Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2005:AT2871

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
24-02-2005
Datum publicatie
31-03-2005
Zaaknummer
123254
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In deze procedure dient de vraag te worden beantwoord wie ten tijde van de beslaglegging eigenaar was van de auto. Uitgangspunt daarbij is dat degene die een goed houdt, vermoed wordt dit goed voor zichzelf te houden en bezitter daarvan te zijn (artikel 3:109 BW) en voorts dat die bezitter vermoed wordt rechthebbende te zijn (artikel 3:119 lid 1 BW).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 123254 / KG ZA 05-67

Datum vonnis: 24 februari 2005

Vonnis

in kort geding

in de zaak van

[eiser],

wonende te Oss,

eiser,

procureur mr. J.J.L. Joseph te Huissen,

advocaat mr. L.M.P. van Zandvoort te Oss,

tegen

de vereniging

VERENIGING TEGEN PIRAMIDESPELEN,

gevestigd te Enschede,

gedaagde,

procureur en advocaat mr. M.C. Oomen te Enschede,

en tegen

[gedaagde 2],

zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedaagde,

procureur en advocaat mr. A. Durmus te Tiburg.

Partijen worden hierna aangeduid als [eiser], de vereniging en [gedaagde 2].

Het verloop van de procedure

[eiser] heeft de vereniging en [gedaagde 2] ter zitting in kort geding doen dagvaarden en gevorderd als weergegeven in de dagvaarding.

Primair heeft de vereniging geconcludeerd tot weigering van de gevorderde voorzieningen. Subsidiair, in geval de vordering van [eiser] zal worden toegewezen, vordert de vereniging te bepalen dat [eiser] tot een bedrag van € 14.000,-- zekerheid dient te stellen.

De advocaten van [eiser] en de vereniging hebben de zaak bepleit, laatstgenoemde overeenkomstig de pleitnotitie die is overgelegd in een op 27 januari 2004 tussen [eiser] en de vereniging gevoerd kort geding. Daarbij hebben zij producties in het geding gebracht. De advocaat van [gedaagde 2] heeft inhoudelijk geen verweer gevoerd tegen de door [eiser] ingestelde vordering.

Tenslotte is vonnis bepaald.

De vaststaande feiten

1. Op grond van de grosse van het arrest van het gerechtshof te Arnhem van 27 januari 2004 heeft de vereniging op 15 december 2004 ten laste van [gedaagde 2] executoriaal beslag laten leggen op de Audi A4 voorzien van het kenteken PB-JX-99, hierna te noemen: de auto. De auto is in gerechtelijke bewaring gegeven bij Houterman Lent B.V. te Wijchen.

2. In het proces-verbaal van deurwaarder Croese te Nijmegen staat vermeld dat [gedaagde 2] ten tijde van de inbeslagname heeft verklaard dat de auto eigendom was van zijn zwager [eiser].

3. Bij proces-verbaal van 23 december 2004 is de executoriale verkoop van de auto aangezegd.

De vordering

5. [eiser] vordert:

a. te verklaren voor recht, dat hij op goede gronden in verzet is gekomen tegen de voorgenomen executoriale verkoop van de auto;

b. opheffing van het hiervoor onder 1 genoemde beslag;

c. te bepalen dat de vereniging binnen twee dagen na het in deze te wijzen vonnis, althans binnen drie dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis, over zal gaan tot afgifte van de auto, op straffe van een dwangsom van € 500,-- per dag;

d. de vereniging te veroordelen tot betaling van schadevergoeding, geleden ten gevolge van het gelegd beslag, zijnde € 19,26 per week uit hoofde van wegenbelasting, verzekeringspremie vanaf 15 december 2004 tot de dag der opheffing van het beslag en € 300,-- voor vervangend vervoer;

e. de vereniging te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten;

f. de vereniging te veroordelen in de kosten van dit geding.

6. Als grondslag voor zijn vordering voert [eiser] aan dat hij eigenaar van de auto is en de vereniging geen vordering op hem heeft, zodat het beslag op de auto ten onrechte door de vereniging is gelegd.

7. De vereniging voert gemotiveerd verweer, waarop voor zover nodig hierna zal worden ingegaan. De advocaat van [gedaagde 2] heeft inhoudelijk geen verweer gevoerd.

De beoordeling van de vordering

8. In artikel 705 lid 3 juncto artikel 438 lid 5 Rv is bepaald dat verzet tegen de executie door een derde geschiedt door dagvaarding van zowel de executant als de geëxecuteerde. Nu de vereniging en [gedaagde 2] door [eiser] in rechte (in dit kort geding) zijn betrokken, is aan de bedoelde formele vereiste voor verzet tegen executie als het onderhavige voldaan.

9. Het gaat in deze zaak, kort samengevat, om het navolgende. De vereniging heeft op 15 december 2004 ten laste van [gedaagde 2] executoriaal beslag laten leggen op de auto, zoals hiervoor weergegeven onder de vaststaande feiten sub 1. [eiser] heeft daarop de vereniging en [gedaagde 2] gedagvaard en op grond van artikel 705 lid 2 Rv. opheffing gevorderd van het beslag, stellende dat hij eigenaar is van de in beslag genomen auto en dat de vereniging geen vordering op hem heeft. Volgens [eiser] heeft de vereniging onrechtmatig gehandeld door beslag te leggen op zijn eigendom.

10. Daartegenover heeft de vereniging gesteld dat de auto eigendom is van [gedaagde 2], althans niet eigendom is van [eiser]. Op het moment van beslaglegging reed [gedaagde 2] in de auto en de vereniging stelt zich op het standpunt dat hij op grond van artikel 3:119 lid 1 BW vermoed wordt rechthebbende te zijn.

11. In deze procedure dient de vraag te worden beantwoord wie ten tijde van de beslaglegging eigenaar was van de auto. Uitgangspunt daarbij is dat degene die een goed houdt, vermoed wordt dit goed voor zichzelf te houden en bezitter daarvan te zijn (artikel 3:109 BW) en voorts dat die bezitter vermoed wordt rechthebbende te zijn (artikel 3:119 lid 1 BW).

Vervolgens komt de vraag aan de orde of [eiser], alle feiten en omstandigheden in aanmerking genomen, het in laatstgenoemd artikel besloten vermoeden dat [gedaagde 2] (de bezitter) eigenaar is, voorshands zodanig heeft weerlegd, dat het aan de vereniging is de gepretendeerde eigendom nader te bewijzen.

De voorzieningenrechter overweegt daartoe het navolgende.

12. [eiser] stelt dat hij de auto op de dag van inbeslagname slechts voor een paar uur had uitgeleend aan [gedaagde 2]. [gedaagde 2] is, naar onbetwist is gesteld, met de auto naar een bespreking met de vereniging gegaan. [eiser] betwist dat [gedaagde 2] altijd in de auto reed. Volgens [eiser] woont [gedaagde 2] al jaren niet meer in Nederland, hetgeen de advocaat van [gedaagde 2] ter zitting heeft bevestigd.

Voorts stelt [eiser] dat hij de auto op 22 januari 2002 bij Van de Goor Auto’s heeft gekocht. Van de Goor Auto’s had de auto in voorraad genomen van autobedrijf Van Hulst, die de auto eerder had verkregen van Hub B.V. te Uden, die op zijn beurt de auto heeft gevrijwaard en uitgefactureerd.

[eiser] beschikt niet over een aankoopbewijs of een kwitantie. Volgens [eiser] is de koop destijds mondeling gesloten en heeft hij de auto contant betaald. Ter onderbouwing daarvan heeft [eiser] een kopie van een bankafschrift overgelegd waaruit blijkt dat er op 21 januari 2002 ten laste van de rekening van [eiser] een kasopname is geweest ten bedrage van € 9.000,--. [eiser] stelt met dit bedrag de auto contant te hebben betaald. Ter terechtzitting heeft [eiser] het kentekenbewijs laten zien, waaruit blijkt dat de auto op zijn naam staat.

Uit de overgelegde producties is voorts gebleken dat de verzekering van de auto vanaf het moment van aankoop op naam staat van de echtgenote van [eiser]. Tevens bevindt zich bij de stukken een verklaring van Van de Goor Auto’s gedateerd 20 december 2004, waarin deze verklaart de auto in januari 2002 aan [eiser] te hebben verkocht.

13. In het door haar gevoerde verweer heeft de vereniging aangevoerd dat [eiser] de auto niet van Van de Goor Auto’s heeft gekocht. De vereniging heeft, onbetwist gesteld, dat Hub B.V. te Uden de auto heeft verkocht aan autobedrijf Van Hulst.

Volgens de vereniging heeft Van Hulst haar mondeling medegedeeld dat zij de auto op de automarkt in Utrecht heeft verkocht aan “Turken uit de buurt van Dordrecht of Sliedrecht of zoiets”.

Ter zitting heeft de vereniging een schriftelijke verklaring van voornoemde Van Hulst overgelegd waaruit zou blijken dat de auto op de automarkt is verkocht. Op de verklaring ontbreekt echter een datum, kenteken van de auto en namen van de kopers.

14. Alle hiervoor genoemde feiten en omstandigheden in aanmerking genomen is de voorzieningenrechter van oordeel dat [eiser] vooralsnog het vermoeden dat [gedaagde 2] eigenaar van de auto is, voldoende heeft weerlegd.

De vereniging heeft de stelling dat de auto op de automarkt is verkocht niet met nadere bewijsstukken onderbouwd zodat, voorshands geoordeeld, niet van de juistheid van deze stelling kan worden uitgegaan.

Ten aanzien van de stelling van de vereniging dat het kenteken van de auto nimmer op naam van Van de Goor Auto’s is gesteld, overweegt de voorzieningenrechter (wellicht ten overvloede) dat het in de autohandel niet ongebruikelijk is dat auto’s onderling in elkaars handelsvoorraad worden gebracht om ze zo sneller te verkopen. Dat de auto destijds niet bij de Rijksdienst voor het Wegverkeer op naam is gesteld van Van Hulst en/of Van de Goor auto’s is daardoor niet onbegrijpelijk.

15. Uit het voorgaande volgt dat, nu de auto ten tijde van de inbeslagname eigendom was van [eiser], de vereniging daarop ten onrechte beslag heeft gelegd. De vorderingen van [eiser] onder 5 sub b en c zullen daarom worden toegewezen, met dien verstande dat het totaal van de gevorderde dwangsommen aan een maximum zal worden gebonden.

16. Ten aanzien van de vordering van [eiser] onder 5 sub a overweegt de voorzieningenrechter dat in kort geding geen verklaring voor recht kan worden afgegeven. In een kort gedingprocedure is immers slechts plaats voor een voorlopige voorziening.

17. De onder 5 sub d gevorderde schadevergoeding, zijnde de kosten voor wegenbelasting, verzekeringspremie en kosten voor vervangend vervoer, kan niet worden toegewezen nu deze bedragen door de vereniging zijn betwist en door [eiser] niet nader zijn onderbouwd met overeenstemmende betalingsbewijzen.

18. [eiser] stelt de onder 5 sub e vermelde buitengerechtelijke kosten van rechtsbijstand te hebben gemaakt. Omdat [eiser] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij tot het door hem gevorderde bedrag van € 799,19 aan buitengerechtelijke incassokosten daadwerkelijk heeft gemaakt, zullen deze kosten – met inachtneming van het bepaalde in het rapport Voorwerk II – worden gematigd tot een bedrag van € 662,--, een bedrag gelijk aan twee punten van het toepasselijke liquidatietarief in eerste aanleg.

19. De door de vereniging gevorderde zekerheidstelling, zal worden afgewezen omdat het restitutierisico onvoldoende aanleiding is om zekerheid op te leggen.

20. Aangezien [eiser], [gedaagde 2] en de vereniging over en weer op enige punten in het ongelijk zijn gesteld, zullen de kosten van dit kort geding tussen de partijen worden gecompenseerd.

De beslissing

De voorzieningenrechter

heft het op 15 december 2004 ten laste van [gedaagde 2] gelegde executoriale beslag op de Audi A4, voorzien van het kenteken PB-JX-99, op,

bepaalt dat de vereniging binnen drie dagen na betekening van dit vonnis, over zal gaan tot afgifte van de auto,

veroordeelt de vereniging om aan [eiser] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 662,-- terzake buitengerechtelijke kosten,

veroordeelt de vereniging om ingeval zij in gebreke mocht blijven aan bovenstaande veroordeling te voldoen, aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 500,-- per dag, met een maximum van € 10.000,--.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt,

weigert het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mevrouw mr. C.M. Wiertz-Wezenbeek in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mevrouw V.R. Bouwmeister op 24 februari 2005.

de griffier, de voorzieningenrechter, de rechterd