Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2005:AT2849

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
08-02-2005
Datum publicatie
30-03-2005
Zaaknummer
122401
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vooropgesteld wordt dat de aanschrijving van 26 november 2004, nu de gemeente Nijmegen daartegen geen beroep heeft ingesteld, formele rechtskracht heeft. Dit betekent in beginsel dat de gemeente Nijmegen bij ongewijzigde omstandigheden gerechtigd is met een beroep op artikel 23, lid 1 van de Woningwet verdere bewoning van het pand te doen staken.

De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat eiser zich terecht op het standpunt stelt dat de gemeente Nijmegen als eigenaar niet slechts met een beroep op de aanschrijving die zij van de gemeente Nijmegen in haar hoedanigheid als bestuursorgaan heeft ontvangen, tot feitelijke ontruiming kan overgaan. Om tot ontruiming te kunnen komen dient uitgegaan te worden van de feitelijke situatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 122401 / KG ZA 05-18

Datum vonnis: 8 februari 2005

Vonnis

in kort geding

in de zaak van

[eiser],

wonende te Nijmegen,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

procureur mr. S.I. Henny,

advocaat mr. E.Th. Hummels te Zeist,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE NIJMEGEN,

gevestigd te Nijmegen,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

procureur J.T. Palstra,

advocaat mr. M.L.J. Bomers te Nijmegen.

Partijen worden hierna ook aangeduid als [eiser] en de gemeente Nijmegen of de gemeente.

Het verloop van de procedure

[eiser] heeft de gemeente Nijmegen ter zitting in kort geding doen dagvaarden en gevorderd als weergegeven in de dagvaarding.

De gemeente Nijmegen heeft geconcludeerd tot weigering van de gevorderde voorzieningen en heeft tevens een eis in reconventie ingesteld, zoals neergelegd in de conclusie van eis in reconventie. [eiser] heeft geconcludeerd tot weigering van de gevorderde voorzieningen.

De advocaten van partijen hebben de zaak bepleit overeenkomstig de door hen overgelegde pleitnotities.

Daarbij zijn producties in het geding gebracht.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De vaststaande feiten

1. [eiser] heeft samen met anderen het pand Kroonstraat 150, eerste etage, te Nijmegen, gekraakt. Het is het voormalige R.K. Weeshuis. Het pand wordt gekraakt vanaf 12 september 2004. Het pand wordt op de begane grond bewoond door anti-krakers. Deze anti-krakers bewonen vanaf 1990 het hele pand, maar sinds ongeveer twee jaar geleden bewonen zij alleen nog maar de begane grond.

2. Op 26 november 2004 heeft de gemeente Nijmegen in haar hoedanigheid van bestuursorgaan van de gemeente aan de gemeente Nijmegen als eigenaar van het pand een bestuursdwangaanschrijving, gebaseerd op de artikelen 14, lid 1, 17, lid 1 en 21, lid 2 van de Woningwet, gericht, waarin de gemeente Nijmegen is aangezegd dat zij een reeks voorzieningen diende te treffen ter verbetering van de brandveiligheid in het pand. De gemeente Nijmegen als eigenaar van het pand heeft geen gevolg gegeven aan de bestuursdwangaanschrijving. Zij beroept zich op het in de aanschrijving ook genoemde artikel 23, lid 1 van de Woningwet en wenst over te gaan tot staking van de bewoning van het pand.

3. Bij brief van 9 januari 2005 heeft de advocaat van [eiser] mede namens de overige bewoners het college van burgemeester en wethouders van de gemeente bericht dat niet op grond van de aanschrijving van 26 november 2004, gericht aan de gemeente Nijmegen, overgegaan kan worden tot feitelijke ontruiming, omdat daartoe een aan de bewoners gericht besluit nodig is. Ook heeft de advocaat in deze brief aangegeven dat de bewoners inmiddels zelf in redelijkheid en voor zover relevant aan de aanschrijving voldaan hebben.

In reactie op deze brief heeft de gemeente Nijmegen bij brief van 10 januari 2005 aan de advocaat van de bewoners onder meer laten weten dat de aanschrijving van 26 november 2004 wel de basis kan vormen om over te gaan tot feitelijke ontruiming van het pand.

4. Op donderdag 13 januari 2005 is het pand door de gemeente Nijmegen ontruimd, maar de bewoners zijn dezelfde dag weer in het pand teruggekeerd.

5. Bij brief van 21 januari 2005 heeft de advocaat van de gemeente Nijmegen namens de gemeente Nijmegen de krakers gesommeerd het pand uiterlijk 24 januari 2005 te ontruimen. Aan deze sommatie is geen gevolg gegeven.

De vorderingen

1. [eiser] vordert dat de gemeente Nijmegen en via haar het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen c.q. de burgemeester van de gemeente Nijmegen, zal worden verboden om (wederom) bestuursrechtelijke dwangmiddelen op basis van de aanschrijving van 26 november 2004, waaronder ontruiming van [eiser] c.s., jegens [eiser] c.s. toe te passen, een en ander op straffe van verbeurte van dwangsommen.

2. De gemeente Nijmegen vordert dat [eiser] zal worden veroordeeld om A: het pand aan de Kroonstraat 150 te ontruimen en te verlaten met al degenen die en al hetgeen zich daarop van zijnentwege bevinden respectievelijk bevindt en vervolgens ontruimd te houden met machtiging van de gemeente Nijmegen om bij gebreke van volledige voldoening hieraan deze ontruiming zelf te bewerkstelligen met behulp van politie en justitie en B: dat zal worden bepaald dat het in deze zaak te wijzen ontruimingsvonnis binnen de in artikel 557 lid 1 3 Rv genoemde termijn van een jaar ook kan worden ten uitvoer gelegd tegen een ieder die ten tijde van de tenuitvoerlegging zich in het onder A. genoemde pand bevindt of daarin binnen treedt en telkens wanneer dat zich voordoet.

De beoordeling van de vorderingen

In conventie

1. De gemeente Nijmegen stelt allereerst dat [eiser] niet ontvankelijk verklaard moet worden in zijn vordering, nu de bestuursrechter heeft geoordeeld dat individuele krakers niet als belanghebbende bij de aanschrijving van 26 november 2004 kunnen worden aangemerkt.

Zou [eiser] in onderhavige procedure wel ontvankelijk verklaard worden, dan zou dat tot een verkapt hoger beroep van de uitspraak van de bestuursrechter leiden, aldus de gemeente.

2. Deze stelling van de gemeente gaat niet op. Dat [eiser] wellicht niet als direct belanghebbende bij de aanschrijving van 26 november 2004 is aan te merken, wil niet zeggen dat hij de gemeente Nijmegen niet in een civielrechtelijke procedure op grond van onrechtmatig handelen zou kunnen aanspreken, zoals hij in deze zaak doet. [eiser] wordt daarom ontvankelijk geacht in zijn vordering.

3. Voor zover [eiser] bedoeld heeft de vordering mede namens de overige bewoners in te stellen, wat overigens voorshands geoordeeld niet volgt uit de enkele toevoeging van de letters c.s. aan zijn naam c.q. stellingen als eiser, stelt de gemeente Nijmegen terecht dat [eiser] in deze procedure slechts voor zichzelf kan opkomen nu de overige bewoners zich niet als eisers in deze procedure hebben gesteld.

4. Vooropgesteld wordt dat de aanschrijving van 26 november 2004, nu de gemeente Nijmegen daartegen geen beroep heeft ingesteld, formele rechtskracht heeft. Dit betekent in beginsel dat de gemeente Nijmegen bij ongewijzigde omstandigheden gerechtigd is met een beroep op artikel 23, lid 1 van de Woningwet verdere bewoning van het pand te doen staken.

5. [eiser] heeft aan zijn vordering de nodige stellingen ten grondslag gelegd die de voorzieningenrechter in deze procedure niet kan beoordelen, omdat die voorbehouden zijn aan een bestuursrechtelijke beoordeling. Wel zal de voorzieningenrechter ingaan op de stellingen van [eiser] dat de aanschrijving van 26 november 2004 aan de gemeente Nijmegen haar als eigenaar niet zonder meer recht geeft over te gaan tot feitelijke ontruiming van het pand en dat het pand inmiddels voldoende brandveilig is, dan wel door relatief geringe medewerking van de gemeente voldoende brandveilig kan worden gemaakt. Hoewel [eiser] ten tijde van de dagvaarding nog niet bekend was met de aanschrijving van de gemeente Nijmegen van 21 januari 2005 en daarmee in zijn vordering geen rekening heeft gehouden, is deze aanschrijving ter zitting wel besproken, zodat die aanschrijving in onderhavige beoordeling wordt meegenomen.

6. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat [eiser] zich terecht op het standpunt stelt dat de gemeente Nijmegen als eigenaar niet slechts met een beroep op de aanschrijving die zij van de gemeente Nijmegen in haar hoedanigheid als bestuursorgaan heeft ontvangen, tot feitelijke ontruiming kan overgaan. Om tot ontruiming te kunnen komen dient uitgegaan te worden van de feitelijke situatie. Die feitelijke situatie was en is dat het pand bewoond werd en wordt door een aantal mensen. Om de ontruiming te bewerkstelligen dient de eigenaar van het pand de bewoners daarvan (gemotiveerd) de ontruiming aan te zeggen. Dat ook de gemeente Nijmegen dit onderkent, blijkt vooralsnog voldoende uit de aanschrijving van 21 januari 2005 aan de bewoners. Ter zitting heeft de gemeente Nijmegen toegelicht dat aan de aanschrijving van 26 november 2004, maar ook aan de aanschrijving tot ontruiming van 21 januari 2005 de brandonveiligheid van het pand ten grondslag ligt.

7. Partijen verschillen van mening over de vraag welke eisen van brandveiligheid aan het pand moeten worden gesteld. [eiser] stelt dat er sprake is van groepsbewoning, waarbij de feitelijke situatie dusdanig is dat een oppervlakte van slechts 300 meter wordt bewoond, terwijl de gemeente Nijmegen is uitgegaan van een situatie die gelijk te stellen is met die van kamerverhuur.

8. Hoewel hierna zal blijken dat voor de beoordeling van het onderhavige geschil niet van doorslaggevende betekenis is welke normen van brandveiligheid precies hebben te gelden, wordt vooralsnog geoordeeld dat, nu voor de gemeente Nijmegen oncontroleerbaar is hoeveel en welke bewoners vanaf 12 september 2004 in het pand hebben gewoond, de gemeente zich terecht op het standpunt stelt dat de bewoning door [eiser] en de overige bewoners de meeste overeenkomsten heeft met de categorie kamerverhuur. Nu evenmin controleerbaar is voor de gemeente Nijmegen welk gedeelte van het gekraakte pand feitelijk door de bewoners wordt gebruikt, heeft de gemeente Nijmegen voor de te stellen brandveiligheidsnormen uit mogen gaan van de totale bewoonbare oppervlakte van het gekraakte pand.

9. Vast staat dat de aanschrijving van 26 november 2004 is gedaan naar aanleiding van een onderzoek op 9 november 2004 door medewerkers van de afdeling Bouwen en Wonen van de gemeente Nijmegen in samenwerking met medewerkers van de brandweer.

Tevens is uit de stukken en het verhandelde ter zitting voldoende aannemelijk geworden dat [eiser] tezamen met de andere bewoners en in overleg met de brandweer in het pand brandveiligheidsvoorzieningen heeft aangebracht. Of [eiser] hier al dan niet toe bevoegd was, staat los van de vraag of het pand door het aanbrengen van die voorzieningen voldoende brandveilig is.

Weliswaar stelt de gemeente Nijmegen dat na hercontrole door de heer Graven van de afdeling Bouwen en Wonen is geconstateerd dat het pand nog steeds niet voldoet aan de eisen van brandveiligheid, maar de gemeente Nijmegen heeft vooralsnog op geen enkele wijze inzichtelijk gemaakt aan welke eisen nog niet zou zijn voldaan. Voor een onderwerp als dit acht de voorzieningenrechter noch tegenover zichzelf noch tegenover de bewoners een eenvoudige verklaring “van horen zeggen” voldoende. Voorts is ter zitting komen vast te staan dat de gemeente Nijmegen zelf mede verantwoordelijk is voor een deel van de brandonveiligheid. Zo heeft zij niet weersproken dat zij aan de op de begane grond wonende anti-krakers geen toestemming heeft gegeven om de reparatie van de waterleiding te dulden. Evenmin is weersproken dat zij voor het overige heeft geweigerd relatief eenvoudige en goedkope voorzieningen ten aanzien van de brandveiligheid in het pand te treffen. Als het de gemeente Nijmegen inderdaad, zoals zij betoogt, slechts te doen is om de veiligheid van het pand en de bewoners, is haar optreden dienaangaande onbegrijpelijk.

Gelet op dit alles kan thans de brandveiligheid in redelijkheid niet als voldoende motivering van de eis van de gemeente Nijmegen worden gezien om tot ontruiming over te gaan.

10. Het voorgaande leidt tot het voorlopig oordeel dat de vordering van [eiser] kan worden toegewezen. Nu de gemeente Nijmegen haar stelling dat [eiser] ook elders een woonadres heeft niet nader met stukken heeft onderbouwd en [eiser] deze stelling heeft weersproken, heeft [eiser] zijn spoedeisend belang bij de vordering voldoende aannemelijk gemaakt. De gevorderde dwangsom zal worden gematigd en aan een maximum worden gebonden. Als de in het ongelijkgestelde partij zal de gemeente Nijmegen in de kosten van de procedure worden veroordeeld.

In reconventie

11. Voorshands geoordeeld is voldoende aannemelijk geworden dat de gemeente Nijmegen in reconventie optreedt als bestuursorgaan en ook als eigenaar van het pand, zodat voldaan is aan het bepaalde in artikel 136 Rv en de gemeente Nijmegen ontvankelijk verklaard kan worden in haar vordering.

12. De vordering in reconventie kan, gelet op de vordering in conventie, slechts zien op het vertrek van [eiser] uit het pand. Nu de gemeente Nijmegen geen belang heeft gesteld of aangetoond bij het vertrek van alleen [eiser] uit het pand, wordt voorshands geoordeeld dat zij onvoldoende haar belang bij haar vordering jegens [eiser] aannemelijk heeft gemaakt. De vordering moet om reden al worden afgewezen.

13. Als de in het ongelijk gestelde partij zal de gemeente Nijmegen in de kosten van deze procedure worden veroordeeld, welke kosten echter op nihil worden gesteld.

De beslissing

De voorzieningenrechter

In conventie

1. verbiedt de gemeente Nijmegen en via haar het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen, c.q. de burgemeester van de gemeente Nijmegen, bestuursrechtelijke dwangmiddelen op basis van de aanschrijving van 26 november 2004 toe te passen,

2. veroordeelt de gemeente Nijmegen om ingeval zij na betekening van dit vonnis het bovenstaande verbod overtreedt, aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 500,00 per overtreding, echter met een maximum van € 10.000,

3. veroordeelt de gemeente Nijmegen in de kosten van deze procedure aan de zijde van [eiser] bepaald op € 1.128,93, waarvan te betalen aan de griffier van deze rechtbank (op rekeningnr. 1923.25.752 ten name van arrondissement 533 Arnhem)

a. € 816,00 voor salaris,

b. € 71,93 voor in debet gestelde exploitkosten,

c. € 180,75 voor in debet gesteld griffierecht

en het restant ad € 60,25 aan de procureur van eiser wegens haar eigen aandeel in het griffierecht,

4. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

In reconventie

5. weigert de gevorderde voorzieningen,

6. veroordeelt de gemeente Nijmegen in de kosten van deze procedure aan de zijde van [eiser] bepaald op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.D.A. den Tonkelaar en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. I.A. van Gemert op 8 februari 2005.

de griffier de rechter