Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2005:AT2846

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
03-02-2005
Datum publicatie
30-03-2005
Zaaknummer
122557
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vast staat dat eiser geen partij is geweest in de procedure die tot het vonnis heeft geleid, zodat zij in het kader van dit kort geding moet worden aangemerkt als “een derde” in de zin van artikel 438, lid 5 Rv. Dit artikel(lid) schrijft dwingend voor dat in een executiegeschil als het onderhavige zowel de executant (de vereniging piramide spelen) als de geëxecuteerde door de derde (eiser) dient te worden gedagvaard. Nu eiser heeft nagelaten betrokkene in dit kort geding (mede) te dagvaarden is aan voormeld vereiste niet voldaan, zodat eiser reeds op grond daarvan niet ontvankelijk in haar vordering moet worden verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 122557 / KG ZA 05-23

Datum vonnis: 3 februari 2005

Vonnis

in kort geding

in de zaak van

[eiser],

wonende te Oss,

eiser,

procureur mr. J.J.L. Joseph te Huissen,

advocaat mr. J.J. Lauwen te Oss,

tegen

de vereniging

VERENIGING TEGEN PIRAMIDESPELEN,

gevestigd te Enschede,

gedaagde,

procureur en advocaat mr. drs. J. de Jong van Lier te Enschede.

Partijen worden hierna aangeduid als [eiser] en de vereniging.

Het verloop van de procedure

[eiser] heeft de vereniging ter zitting in kort geding doen dagvaarden en gevorderd als weergegeven in de dagvaarding.

[eiser] heeft ter zitting zijn eis aangevuld – waartegen de vereniging zich niet heeft verzet – in die zin, dat hij thans vordert de gevorderde voorzieningen uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De vereniging heeft bepleit om aan een verklaring tot uitvoerbaarheid bij voorraad een voorwaarde tot zekerheidstelling van € 14.000,-- te verbinden.

De vereniging heeft geconcludeerd tot weigering van de gevorderde voorzieningen.

De advocaten van partijen hebben de zaak bepleit, laatstgenoemde overeenkomstig de door hem overgelegde pleitnotitie. Daarbij hebben zij producties in het geding gebracht.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De vaststaande feiten

Op grond van de stellingen van partijen en de inhoud van de producties – alles voor zover niet dan wel onvoldoende weersproken – staat voorshands het volgende vast.

1. Op verzoek van de vereniging is bij proces-verbaal van deurwaarder Croese te Nijmegen op 15 december 2004 ten laste van de heer [bet[betrokkene], zwager van [eiser], het voertuig Audi A4 voorzien van het kenteken PB-JX-99 in executoriaal beslag genomen, waarbij het voertuig in gerechtelijke bewaring is gegeven aan de besloten vennootschap Houterman Lent B.V. te Wijchen.

2. In het proces-verbaal staat vermeld dat de heer [betrokkene] ten tijde van de inbeslagname heeft verklaard dat de roerende zaak in eigendom toebehoort aan zijn zwager, de heer C. [eiser].

2. Het beslag werd gelegd op grond van het arrest van het gerechtshof te Arnhem d.d. 29 januari 2004, waarbij de heer [betrokkene] werd veroordeeld tot betaling van een onbekend bedrag aan de vereniging.

3. Bij proces-verbaal d.d. 23 december 2004 is de executoriale verkoop van voormeld voertuig aangekondigd.

De vordering

4. [eiser] vordert, samengevat weergegeven,

a. te verklaren voor recht, dat hij op goede gronden in verzet is gekomen tegen de voorgenomen executoriale verkoop van de Audi A4 voorzien van het kenteken PB-JX-99;

b. opheffing van het door de vereniging gelegde executoriale beslag;

c. te bepalen dat de vereniging binnen twee dagen na het in deze te wijzen vonnis, althans binnen drie dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis, over zal gaan tot afgifte van voornoemd voertuig, op straffe van een dwangsom van € 500,-- per dag;

d. de vereniging te veroordelen tot betaling van schadevergoeding, geleden ten gevolge van het gelegd beslag, zijnde € 19,26 per week uit hoofde van wegenbelasting, verzekeringspremie vanaf 15 december 2004 tot de dag der opheffing van het beslag en € 300,-- voor vervangend vervoer;

e. de vereniging te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten;

f. de vereniging te veroordelen in de kosten van dit geding.

5. [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat hij eigenaar is van voormeld voertuig en de vereniging geen vordering op hem heeft, zodat de vereniging onrechtmatig heeft gehandeld door executoriaal beslag te leggen op het voertuig van [eiser].

[eiser] stelt dat hij op 22 januari 2002 bij Van de Goor Auto’s te Oss het voertuig heeft gekocht. Voor de koop heeft hij op 21 januari 2002 een kasopname van € 9.000,-- gedaan, waaruit blijkt dat hij over voldoende financiële middelen beschikte en het voertuig met zijn geld is betaald. Volgens Somnez heeft Van de Goor Auto’s bij de koop van het voertuig als tussenpersoon opgetreden. De auto was afkomstig van Hub B.V. te Uden, welke de auto heeft gevrijwaard en heeft uitgefactureerd. De auto is derhalve nimmer op naam van Van de Goor Auto’s geregistreerd geweest bij de RDW. Voorts stelt Somnez dat hij op de dag van inbeslagname van het voertuig voor een paar uur het voertuig had uitgeleend aan zijn zwager, de heer [bet[betrokkene], de schuldenaar ten laste van wie beslag is gelegd.

6. De vereniging voert gemotiveerd verweer, waarop voor zover nodig hierna zal worden ingegaan.

De beoordeling van de vordering

7. Voorop gesteld wordt het volgende.

Vast staat dat eiser geen partij is geweest in de procedure die tot het vonnis heeft geleid, zodat zij in het kader van dit kort geding moet worden aangemerkt als “een derde” in de zin van artikel 438, lid 5 Rv. Dit artikel(lid) schrijft dwingend voor dat in een executiegeschil als het onderhavige zowel de executant (de vereniging piramide spelen) als de geëxecuteerde ([betrokkene]) door de derde ([eiser]) dient te worden gedagvaard. Nu [eiser] heeft nagelaten [betrokkene] in dit kort geding (mede) te dagvaarden is aan voormeld vereiste niet voldaan, zodat [eiser] reeds op grond daarvan niet ontvankelijk in haar vordering moet worden verklaard.

8. Uit de vaststaande feiten volgt dat de vordering van [eiser] is gebaseerd op het bepaalde in artikel 705, lid 1 Rv.

Artikel 705, lid 3 Rv bepaalt, voor zover van belang, dat het vijfde lid van artikel 438 Rv, van overeenkomstige toepassing is. Laatstgenoemde artikellid luidt: “verzet tegen de executie door een derde geschiedt door dagvaarding van zowel de executant als de geëxecuteerde”.

De Memorie van Toelichting op artikel 438, lid 5 Rv vermeldt dat dit lid een regel bevat die is ontleend aan artikel 456, eerste lid Rv (oud).

In dit laatste artikel zoals dit tot 1 januari 1992 luidde, werd, voor zover van belang, bepaald dat degene die eigenaar beweert te zijn van inbeslaggenomen goederen of van een gedeelte daarvan, zich tegen de verkoop kon verzetten door dagvaarding van de arrestant en van de persoon tegen wie het beslag was gedaan, zulks op straffe van nietigheid.

De Memorie van Toelichting op artikel 456 Rv houdt in dat de in het eerste lid van artikel 456 Rv (oud) omschreven eis van dagvaarding van zowel de executant als de geëxecuteerde is vervallen in verband met het nieuwe artikel 438 Rv en verwijst naar artikel 438 lid 5 Rv.

Uit het voorgaande volgt dat [eiser], die pretendeert eigenaar te zijn van voornoemde auto, aangemerkt moet worden als derde(-rechthebbende) in de zin van artikel 438, lid 5 Rv.

Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de huidige artikelen 438, 456 en 705 Rv kan worden afgeleid dat de wetgever geen inhoudelijke wijziging heeft beoogd ten aanzien van het tot 1 januari 1992 geldende recht, doch dat hem slechts voor ogen heeft gestaan om via het huidige artikel 438 Rv, dat een algemene regeling betreffende executiegeschillen geeft, in verbinding met de verwijzing naar de laatste drie leden van dit artikel in artikel 705 Rv, de processuele voorschriften betreffende geschillen die uit conservatoire en/of executoriale beslagen kunnen voortvloeien, met elkaar in overeenstemming te brengen.

De redactie en bewoordingen van artikel 438, lid 5 Rv laten er bovendien geen twijfel over bestaan dat het een voorschrift van dwingend recht betreft en derhalve op straffe van nietigheid dient te worden nageleefd.

8. Dat [betrokkene] niet woonachtig is in Nederland doet aan het bovenstaande niet af.

9. Gezien het vorenoverwogene kan de inhoudelijke behandeling van de vorderingen niet aan de orde komen.

10. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [eiser] in de kosten van dit kort geding worden verwezen.

De beslissing

De voorzieningenrechter

verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vordering en

veroordeelt [eiser] in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de vereniging bepaald op € 816,-- voor salaris en op € 241,-- voor verschotten.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M. Wiertz-Wezenbeek en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier

V.R. Bouwmeister op 3 februari 2005.

de griffier, de voorzieningenrechter,