Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2005:AT0955

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
24-02-2005
Datum publicatie
17-03-2005
Zaaknummer
AWB 04/2231
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bijstand; terugvordering; artikel 82 Abw; naheffing; De rechtbank oordeelt dat bij terugvordering op grond van artikel 82, aanhef en sub a, van de Abw rekening moet worden gehouden met naheffingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector bestuursrecht

Registratienummer: AWB 04/2231

Uitspraak

ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[eiseres],

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door [gemachtigde],

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wageningen, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 20 augustus 2004, verzonden 24 augustus 2004.

2. Procesverloop

Bij besluit van 5 april 2004, verzonden 29 april 2004, heeft verweerder teveel verstrekte bijstand over de periode 12 november tot en met 30 november 2002 teruggevorderd tot een bedrag van € 580,41. Na verrekening met het na te betalen vakantiegeld bedraagt het terugvorderingsbedrag € 295,16 bruto.

Bij besluit van 15 juni 2004 heeft verweerder de teveel verstrekte bijstand over de periode 6 maart 2002 tot en met 11 november 2002 van eiseres teruggevorderd tot een bedrag van € 1.937,90 netto.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder de ingediende bezwaren tegen de hiervoor genoemde besluiten deels gegrond verklaard en het teruggevorderde bedrag van

€ 295,16 bruto verlaagd naar € 150,94 netto, alsmede de wettelijke grondslag van het besluit van 15 juni 2004 gewijzigd. Voor het overige zijn deze besluiten gehandhaafd.

Tegen het bestreden besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 17 januari 2005. Eiseres is aldaar vertegenwoordigd door [gemachtigde]. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door drs. A.M.J. Borgart.

3. Overwegingen

Eiseres ontving sinds 6 maart 2002 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw), die bij besluit van 7 maart 2003 is beëindigd (lees: ingetrokken) per 12 november 2002. Zij maakte aanspraak op bijstand omdat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) weigerde een uitkering krachtens de Ziektewet (ZW) toe te kennen en zij in afwachting was van de afhandeling van haar bezwaarschrift tegen deze weigering.

Bij besluit op bezwaar van 3 oktober 2002 heeft het Uwv het bezwaar gegrond verklaard en aan haar met ingang van 8 maart 2002 een ZW-uitkering toegekend.

Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de bijstand die na de datum van intrekking 12 november 2002 is betaald, ten onrechte is verstrekt. Het betreft bijstand over de periode 12 november 2002 tot en met 30 november 2002. Deze wordt teruggevorderd tot een bedrag van € 150,94, met een beroep op artikel 58, eerste lid, onder a, van de Wet werk en Bijstand (WWB).

Voorts is bij het bestreden besluit over de periode 6 maart 2002 tot en met 11 november 2002 bijstand teruggevorderd tot een bedrag van

€ 1.937,90, in verband met de ZW-uitkering waarover eiseres naderhand kwam te beschikken en die betrekking had op deze periode. De bijstand over laatstgenoemde periode wordt teruggevorderd op basis van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, sub 1° van de WWB.

Eiseres heeft het bestreden besluit gemotiveerd bestreden. Op haar stellingen zal de rechtbank in het hiernavolgende, voor zover nodig, ingaan.

Ten aanzien van het door verweerder gehanteerde wettelijke kader overweegt de rechtbank als volgt.

Met ingang van 1 januari 2004 is de WWB in werking getreden en de Abw ingetrokken. De onderhavige terugvordering heeft betrekking op Abw-aanspraken van vòòr 1 januari 2004. Bij gebreke van een specifieke regel van overgangsrecht dient volgens bestendige jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) in dat geval de Abw te worden toegepast. De rechtbank verwijst ter toelichting verder naar haar uitspraak van 31 augustus 2004, gepubliceerd in JWWB 2004, 358.

Uit het voorgaande volgt dat verweerder ten onrechte de WWB heeft toegepast. Het bestreden besluit kan dan ook niet in stand blijven en het beroep dient gegrond te worden verklaard. Met betrekking tot de vervolgens aan de orde zijnde vraag of er aanleiding is met toepassing van artikel 8:73, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten overweegt de rechtbank het volgende.

Ingevolge artikel 78, eerste lid, van de Abw worden de kosten van bijstand door de gemeente teruggevorderd in de gevallen en naar de regels aangegeven in paragraaf 2 van hoofdstuk VI van de Abw.

Het derde lid van dit artikel bepaalt dat indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn burgemeester en wethouders kunnen besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Ingevolge artikel 81, eerste lid, van de Abw wordt de bijstand die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 69, derde lid, ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, van de belanghebbende teruggevorderd.

Met het rechtens onaantastbare intrekkingsbesluit van 7 maart 2003 staat vast dat over de periode 12 november 2002 tot en met 30 november 2002 ten onrechte bijstand is verstrekt. Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder getalmd heeft met terugvorderen en in dit verband gewezen op de zogenoemde ‘zesmaanden-jurisprudentie’.

De rechtbank overweegt dienaangaande dat ingevolge vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), gelet op het verplichte karakter van de terugvordering, de zesmaanden-jurisprudentie niet van toepassing is (zie o.a. CRvB 13 juli 2004, JWWB 2004/323).

Gelet op de hiervoor vermelde jurisprudentie kan van het door eiseres gestelde handelen in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur door verweerder geen sprake zijn.

Nu eiseres niet heeft aangegeven dat het teruggevorderde bedrag als zodanig onjuist is berekend en niet is gebleken van dringende redenen, bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw, heeft verweerder terecht met toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Abw de verstrekte bijstand teruggevorderd tot een bedrag van € 150,94.

Gelet op het vorenoverwogenen ziet de rechtbank aanleiding met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit voor zover betrekking hebbend op de terugvordering over de periode 12 november 2002 tot en met 30 november 2002 in stand blijven.

Met betrekking tot de teruggevorderde bijstand over de periode 6 maart 2002 tot en met 11 november 2002 overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank verwerpt ten eerste de grieven van eiseres, voor zover betoogd wordt dat verweerder ook voor wat betreft de onderhavige vordering zijn recht tot terugvordering door te lang stilzitten heeft verbeurd. Verwezen wordt naar hetgeen hiervoor is overwogen.

De grief van eiseres dat verweerder bij de terugvordering ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de belastingaanslag treft doel.

Eiseres stelt dat verweerder bij de berekening van het teruggevorderde bedrag ten onrechte tot uitgangspunt heeft genomen de bedragen die zijn genoemd in een drietal kennisgevingen van betaling vanwege het Uwv, aangezien over deze inkomsten nog geen loonheffing en premies zijn ingehouden. Uit de ter zitting overgelegde belastingaanslag is gebleken dat de belastingaanslag over 2003 is vastgesteld op € 461,-.

Artikel 45, eerste lid, aanhef en sub a en b, van de Abw bepaalt dat de middelen in aanmerking worden genomen tot het bedrag dat resteert na aftrek van de daarover door de belanghebbende verschuldigde loonbelasting of inkomstenbelasting en de daarover verschuldigde premies volksverzekeringen, premies werknemersverzekeringen en ziekenfondspremie dan wel een inhouding die met een of meer van deze premies overeenkomt.

Artikel 82, aanhef en onder a, van de Abw bepaalt dat kosten van bijstand van de belanghebbende worden teruggevorderd voor zover hij naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in hoofdstuk IV, afdeling 3, beschikt of kan beschikken.

De strekking van artikel 82, aanhef en onder a, van de Abw is terugvordering van bijstand mogelijk te maken in die gevallen waarin ten tijde van de bijstandsverlening weliswaar aanspraken op middelen bestonden maar door de belanghebbende nog niet over die middelen kon worden beschikt (zie o.a. CRvB, 21 augustus 2001, JABW 2001, 162), zoals hier de door eiseres naderhand ontvangen ZW-uitkering.

Met verwijzing naar de uitspraak van de CRvB van 15 juli 2003, JABW 2003/190 overweegt de rechtbank dat uit de wetsgeschiedenis van artikel 45 van de Abw blijkt dat bij de toepassing van de Abw geen rekening wordt gehouden met naheffingen. In beginsel heeft verweerder derhalve terecht de bedragen tot uitgangspunten genomen zoals deze zijn opgenomen in de hiervoor genoemde kennisgevingen van betaling.

Indien echter over de ontvangen middelen, zoals hier van het Uwv, alsnog op aanslag inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen dienen te worden afgedragen, worden deze met terugwerkende kracht in mindering gebracht op het inkomen. Dit heeft tot gevolg dat met terugwerkende kracht bijstand kan worden verleend in de mate dat de bijstand op een hoger bedrag zou zijn vastgesteld indien de totale verschuldigde belasting en premies reeds in het kader van de loonbelasting op het inkomen waren ingehouden. Bijstandsverlening met terugwerkende kracht is daarbij slechts mogelijk indien in het jaar waarop de aanslag betrekking heeft aanvullende bijstand is ontvangen.

In de verwijzing van artikel 82, naar hoofdstuk IV, afdeling 3, van de Abw, waarin ook artikel 45 van de Abw is opgenomen, ziet de rechtbank aanknopingspunten voor het oordeel dat ook in het kader van een terugvordering op basis van artikel 82, aanhef en sub a, van de Abw -voor zover mogelijk- rekening worden gehouden met de in artikel 45 van de Abw genoemde belastingen en premies die naderhand over de periode van terugvordering zijn verschuldigd.

Het vorenstaande vindt bevestiging in de uitspraak van de CRvB van 13 juli 2004, JWWB 2004/318, waaruit blijkt dat verweerder bij het vaststellen van het terugvorderingsbedrag dient te onderzoeken of een opgelegde belastingaanslag op de vordering in mindering dient te worden gebracht.

Gelet hierop had verweerder in het door eiseres -ook in bezwaar reeds- gestelde ten aanzien van de belastingaanslag 2003, aanleiding moeten zien te onderzoeken of deze aanslag verband hield met de ZW-uitkering en of de aanslag bij de bepaling van het teruggevorderde bedrag diende te worden betrokken. Dit temeer nu uit de overgelegde kennisgevingen van betaling van het UWV blijkt dat geen loonheffing is ingehouden. Door dit na te laten heeft verweerder gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel van artikel 3:2 van de Awb. In dit kader is van belang dat op basis van artikel 7:11, eerste lid, van de Awb een volledige heroverweging dient plaats te vinden met inachtneming van alle dan bekende feiten en omstandigheden. Tot slot is het bestreden besluit, voor wat betreft de onderhavige terugvordering, ondeugdelijk gemotiveerd, hetgeen strijdig is met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

Wegens strijd met vorengenoemde artikelen kunnen de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit geen stand houden voor zover betrekking hebbend op de terugvordering over de periode 6 maart 2002 tot en met 11 november 2002.

De rechtbank is niet gebleken van op de voet van artikel 8:75 van de Awb in aanmerking te nemen proceskosten.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven voor zover bijstand is teruggevorderd over de periode 12 november 2002 tot en met 30 november 2002;

bepaalt dat verweerder opnieuw besluit op de bezwaren van eiseres, met inachtneming van deze uitspraak;

bepaalt voorts dat de gemeente Wageningen het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 37,- aan haar vergoedt.

Aldus gegeven door mr. J. Barrau, rechter, in tegenwoordigheid van mr. G. Christiaanse, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2005.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: