou de rechtbank ten aanzien van de waardering van zijn verklaring wellicht anders hebben geoordeeld. De rechtbank heeft bij hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 8 en 9 is overwogen de volgende verklaringen van mr. [betrokkene] van belang geacht.

“Ik werk zo nu en dan in opdracht van accountantskantoor Van Herwaarden in Kerkdriel. Op enig moment heeft de heer [betrokkene] van het kantoor contact met mij opgenomen. Een van zijn relaties, de heer [eiser], had een overeenkomst gesloten en de heer [betrokkene] had er geen goed gevoel over. Ik heb deze overeenkomst bekeken. Naast wat technische opmerkingen stelde ik vast dat de overeenkomst vreemd was in die zin dat deze een fatale termijn bevatte die in de praktijk niet gehaald kon worden. In mijn optiek had de notaris die de overeenkomst had opgesteld een standaard overeenkomst gebruikt. Met name over die fatale termijn was niet goed nagedacht. Ik heb dit teruggekoppeld aan de heer [betrokkene]. Hij verzocht mij contact op te nemen met de heer [eiser] zelf. Ik heb een gesprek gehad met de heer [eiser]. Bij dat gesprek bleek mij dat partijen eerst een mondelinge overeenkomst hadden gesloten en deze later hadden gewijzigd wat betreft de prijs. Deze overeenkomst is vervolgens vastgelegd door de notaris. Uit het verhaal van de heer [eiser] maakte ik op dat hij iets anders had gewild en ook iets anders was overeengekomen dan thans in de overeenkomst met de notaris was vastgelegd. Ik heb de heer [eiser] aangegeven dat er twee mogelijkheden zijn. Hij gaat terug naar de notaris of ik praat met beide partijen.”

“De bedoeling van het gesprek was voor iedereen duidelijk: de

overeenkomst was niet goed en er moest duidelijkheid komen over

hoe het verder moest.”

“Ik heb tijdens het gesprek aangegeven dat partijen tot afspraken

moeten komen anders kon het niet anders dan een procedure

worden.”

“Tijdens het gesprek bleek dat niet duidelijk was hoe tegen de

passage over de fatale termijn moest worden aangekeken. Ik heb

daar mijn uitleg aangegeven. Ik heb gezegd dat partijen na afloop

van de gestelde termijn niet van elkaar afwaren. Wat partijen zijn

overeengekomen komt honderd procent overeen met wat de heer

[eiser] wilde, afgezien van mijn actie richting de gemeente.”

“Ik stelde vast dat sprake was van een tegenstrijdige overeenkomst van de notaris. De heer [eiser] wilde de in de overeenkomst

genoemde termijn niet, dat was immers niet afgesproken. De heer [betrokkene] had nog tegen mij gezegd dat een dergelijke termijn nooit kan worden gehaald. Er moet immers een artikel 19 procedure worden gevoerd. Ook de diverse artikelen over vergunningverlening en termijnen spoorden niet.

Ik benadruk nog maar eens dat ik tegen partijen heb gezegd dat ze na de afgelopen termijn niet zonder meer van elkaar af waren. Ik kan niet met zekerheid zeggen wat partijen ertoe heeft gebracht alsnog tot overeenstemming te komen, maar ik vermoed dat wel heeft meegespeeld dat ik heb gezegd dat ik weet dat het niet lang meer zal duren voordat de bestemmingswijziging een feit is.”

Terwijl [gedaagde 1] heeft verklaard:

“Op enig moment ben ik het met de heer [eiser] eens geworden over de verkoop van de grond. De heer [eiser] heeft een notaris uitgekozen en samen zijn we bij de heer [betrokkene] geweest. Tijdens dit gesprek hebben we de heer [betrokkene] meegedeeld wat we waren overeengekomen en de heer [betrokkene] heeft na zich enige tijd te hebben teruggetrokken een overeenkomst opgesteld. De belangrijkste stukken zei de heer [betrokkene] voor te lezen. Op mijn verzoek is in de overeenkomst de verloopdatum 31 december opgenomen. Bij het voorlezen is ook deze datum genoemd.”

“Ik wist hoe de vork in de steel zat omdat ik ook voor een ander perceel grond bestemmingswijziging had gevraagd en gekregen. Deze procedure had vijf jaar geduurd. Vanaf 1995 was ik al bezig voor het onderhavige perceel. Als de gemeente zijn werk had gedaan dan had het moeten lukken voor 31 december. Ik heb de datum 31 december genoemd omdat ik zoals eerder verklaard de prijs tot die datum wilde vastzetten. Begin januari wilde ik best praten over een nieuwe overeenkomst maar dan wel met een andere prijs.”

Daarbij komt dat [eiser] zowel bij het kort geding als als getuige verklaart dat hij mr. [betrokkene] ook als zijn raadsman ziet. Hij verklaart:

“Voor het kort geding ben ik bijgestaan door mr. Bekkers een kantoorgenoot van mr. [betrokkene]. Mr. [betrokkene] mocht mij niet meer bijstaan. Tijdens het kort geding heb ik verklaard dat ik op een bepaald moment de heer [gedaagde 1] een bedrag van Fl. 350.000,- heb geboden. Dit was in het kader van een schikkingsvoorstel dat ik heb gedaan op advies van de heer [betrokkene]. De heer [betrokkene] vertelde mij dat de heer [gedaagde 1] geen sterke zaak had, maar het zou wel lang kunnen gaan duren.”

“Afgelopen zaterdag heb ik nog contact gehad met de heer [betrokkene]. Hij heeft mij verteld wat ik tijdens het getuigenverhoor als getuige kan verwachten en we hebben ook nog iets inhoudelijks over de zaak besproken.”

10. Op grond van al het voorgaande - bijeengenomen en in onderling verband bezien - is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van mr. [betrokkene] niet kan worden gebruikt als een zo onafhankelijke verklaring dat zij doorslaggevend kan zijn in de procedure. De omstandigheid dat de verklaring onder ede is afgelegd en het feit da[gedaagde 1]gden] de gelegenheid hebben gehad mr. [betrokkene] vragen te stellen tijdens het getuigenverhoor doet aan voorgaande niet af. Dit brengt mee dat de verklaring van mr. [betrokkene] niet aangemerkt kan worden als aanvullend bewijs in de zin van artikel 164 lid 2 Rv. Door de tegenover elkaar staande verklaringen is niet komen vast te staan dat partijen op 22 januari 2002 een nieuwe (mondelinge) overeenkomst hebben gesloten.

11. Voorgaande leidt tot de slotsom dat [eiser] niet is geslaagd in het bewijs waartoe hij is toegelaten. De bewijslastverdeling en het daarmee samenhangende bewijsrisico leiden er toe dat, nu [eiser] niet is geslaagd in het bewijs, zijn vordering moet worden afgewezen.

12. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [eiser] in de

kosten van de procedure worden veroordeeld.

De beslissing

De rechtbank rechtdoende:

1. wijst de vordering af;

2. veroordeelt [eiser] in de kosten van de procedure tot aan deze uitspraak aan de zijde va[gedaagde 1]gden] begroot op € 1.561-, te weten € 205,- voor verschotten en € 1.356,- voor salaris procureur.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.P.C.J. van Bavel en uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2005.

de griffier de rechter