Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2005:AT2842

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
02-02-2005
Datum publicatie
30-03-2005
Zaaknummer
115893
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onbevoegdheid Rechtbank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 115893 / HA ZA 04-1311

Datum vonnis: 2 februari 2005

Vonnis

in de zaak van

De vennootschap naar Duits recht

IMPERIAL SCHIFFAHRT GMBH & CO. K.G.,

gevestigd te Duisburg,

eiseres,

verweerster in het onbevoegdheidsincident,

eiseres in het voegingsincident,

procureur mr. P.C. Plochg,

advocaat mr. J.C. van Zuethem te Rotterdam,

tegen

1. [gedaagde 1],

domicilie kiezende te Antwerpen,

2. [gedaagde 2],

domicilie kiezende te Antwerpen,

gedaagden,

eisers in het onbevoegdheidsincident,

verweerders in het voegingsincident,

procureur mr. J.C.N.B. Kaal,

advocaat mr. J. van Noort te Rotterdam.

Eiseres wordt hierna ook aangeduid als Imperial en gedaagden als [gedaagde 1] en [gedaagde 2].

Het verloop van de procedure

Na het uitbrengen van de dagvaarding en overlegging van de producties zijn de volgende processtukken gewisseld:

* een incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring, verwijzing resp. aanhouding met producties zijdens [gedaagde 1] en [gedaagde 2];

* een incidentele conclusie van antwoord in het onbevoegdheidsincident met productie zijdens Imperial;

* een akte houdende uitlatingen productie met productie zijdens [gedaagde 1] en [gedaagde 2];

* een nadere akte in het onbevoegdheidsincident met productie zijdens Imperial;

* een incidentele conclusie tot voeging zijdens Imperial;

* een incidentele conclusie van antwoord in het voegingsincident met productie zijdens [gedaagde 1] en [gedaagde 2].

Ten slotte is vonnis in beide incidenten bepaald.

De vaststaande feiten in de hoofdzaak en in de incidenten

1. Op 22 augustus 2002 vond op de Waal, ter hoogte van Ewijk (gemeente Beuningen) rond 22.00 uur een aanvaring plaats tussen het binnenvaartschip “Happiness” en een duwcombinatie bestaande uit de duwboot “Veerhaven VII” en zes duwbakken (hierna: de aanvaring). Als gevolg van de aanvaring raakte onder meer één van de duwbakken beschadigd, te weten de duwbak “Haniël 195”, waarvan de naam inmiddels gewijzigd is in “Imperial 195”. Imperial is eigenaresse van deze duwbak.

2. De heer [be[betrokkene] (hierna: [betrokkene]), eigenaar van de Happiness, is strafrechtelijk vervolgd in verband met de aanvaring (zinken vaartuig door schuld, art. 169 wetboek van strafrecht). [betrokkene] is door het Gerechtshof te Arnhem vrijgesproken. [betrokkene] en andere getuigen hebben in het kader van de strafprocedure verklaard dat de aanvaring te wijten was aan het vaargedrag van het binnenvaartschip “Bjorn”. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn eigenaren van de Bjorn.

3. [betrokkene] heeft op 17 december 2002 een aantal partijen gedagvaard voor de rechtbank te Antwerpen (België) om een verklaring voor recht te verkrijgen dat hij niet aansprakelijk is voor de schade aan de door hem vervoerde lading. Ook heeft hij de belanghebbenden bij de Veerhaven VII gedagvaard en gesteld dat zij hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade ten gevolge van de aanvaring. Eén van deze gedaagden is Imperial. Deze procedure wordt hierna aangeduid als de Belgische procedure.

4. Op 29 januari 2004 heeft [betrokkene] [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in gedwongen tussenkomst en in vrijwaring gedagvaard voor de rechtbank te Antwerpen.

5. Bij brief van 5 oktober 2004 (overgelegd door Imperial als productie 7 bij conclusie van antwoord in het onbevoegdheidsincident) heeft de Belgische raadsman van [betrokkene] aan de rechtbank van Antwerpen geschreven dat zijn cliënt afstand van geding doet op grond van art. 820 van het (Belgische) Gerechtelijk Wetboek ten aanzien van onder meer [gedaagde 1] en [gedaagde 2]. Op 19 oktober 2004 is aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een akte ‘Betekening afstand van het geding’ betekend.

6. [betrokkene] en Fortis Corporate Insurance N.V. (hierna: Fortis), de cascoverzekeraar van de Happiness hebben bij dagvaarding d.d. 5 juli 2004 [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gedagvaard voor deze rechtbank. De in de dagvaarding genoemde toedracht en gronden voor de vorderingen in die zaak (hierna: de zaak 2004/1312) zijn nagenoeg gelijkluidend aan de toedracht en gronden voor de vorderingen aangevoerd in deze zaak. De advocaat van Fortis en [betrokkene] is aan hetzelfde advocatenkantoor verbonden als de advocaat van Imperial.

Het geschil in de hoofdzaak en in de incidenten

7. Imperial heeft in de hoofdzaak gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, voor zover de wet zulks toelaat, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk, althans [gedaagde 1], althans [gedaagde 2] zal veroordelen tot betaling aan haar van een bedrag groot € 64.547,03, te vermeerderen met de wettelijke rente en de kosten van het geding.

8. Imperial heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat de aanvaring en daarmee de daaruit voortvloeiende aanvaringsschade uitsluitend is veroorzaakt door de Bjorn, waardoor [gedaagde 1] en [gedaagde 2] als eigenaren van de Bjorn gehouden zijn deze schade te vergoeden.

9. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben vóór alle weren primair aangevoerd dat de rechtbank deze zaak dient aan te houden totdat de rechtbank te Antwerpen zich heeft uitgelaten over haar bevoegdheid alsook dat deze rechtbank zich onbevoegd moet verklaren in het geval de rechtbank te Antwerpen zich bevoegd verklaart.

Subsidiair hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aangevoerd dat de rechtbank deze zaak dient te verwijzen en meer subsidiair dat zij deze zaak dient aan te houden totdat de rechtbank te Antwerpen heeft beslist over de vraag wie de veroorzaker van de aanvaring is en de daarmee samenhangende aansprakelijkheidsvraag. Tot slot hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gevorderd dat Imperial veroordeeld wordt in de kosten van het incident.

10. Daartoe hebben zij aangevoerd dat deze en de Antwerpse procedure dusdanig op dezelfde feiten en vorderingen betrekking hebben terwijl bovendien daarbij dezelfde partijen betrokken (kunnen) zijn dat op gevorderde wijze voorkomen moet worden dat tegenstrijdige beslissingen kunnen worden gegeven. Dit klemt te meer nu de rechtbank te Antwerpen zich niet onbevoegd kan verklaren, de zaak niet kan verwijzen naar deze rechtbank en ook de zaak niet kan aanhouden in afwachting van het eindvonnis van deze rechtbank om tegenstrijdige beslissingen te voorkomen, aldus [gedaagde 1] en [gedaagde 2].

11. Imperial heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen deze incidentele vorderingen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2].

12. Daarnaast heeft Imperial vóór alle weren zijdens gedaagden in de hoofdzaak, voeging van zaken gevorderd, te weten voeging met de zaak 2004/1312. Daartoe heeft zij aangevoerd dat het in beide zaken om dezelfde feitelijke en juridische geschilpunten gaat en dat het derhalve wenselijk is dezelfde rechter over de zaak te laten oordelen teneinde dubbel werk en tegenstrijdige beslissingen te voorkomen. Fortis en [betrokkene] hebben geen bezwaar tegen voeging van zaken, aldus Imperial.

13. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] erkennen dat er een verband bestaat met de zaak 2004/1312. Zij refereren zich aan het oordeel van de rechtbank in het geval deze rechtbank hun incidentele vordering tot onbevoegdverklaring verwerpt.

De beoordeling van het geschil in het bevoegdheidsincident

Bevoegdheid

14. Allereerst is de rechtbank met Imperial van oordeel dat zij krachtens de artt. 1 jo. 34 en 35 Herziene Rijnvaartakte als Rijnvaartgerecht (internationaal) bevoegd is nu de aanvaring op de Waal en in het arrondissement Arnhem plaats vond. Dit wordt overigens ook niet bestreden door [gedaagde 1] en [gedaagde 2].

15. De bevoegdheid kennis te nemen van de in art. 34 Herziene Rijnvaartakte omschreven burgerlijke zaken is in de artt. 33 e.v. - met uitsluiting van de gewone rechter - toegekend aan de daarin bedoelde Rijnvaartgerechten. Op dit exclusieve bevoegdheidskarakter bestaat slechts deze, in art. 35ter neergelegde, beperking dat het partijen in burgerlijke zaken vrij staat, hun geschil bij een andere rechter aanhangig te maken, voorzover de nationale wetgeving zich hier niet tegen verzet. Geen van de betrokken partijen heeft gesteld of aangevoerd dat zij van deze mogelijkheid gebruik hebben gemaakt.

16. Voor zover de rechtbank is geïnformeerd heeft de rechtbank te Antwerpen zich nog niet uitgelaten over haar bevoegdheid. Partijen hebben niet gesteld dat de bevoegdheid van de rechtbank te Antwerpen wordt betwist door één van de in de Belgische procedure gedaagde partijen. De rechtbank is echter van mening dat zij haar eigen beslissing over haar bevoegdheid niet hoeft aan te houden totdat de rechtbank te Antwerpen zich daar over heeft uitgelaten aangezien ook in het geval dat de Belgische rechter zich bevoegd zal verklaren dit niet af zal doen aan de bevoegdheid van deze rechtbank. [gedaagde 1] en van Winssen hebben weliswaar betoogd dat deze rechtbank zich onbevoegd moet verklaren krachtens art. 27 EEX-Verordening wanneer de rechtbank te Antwerpen zich bevoegd zal verklaren maar de rechtbank zal hen niet volgen in dit betoog. Immers vast staat dat in België en Nederland niet dezelfde partijen in de procedure zijn betrokken, ook in het geval wanneer de rechtbank te Antwerpen zou concluderen dat [betrokkene] (eisende partij in Belgische procedure) niet rechtsgeldig afstand van geding heeft gedaan. De rechtbank zal op laatstgenoemd punt dan ook niet ingaan en zich bevoegd verklaren. Bovendien ziet de Belgische procedure (die met name ziet op de ladingschade) ook op andere vorderingen.

Verwijzing en aanhouding

17. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben in punt 4 van de incidentele conclusie tot onbevoegdheid aangegeven dat de Belgische procedure tussen [betrokkene] en de oorspronkelijk gedaagde partijen betrekking heeft op de vraag of [betrokkene] aansprakelijk gehouden kan worden voor de door deze partijen geleden schade. Voorts zijn de ladingbelanghebbenden in rechte betrokken ten aanzien van de vraag wie de contractuele aansprakelijkheid draagt voor de ladingschade. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben terecht betoogd dat zowel in de Belgische als is de Nederlandse procedure de vaststelling wie de aanvaring heeft veroorzaakt en daardoor aansprakelijk is voor de gevolgen daarvan, een doorslaggevende rol speelt. Daarmee staat voor de rechtbank vast dat er sprake is van samenhangende zaken zoals gedefinieerd in art. 28 lid 3 EEX-Verordening. De rechtbank spreekt ook uit dat zo veel mogelijk voorkomen moet worden dat tegenstrijdige vonnissen (kunnen) ontstaan. Tegenstrijdigheid zou slechts kunnen ontstaan met betrekking tot de vraag wie als veroorzaker van de aanvaring aansprakelijk gehouden kan worden voor de daaruit voortvloeiende schade.

18. Op grond van art. 28 EEX-Verordening is internationale verwijzing mogelijk. De rechtbank kan deze procedure op grond van art. 28 EEX-Verordening verwijzen naar de rechtbank te Antwerpen danwel haar beslissing aanhouden. De rechtbank overweegt dat in het geval de rechtbank te Antwerpen zich bevoegd zal verklaren, zij deze procedure niet zal verwijzen naar de Belgische procedure omdat in de Belgische procedure vorderingen van geheel andere aard zijn ingesteld.

19. Betreffende de mogelijkheid om deze procedure aan te houden overweegt de rechtbank als volgt. De vraag is – wederom uitgaande van de bevoegdheid van de rechtbank te Antwerpen -welke rechtbank zich uit zou moeten laten over de vraag wie als veroorzaker van de aanvaring aansprakelijk gehouden kan worden voor de daaruit voortvloeiende schade. De rechtbank is van oordeel dat zij in haar hoedanigheid van Rijnvaartgerecht en met toepassing van de bepalingen van de Herziene Rijnvaartakte, regelgeving die onder andere ziet op schade veroorzaakt door een schipper gedurende de reis op de Rijn (zoals gedefinieerd in deze akte), bij uitstek de rechtbank is die zich kan uitlaten over de vraag wie de aanvaring heeft veroorzaakt. De rechtbank zal derhalve deze procedure niet aanhouden.

De beoordeling van het geschil in het voegingsincident

20. De rechtbank overweegt dat Fortis en [betrokkene] zich niet over de vordering tot voeging van zaken hebben uitgelaten. Echter nu Imperial heeft gesteld dat Fortis en [betrokkene] zich niet verzetten tegen voeging van zaken, Fortis en [betrokkene] worden bijgestaan door een kantoorgenoot van de advocaat die Imperial bijstaat, en ook [gedaagde 1] en [gedaagde 2] geen bezwaar hebben gemaakt tegen deze stelling van Imperial, zal de rechtbank uitgaan van de juistheid van deze stelling.

21. Met partijen is de rechtbank eens dat er sprake is van verknochtheid van deze zaak met de zaak 2004/1312. De rechtbank zal de voeging van zaken dan ook toestaan. De zaak 2004/1312 staat op de rol van 16 maart 2005 voor conclusie van antwoord in de hoofdzaak. De rechtbank zal deze zaak naar diezelfde datum verwijzen voor antwoord.

in de hoofdzaak

22. De rechtbank zal in de hoofdzaak iedere verdere beslissing aanhouden.

in de hoofdzaak en in de incidenten

23. Hoger beroep van dit vonnis staat slechts open tegelijk met dat van het eindvonnis (art. 337, tweede lid, Rv.).

De beslissing

De rechtbank

In het onbevoegdheidsincident

verklaart zich bevoegd van de hoofdzaak kennis te nemen,

wijst de overige vorderingen van eisers in het incident af,

In het voegingsincident

beveelt de voeging van deze zaak met de zaak met rolnummer 04-1312,

In de hoofdzaak

verwijst de zaak naar de 6e rolzitting na de datum waarop dit vonnis is uitgesproken voor het nemen van een conclusie van antwoord in de hoofdzaak aan de zijde van gedaagden in de hoofdzaak,

houdt iedere verdere beslissing aan;

In de hoofdzaak en in de incidenten

bepaalt dat van dit vonnis geen hoger beroep mogelijk is dan tegelijk met dat van het eindvonnis in de hoofdzaak;

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Jansen en uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2005.

De griffier de rechter