Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2005:AT2763

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
28-01-2005
Datum publicatie
30-03-2005
Zaaknummer
120666
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Agentuurovereenkomst:

zorgplicht principaal jegens de agenten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 120666 / KG ZA 04-749

Datum vonnis: 28 januari 2005

Vonnis in kort geding

in de zaak van

1. [eiser 1],

wonende te Ossenzijl,

2. [eiser 2],

wonende te Beesd,

3. [eiser 3],

wonende te Wassenaar,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ADVIES- EN ORGANISATIEBUREAU HIB B.V.,

gevestigd te Zeist,

eisers,

procureur mr. F.J. Boom,

advocaat mw. mr. M. Bakhuis te Amsterdam,

tegen

de rechtspersoon naar Zwitsers recht

HAPIMAG VERWALTUNGS- UND VERTRIEBSGESELLSCHAFT

HAVAG AG,

gevestigd te Baar (Zwitserland),

gedaagde,

advocaat mr. C.C. Zillinger Molenaar te Amsterdam.

Het verloop van de procedure

Eisers – hierna ieder afzonderlijk, respectievelijk: [eiser 1], [eiser 2], [eiser 3] en AOHIB – hebben gedaagde – hierna: Hapimag –

ter terechtzitting in kort geding doen dagvaarden en gevorderd als weergegeven in de dagvaarding. Hapimag heeft geconcludeerd tot wei-gering van de gevraagde voorzieningen. De advocaten van partijen hebben de zaak bepleit overeenkomstig de door hen overgelegde pleit-notities. Zij hebben daarbij producties in het geding gebracht.

Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

De vaststaande feiten

1. Hapimag is een vennootschap die haar aandeelhouders, die zij partners of deelgenoten noemt, deeltijdvakanties aanbiedt (timesha-ring) in door haar geëxploiteerde vakantieaccomodaties.

Eisers zijn handelsagenten van Hapimag.

2. Sedert 1 januari 2004 wordt de relatie tussen Hapimag als princi-paal en ieder van eisers als handelsagent beheerst door een voor ieder van eisers gelijkluidende agentuurovereenkomst, waarvan de Neder-landse vertaling, voor zover hier van belang, luidt:

“1. Onderwerp van de overeenkomst

Principaal draagt Agent de verkoop op van timesharingproducten (rechten

van gebruik in deeltijd van onroerende zaken) van Hapimag (bijvoorbeeld:

aandelen Hapimag, Hapimag Residenz) in

? het land: Nederland

(...)

1.1. Organisatie (...)

a) Voor zover zinvol worden aan Agent deelgenoten of door Principaal gewor-ven of bij haar geregistreerde adressen van geïnteresseerden ter begeleiding en bewerking toegewezen (...) (De deelgenoten en geïnteresseerden die voor 1 januari 2004 ter begeleiding aan Agent toegewezen waren, blijven tot nader order aan hem toegewezen) (...)

c.) Door de toewijzing van deelgenoten conform lid a) worden deze uitsluitend

door de agent begeleid die voor hen bevoegd is, met uitzondering van de

volgende uitzonderingen:

? Bij door principaal georganiseerde of goedgekeurde verkoopeve-nementen (...)

kunnen agenten die door hun verkoopleiding aangewezen worden om deel

te nemen aan deze verkoopevenementen (...) bemiddelen bij de verkoop aan

alle deelgenoten van Hapimag.

2. Taken van Agent

2.1 Agent verbindt zich om (...) te bemiddelen bij de verkoop van timesharing-producten van Hapimag en hier intensief aan te werken. Daartoe zal hij (...)

c) zich inspannen om adressen van geïnteresseerden voor producten van Prin-cipaal te verkrijgen en deze binnen een maand bij Principaal te laten regi-streren (...)

3. Verplichtingen van Principaal

3.1 Principaal zal Agent in het kader van haar juridische, personele en financi-ële mogelijkheden ondersteunen bij de uitoefening van zijn werkzaamhe-den.

Principaal zal met name:

a) reclame maken en zorgen voor materiaal met de eerste informatie voor ge-ïnteresseerden;

b) de adressen van personen die mogelijk geïnteresseerd zijn in de verkrijging van timesharingproducten van Hapimag, die door reclame in de media, re-clame op vakantiebestemmingen, aanbevelingen of op andere wijze in het bezit van Principaal gekomen zijn, doorgeven aan de verkoopleider voor doorzending naar de aan hem toegewezen agenten. De verkoopleider beslist aan welke agent hij de adressen doorstuurt (...)

3.2 Principaal is bevoegd om economisch zinvolle maatregelen ter wijziging van het bedrijf te nemen (bijv. wijzigingen van de organisatie,

de toewijzing van de deelgenoten en geïnteresseerden enz.) (...)

5. Duur van de overeenkomst

5.1 Deze overeenkomst treedt per 1 januari 2004 in kracht en vervangt de hui-dige agentuurovereenkomst. Hij wordt voor onbepaalde tijd gesloten en kan door beide partijen met een opzegtermijn van 3 maanden per het einde van een maand opgezegd worden (...)

7. Arbitragebeding

Alle geschillen die voorvloeien uit de onderhavige overeenkomst en de aanvul-lingen daarop worden conform de geldende arbitrageverordeningen beslist door het scheidsgerecht van de Nederlands-Zwitserse Kamer van Koophandel bij uit-sluiting van de gewone rechtsmacht. Partijen verklaren dat zij akkoord gaan met de vorming van een enkelvoudig scheidsgerecht.

(plaats, datum en handtekening)

Agent verklaart zich uitdrukkelijk akkoord met de keuze voor Zwitsers recht voor deze overeenkomst en met het arbitragebeding in artikel 7

(plaats, datum en handtekening)”

3. Naast eisers heeft Hapimag in Nederland nog twee handelsagen-ten: de heer [betrokken[betrokkene] en de heer [bet[betrokkene]

– hierna, respectievelijk [betrokkene] en [betrokkene]. Verkoopleider van Hapimag in Nederland is de heer [betrokkene] – hierna:

[betrokkene].

4. In september 2004 heeft [betrokkene] aan eisers medegedeeld dat Hapimag het agentschap van ieder van eisers wil beëindigen om-dat zij niet voldoen aan de gestelde omzetdoelen. Eisers hebben daar bezwaar tegen gemaakt. De agentuurovereenkomst met AOIB is op 15 september 2004 per 31 januari 2005 opgezegd.

Voor [eiser 1], [eiser 2] en [eiser 3] heeft Hapimag ter beëindiging van hun agentuurovereenkomsten in december 2004 een ontslagver-gunning aangevraagd bij respectievelijk het CWI te Assen, Arnhem en Den Haag. De aanvragen zullen door het CWI Den Haag gezamenlijk behandeld worden.

Het geschil

1. Eisers stellen dat Hapimag naar Zwitsers en naar Nederlands recht inzake agentuurovereenkomsten, in strijd met haar verplichtin-gen als principaal handelt door hun niet in staat te stellen om goed te kunnen functioneren als agenten van Hapimag. Eisers voeren daarvoor aan dat leads (adressen van nieuwe geïnteresseerden in Hapimag-producten) oneerlijk verdeeld worden tussen de agenten. Volgens ei-sers worden vrijwel alle leads in Nederland toegedeeld aan [betrokkene] en Me-vissen, die daar omzet en derhalve provisie uit (kunnen) genereren. Eisers stellen verder dat de partners/deelgenoten die door twee voor-malige agenten van Hapimag in Nederland waren geworven, aan wie mogelijk meer Hapimag-producten kunnen worden verkocht, en via wie mogelijk adressen van nieuwe geïnteresseerden kunnen worden verkregen, ook niet eerlijk verdeeld zijn. Volgens eisers zijn die part-ners toegedeeld aan [betrokkene] en [betrokkene]. Eisers voeren ook aan dat het budget voor verkoop- en marketingactiviteiten al geruime tijd volledig wordt aangewend ten behoeve van bijeenkomsten die [betrokkene] en [betrokkene] organiseren, waarvoor ook partners/deelgenoten worden uitgenodigd die door eisers zijn geworven, waardoor [betrokkene] en [betrokkene] ook aan de hand van die partners omzet en provisie kunnen behalen. Eisers stel-len dat zij door deze handelwijze van Hapimag omzet en derhalve pro-visie mislopen, waardoor zij niet (hebben) kunnen voldoen aan de om-zetdoelstelling in 2004 die Hapimag ten grondslag legt aan de beëindi-ging van de agentuurovereenkomsten met eisers, te weten het behalen van minimaal 50% van de omzet van de agent die in Nederland de hoogste omzet in 2004 heeft, dat is [betrokkene]. Daarbij stellen eisers dat deze omzetdoelstelling niet met hen is afgesproken. Volgens eisers is de handelwijze van Hapimag er op gericht om de agentuur-overeenkomsten met eisers te kunnen beëindigen wegens te lage om-zetten. Eisers stellen dat zij tot 2004 uitstekende resultaten behaalden. In verband met dit alles zijn eisers voornemens om een procedure tot schadevergoeding te starten.

In dit kort geding vorderen eisers – zakelijk weergegeven –

A) opgave van alle leads en provisies over 2004 in Nederland;

B) toedeling, zonder voorselectie, aan ieder van eisers van 1/6 van alle binnenkomende leads zolang de agentuurovereenkomsten nog niet beëindigd zijn, en van alle partners/deelgenoten van de twee voorma-lige agenten (Robbertson en Wiggemansen);

C) een verbod voor Hapimag om [betrokkene] en [betrokkene], dan wel nieuwe agenten, bemiddelingsactiviteiten te laten verrichten bij part-ners/deelgenoten die eisers hebben geworven;

D) om aan ieder van eisers marketingbudget te verschaffen en om het hun (financieel) mogelijkheid te maken ieder een eigen partnerbijeen-komst te beleggen;

E) om een voorschot te voldoen op buitengerechtelijke kosten.

Een en ander versterkt met dwangsommen. Eisers stellen een spoedei-send belang bij de gevraagde voorzieningen te hebben omdat zij als gevolg van de handelwijze van Hapimag al geruime tijd inkomsten derven, waardoor voor hen een financiële noodsituatie dreigt te ont-staan. Eisers hebben het geschil voor de voorzieningen-rechter ge-bracht omdat volgens hen geen uitvoering kan worden gegeven aan de arbitrageregeling in de agentuurovereenkomsten. Zij stellen daartoe dat hen gebleken is dat het scheidsgerecht van de Nederlands-Zwitserse Kamer van Koophandel ten tijde van het aangaan van de huidige agentuurovereenkomsten al niet meer bestond.

2. Voor alle weren betwist Hapimag de bevoegdheid van de voorzie-ningenrechter, omdat in de agentuurovereenkomsten een arbitragebe-ding is opgenomen. Volgens Hapimag dient de zaak behandeld te wor-den door het scheidsgerecht van de Zwitserse Kamer van Koophandel te Zürich omdat uit het arbitragebeding in de agentuurovereenkom-sten volgt dat partijen de bedoeling hadden om eventuele geschillen voor te leggen aan arbiters. Dat de Nederlands-Zwitserse Kamer van Koophandel niet meer bestaat, maakt dat volgens Hapimag niet an-ders. Omdat de Nederlands-Zwitserse Kamer van Koophandel in

Zürich was gevestigd, stelt Hapimag zich op het standpunt dat het scheidsgerecht van de Zwitserse kamer van Koophandel in Zürich thans bevoegd is om kennis te nemen van het geschil. Voor het geval de voorzieningenrechter zich toch bevoegd acht om het geschil te be-oordelen, betwist Hapimag het spoedeisend belang van eisers bij de gevraagde voorzieningen. Volgens Hapimag spelen de in dit kort ge-ding aangeroerde kwesties al maanden. In geval van spoedeisendheid bij voorlopige voorzieningen hadden eisers volgens Hapimag al veel eerder een spoedprocedure, al dan niet spoedarbitrage, kunnen enta-meren. Omdat partijen in de agentuur-overeenkomsten hebben be-paald dat de overeenkomst wordt beheerst door Zwitsers recht, stelt Hapimag zich op het standpunt dat eisers niet de schending van Ne-derlands recht inzake agentuur-overeenkomsten, via de agentuurricht-lijn (van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 18 december 1986, 86/653/EEG), aan de vorderingen ten grondslag kan leggen,

nu Zwitserland geen lidstaat is van de Europese Gemeenschappen.

Inhoudelijk voert Hapimag als verweer tegen de vorderingen aan dat zij niet in strijd handelt met de agentuurovereenkomsten of met het Zwitserse recht inzake agentuurovereenkomsten. Hapimag voert daar-voor aan dat eisers er zelf voor kunnen zorgen dat zij succesvolle agenten van Hapimag zijn. Zij kunnen en moeten vooral zelf nieuwe leads genereren en zij mogen zelf partnerbijeenkomsten organiseren. Volgens Hapimag moeten eisers accepteren dat er een veranderings-proces gaande is, waar zij in mee moeten gaan, ingegeven door de huidige economische situatie. In het verleden konden eisers goede omzetten halen zonder zelf actief leads te hoeven genereren.

Als gevolg van de huidige economische situatie is er echter een terug-val in leads. De economische situatie brengt ook mee dat Hapimag geen adresbestanden meer koopt, ter verdeling onder haar agenten. Eisers zullen veel meer als echte handelsagenten zelf op pad moeten gaan om leads te vinden en aan te leveren. In dat verband verwijst Ha-pimag naar artikel 2.1 sub c van de agentuur-overeenkomsten. Hapi-mag stelt zich verder op het standpunt dat krachtens artikel 3.1 sub b van de agentuurovereenkomsten het de bevoegdheid van de verkoop-leider is om te bepalen welke agent een aangeleverde lead krijgt voor bemiddeling bij verkoop van Hapimagproducten. Hapimag vindt dat zij juist in de huidige economische situatie een lead moet kunnen doorleiden naar een agent die daar de meeste omzet uit kan halen. Naar de mening van Hapimag heeft ook de agent die de lead heeft aangeleverd daar profijt van omdat bij succesvolle bemiddeling door de agent die de binnengekomen lead toegedeeld heeft gekregen,

ook de agent die de lead had aangeleverd een provisie krijgt (acquisi-tie-provisie). Volgens Hapimag is er om economische redenen gekort op het marketingbudget en wordt het budget thans voor bijeenkom-sten aangewend waarbij alle Nederlandse partners/deelnemers aanwe-zig kunnen zijn, en ook alle Nederlandse agenten. In dat verband wijst Hapimag ook op artikel 1.1. sub c in de agentuurovereenkomsten. Ha-pimag ontkent niet dat de omzet-doelstelling voor 2004 niet in de agentuurovereenkomsten staat, maar volgens Hapimag waren eisers met de doelstelling wel bekend en is het ook gebruikelijk dat omzet-doelen worden gesteld, waaraan bij het niet halen ervan consequen-ties kunnen worden verbonden. Dat aan eisers vanaf september 2004 veel minder leads zijn toegedeeld dan daarvóór komt volgens Hapimag omdat zij vanaf toen met eisers in gesprek was over beëindiging van de agentuurovereenkomsten.

De beoordeling van het geschil

1. Eisers hebben een brief in het geding gebracht van de Zwitserse advocaat Stefan Day te Zürich, van 15 december 2004, waarin hij heeft verklaard dat volgens opgave van de Nederlandse ambassade in Bern, de Nederlands-Zwitserse Kamer van Koophandel, die gevestigd was in Zürich, in 1998 is opgeheven. Hapimag heeft deze informatie niet be-twist. Uit de informatie van advocaat Day volgt dat partijen bij het sluiten van de agentuurovereenkomsten arbitrage zijn overeen-gekomen door een scheidsgerecht dat op dat moment niet meer be-stond. Omdat het arbitraal beding verwijst naar een niet-bestaand scheidsgerecht, heeft het geen rechtsgevolg en is de gewone rechter bevoegd om van het geschil kennis te nemen. Te meer omdat niet is gesteld dat de opgeheven Nederlands-Zwitserse Kamer van Koophan-del is opgegaan in de Kamer van Koophandel te Zürich.

Dit brengt mee dat, nu het geschil betrekking heeft op Nederlandse agenten van Hapimag, waarbij het geschil niet in hoofdzaak gaat over het arbitragebeding in de agentuurovereenkomsten, aan de Nederland-se rechter ex artikel 5 lid 5 van het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke handelszaken (Verdrag van Lugano) (16 september 1988, Trb 1989,58) rechtsmacht toekomt. De voorzieningenrechter is relatief bevoegd, omdat de woonplaats van [eiser 2] in zijn arrondissement gelegen is (artikel 109 Rv). De voorzieningenrechter is op grond van artikel 107 Rv ook relatief bevoegd om kennis te nemen van het geschil tussen Hapimag en de overige eisers.

2. In artikel 6.3 van de agentuurovereenkomsten hebben partijen voor toepasselijkheid van Zwitsers recht gekozen. Het gaat in deze zaak vooral om eisers’ stelling dat Hapimag hen bij hun werkzaamheden onvoldoende heeft ondersteund, zodat Hipmag haar zorgplicht als principaal heeft geschonden. De zorgplicht van de principaal is in arti-kel 418f Zwitsers Obligationenrecht – hierna OR – omschreven.

De tegenhanger in het Nederlandse recht is artikel 7:430 BW, dat een omzetting vormt van artikel 4 van de Richtlijn 86/563/EEG van de Raad van 18 december 1986 inzake de coördinatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake zelfstandige handelsagenten, Pb EG L 382/17

– hierna de agentuurrichtlijn. Eisers hebben betoogd dat artikel 7:430 BW door de rechtskeuze voor Zwitsers recht niet opzij gezet kan wor-den. Volgens hen is artikel 7:430 BW een voorrangsregel.

Zij beroepen zich op HvJEG 9 november 2000, C-381/98, NIPR 2001, 29 Ingmar. De voorzieningenrechter overweegt dat de agentuurrichtlijn strekt tot bescherming van de personen die handelsagent in de zin van de agentuurrichtlijn zijn. Partijen mogen op grond van artikel 5 agen-tuurrichtlijn niet afwijken van artikel 4 agentuurrichtlijn (omgezet in artikel 7:445 lid 1 BW). Uit het Ingmar-arrest volgt naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat artikel 7:430 BW in beginsel moet worden toegepast in deze situatie, waarin de agenten hun activiteiten in Ne-derland verrichten en de principaal in Zwitserland en dus buiten de Europese Unie is gevestigd en partijen voor Zwitsers recht hebben ge-kozen. Eisers hebben echter gesteld dat artikel 418f OR hun meer be-scherming biedt. De zorgplicht van de principaal is naar Zwitsers recht verstrekkender, omdat de principaal “alles zu tun (hat),

um Agenten die Ausübung einer erfolgreichen Tätigkeit zu ermögli-chen” (artikel 418f lid 1 OR luidt:

“Der Auftraggeber hat alles zu tun, um dem Agenten die Ausübung einer erfolg-rechein Tätigkeit zu ermöglichen. Er hat ihm insbesondere die nötigen Unterla-gen zur Verfügung zu stellen.”)

Gezien deze formulering lijkt het beschermingsniveau van de handels-agent naar Zwitsers recht verder te gaan dan naar Nederlands recht. Vanuit de ratio van de agentuurrichtlijn, bescherming van de handels-agent, zou er geen bezwaar tegen bestaan artikel 418f OR toe te passen. Uit de door Hapimag overgelegde commentaren bij artikel 418f OR blijkt echter dat dit artikel, anders dan de formulering doet vermoeden, minder strikt tegenover de principaal wordt toegepast. Bovendien is artikel 418f OR geen dwingende wetsbepaling (vgl artikel 418a lid 2 OR), anders dan 7:430 BW. De voorzieningenrechter zal daarom artikel 7:430 BW, als voorrangsregel, toepassen. In dit kort geding staat der-halve de vraag centraal of Hapimag jegens eisers de zorgplicht in acht heeft genomen die voor haar voortvloeit uit artikel 7:430 BW. Daarvoor zal hierna de handelwijze van [betrokkene], verkoopleider voor

Hapimag in Nederland, beoordeeld worden.

3. Eisers stellen dat Hapimag haar zorgplicht niet in acht heeft ge-nomen, doordat zij met name (1) hun vanaf begin 2004 tot midden 2004 stelselmatig minder leads heeft toegewezen en voorts leads met een ongunstig profiel, (2) hun vanaf midden 2004 in het geheel geen leads meer heeft toegewezen, (3) hun geen budget meer heeft gegeven voor marketingdoeleinden en het budget heeft toegewezen aan [betrokkene] en [betrokkene] en (4) heeft toegestaan dat [betrokkene] en [betrokkene] gingen werven in de partnerbestanden van eisers.

4. De voorzieningenrechter overweegt over punt (1) dat uit het door eisers zelf overgelegde overzicht van juli 2004 (productie 12) blijkt dat tot juli 2004 alle agenten ongeveer evenveel leads hebben gekregen, behalve [eiser 1], die wezenlijk minder leads heeft gekregen. Hapimag heeft betwist dat zij aan eisers minder gunstige leads heeft gegeven. Dat feit is daarom in kort geding niet komen vast te staan. Hapimag heeft ter zitting als verklaring voor het teruglopende aantal leads gege-ven, dat zij om economische redenen heeft besloten minder adressen-bestanden te kopen, waardoor zij minder leads aan haar agenten kan geven. Dat is een bedrijfseconomische beslissing die de agenten in be-ginsel hebben te aanvaarden en waarin de voorzieningenrechter niet zal treden. Wel rust op Hapimag op grond van art. 7:430 lid 3 BW de verplichting de agenten onverwijld op de hoogte te brengen van het daaruit voortvloeiende, verwachte omzetverlies. Uit het dossier kan de voorzieningenrechter niet afleiden dat dit is gebeurd.

5. De voorzieningenrechter overweegt over punt (2) dat Hapimag aldus in strijd handelt met haar zorgplicht om alles te doen wat in de gegeven omstandigheden van haar kant nodig is om de handelsagent in staat te stellen zijn werkzaamheden te verrichten. Het enkele voor-nemen van Hapimag te gelegener tijd te komen tot een opzegging van de agentuurovereenkomsten is onvoldoende om de agenten vanaf dat moment niet meer in staat te stellen hun werkzaamheden te verrich-ten. Daarmee handelt Hapimag tevens in strijd met art. 418m lid 1 OR, dat als volgt luidt: “Der Auftraggeber hat dem Agenten eine angemessene Entschädigung zu bezahlen, wenn er ihn durch Verletzung seiner gesetzlichen oder vertraglichten Pflichten schuldhaft daran verhindert, die Provision in dem vereinbarten oder nach den Umständen zu erwartenden Umfange zu verdienen. Eine gegenteilige Abrede is ungültig.”

De voorzieningenrechter wijst op art. 7:435 BW, waarin een vergelijk-bare regeling is getroffen. De bepaling in art. 3.1 sub b agentuurover-eenkomst, waarin is vastgelegd dat de verkoopleider bepaalt aan welke agent de adressen worden doorgestuurd, mag gezien het dwin-gendrechtelijke karakter van de art. 7:430 BW en 418m lid 1 OR niet zo worden uitgelegd, dat Hapimag de leads willekeurig en met voorbij-gaan aan de bestaande praktijk mag verdelen.

6. Om dezelfde redenen als uiteengezet in r.ov. 5 handelt Hapimag in strijd met haar zorgplicht door aan de agenten geen budget meer toe te kennen (punt (3)).

7. De voorzieningenrechter overweegt over punt (4) dat Hapimag aldus in strijd handelt met art. 1.1 (a) en (c) agentuurovereenkomst, waaruit volgt dat de partners van Hapimag uitsluitend worden begeleid door de agent die hen heeft aangebracht.

8. Het voorgaande brengt mee dat Hapimag in strijd met haar wet-telijke en contractuele verplichtingen heeft gehandeld. Dat betekent dat de vorderingen van eisers voor een groot deel zullen worden toe-gewezen. De voorzieningenrechter zal nu de onderdelen van het peti-tum nalopen.

9. Eisers zijn voornemens om een schadeprocedure te starten voor misgelopen provisie. Artikel 418m OR biedt eisers daartoe de mogelijk-heid. Om die reden zal de vordering sub A, tot overlegging van over-zichten, die ook van belang kunnen zijn voor de goodwillvergoeding, worden toegewezen, ook de vordering daartoe van AOHIB, nu het voor deze vordering niet van belang is dat de agentuurovereenkomst van AOHIB enkele dagen na dit vonnis zal zijn beëindigd.

10. Zoals hiervóór is overwogen had Hapimag behalve [betrokkene] en Mevis-sen ook eisers moeten voorzien van leads, en ook hen zal zij moeten laten meedelen in de partners/deelgenoten van de voormalige agenten Robbertson en Wiggemansen. Deze agenten hebben eind 2003 hun activiteiten gestaakt. In het kader van de continuïteit van de dienst-verlening aan de partners van deze agenten, had het voor de hand

gelegen om het adressenbestand van deze voormalige agenten voort-

varend te verdelen onder de overige agenten. Als dat zou zijn gebeurd, hadden eisers ieder 1/6 van dat bestand ontvangen. De vordering sub B zal dan ook worden toegewezen, echter niet voor AOHIB omdat haar agentuurovereenkomst binnen enkele dagen zal zijn beëindigd.

Hierom en om executiegeschillen zoveel mogelijk te voorkomen zal het door de overige eisers onder B gevorderde toegewezen worden,

met dien verstande dat het toe te wijzen breukdeel 1/5 zal worden.

11. Hapimag had eisers ook meer op dezelfde wijze als [betrokkene] (en Mevis-sen) bij marketingactiviteiten moeten betrekken, teneinde hun een kans te geven succesvol te zijn. De vorderingen hiervóór sub C

en D zullen daarom, juist omdat het om voorlopige maatregelen gaat, toegewezen worden, geheel overeenkomstig het in de dagvaarding ge-vorderde (in de dagvaarding onder D en E). De toewijzing geldt niet de vorderingen van AOHIB omdat haar agentuurovereenkomst nog maar van zeer korte duur is.

12. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zullen worden toegewezen. Uit de zijdens eisers overgelegde stukken over gemaakte kosten volgt genoegzaam dat het gevorderde voorschot gerechtvaar-digd is.

13. Voor zover niet gevorderd over een geldsom (vgl artikel 611a Rv), zal de gevorderde versterking van de te geven veroordelingen met dwangsommen, worden gegeven. Ambtshalve zullen de dwangsommen gemaximeerd worden. Een en ander zoals hierna vermeld.

14. Als de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij zal Hapimag in de kosten van dit kort geding worden veroordeeld.

De beslissing

De voorzieningenrechter

1. veroordeelt Hapimag om binnen 10 dagen na betekening van dit vonnis aan eisers een duidelijk, compleet, verifieerbaar en vol-doende specifiek schriftelijk overzicht te verschaffen van:

alle leads betrekking hebbende op geïnteresseerden in Nederland van Hapimagpoducten welke Hapimag gedurende het gehele jaar 2004 heeft ontvangen; alle transacties die naar aanleiding van de door Hapimag gedurende het gehele jaar 2004 ontvangen leads in Nederland tot stand gekomen zijn; de hoogte en de bestemming van de provisies die naar aanleiding van de door Hapimag gedu-rende het gehele jaar 2004 ontvangen leads in Nederland aan haar agenten zijn betaald of verschuldigd zijn;

2. veroordeelt Hapimag om met ingang van 10 dagen na betekening van dit vonnis vanaf dan aan [eiser 1], [eiser 2] en [eiser 3] ieder 1/5 van het aantal leads die op welke wijze dan ook worden ontvangen door Hapimag en die betrekking hebben op geïnteres-seerden in Nederland van Hapimagproducten zonder enige vorm van voorselectie toe te delen onder het gelijktijdig beschikbaar stellen van alle relevante gegevens van deze geïnteresseerden tot en met de dag dat ieders agentuurovereenkomst rechtsgeldig is beëindigd;

3. veroordeelt Hapimag om met ingang van 10 dagen na betekening van dit vonnis aan [eiser 1], [eiser 2] en [eiser 3] ieder mini-maal € 2.700,00 exclusief omzetbelasting, per maand ter beschik-king te stellen voor het verrichten van vooraf aangekondigde marketingdoeleinden tot en met de dag dat ieders agentuurover-eenkomst rechtsgeldig is beëindigd;

4. veroordeelt Hapimag om met ingang van 10 dagen na betekening van dit vonnis er voor te zorgen dat geen activiteit voor door be-middeling van [eiser 1], [eiser 2] en [eiser 3] geworven part-ners worden verricht door agenten [betrokkene] en [betrokkene] dan wel door nieuwe agenten in Nederland, tot en met de dag dat ieders agentuurovereenkomst rechtsgeldig is beëindigd;

5. veroordeelt Hapimag om ieder van [eiser 1], [eiser 2] en

[eiser 3] afzonderlijk in staat te stellen om binnen drie maan-den na heden een partnerbijeenkomst te verzorgen;

6. veroordeelt Hapimag om de gebruikelijke kosten (inclusief mai-ling) van de onder 5 bedoelde partnerbijeenkomsten,

per bijeenkomst begroot op € 5.000,00 exclusief omzetbelasting,

te voldoen;

7. veroordeelt Hapimag om binnen 10 dagen na betekening van dit vonnis aan eisers gezamenlijk te voldoen een bedrag van

€ 3.000,00 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening, bij wijze van voorschot op gemaakte buitengerechtelijke kosten;

8. veroordeelt Hapimag om aan ieder van eisers ten behoeve van wie een gegeven veroordeling onder 1, 2, 4 en 5 niet wordt uitge-voerd, een dwangsom te betalen van € 2.000,00 voor iedere dag dat de veroordeling niet wordt uitgevoerd, zulks met een maxi-mum per eiser van in totaal € 50.000,00;

9. veroordeelt Hapimag in de kosten van dit kort geding, tot aan de-ze uitspraak aan de zijde van eisers bepaald op € 311,40 voor ver-schotten (€ 241,00 wegens griffierecht en € 70,40 wegen het uit-brengen van de dagvaarding) en op € 816,00 voor salaris procu-reur;

10. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

11. weigert het anders of meer gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.J. de Vries en in het openbaar uitge-sproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.J. Daggenvoorde op 28 januari 2005.

de griffier de rechter