Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2005:AS8907

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
28-01-2005
Datum publicatie
08-03-2005
Zaaknummer
121985
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Uit de stellingen van eiser volgt dat hij Alewijnse verwijt dat zij met de op non-actiefstelling, zich niet als een goed werkgeefster heeft gedragen, in de zin van artikel 7:611 BW. De daarin besloten billijkheidstoets is dezelfde als die in artikel 7:685 BW. Op grond van de hierboven als Baijings-leer omschreven ontwikkeling in de rechtspraak (zie onder meer HR 10 januari 2003, NJ 2003, 231) komt aan een procedure waarin krachtens artikel 7:685 lid 8 BW bij de ontbinding van een arbeidsovereenkomst een vergoeding is toegekend, een zekere exclusiviteit toe, in die zin dat als in de ontbindingsprocedure bij de vaststelling van de vergoeding bepaalde feiten zijn meegewogen, die feiten niet ook aangevoerd kunnen worden in een andere procedure, waarin eveneens een billijkheidstoets plaats dient te vinden, zoals in dit kort geding, ter verkrijging van andere al dan niet geldelijke vergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAR 2005, 66

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 121985 / KG ZA 04-818

Datum vonnis: 28 januari 2005

Vonnis

in kort geding

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser bij dagvaarding van 6 januari 2005,

procureur mr. J.C.N.B. Kaal,

advocaat mr. M.O. de Bont te 's-Hertogenbosch,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ALEWIJNSE INDUSTRIE B.V.,

gevestigd te Nijmegen,

gedaagde,

procureur mr. H.A. Hoving te Nijmegen.

Het verloop van de procedure

Eiser – hierna [eiser] – heeft gedaagde – hierna Alewijnse –

ter terechtzitting in kort geding doen dagvaarden en gevorderd als weergegeven in de dagvaarding. Alewijnse heeft geconcludeerd tot weigering van de gevraagde voorzieningen. De raadslieden van partijen hebben de zaak bepleit overeenkomstig de door hen overgelegde pleitnotities. Daarbij zijn producties in het geding gebracht.

Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

De vaststaande feiten

1. [eiser] is vanaf 1981 werkzaam geweest voor (de rechts-voorganger(s) en/of groepsvennootschappen van) Alewijnse,

op het laatst als statutair directeur van Alewijnse.

2. Op 26 november 2003 is [eiser] door de groepsdirectie van het concern waartoe Alewijnse behoort, op non-actief gesteld omdat zij tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst met [eiser] wilde komen. Zij heeft als reden daarvoor opgegeven dat de prestaties en resultaten van [eiser] tegenvielen en dat er onregelmatigheden in de boeken waren geconstateerd. Namens de groepsdirectie is op diezelfde dag een interne memo aan de werknemers verzonden, met de volgende tekst:

“Beste medewerkers,

Vandaag hebb[eiser] [eiser] medegedeeld dat wij actie gaan ondernemen om te komen tot beëindiging van zijn dienstverband. Vooruitlopend hierop is [eiser] op non-actief gesteld en worden alle directietaken door (...) uitgevoerd.”

3. Op de algemene vergadering van aandeelhouders

van 6 januari 2004 is besloten tot het ontslag van [eiser] als statutair directeur.

4. Bij verzoekschrift van 26 mei 2004 aan de rechtbank

’s-Hertogenbosch heeft [eiser] verzocht tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met Alewijnse, onder toekenning aan hem

van een door Alewijnse te betalen vergoeding van € 404.367,10.

5. De rechtbank ’s-Hertogenbosch heeft bij beschikking

van 16 juli 2004 ex artikel 7:685 BW met ingang van 31 juli 2004

de arbeidsovereenkomst tussen partijen ontbonden en ten laste van Alewijnse aan [eiser] een vergoeding toegekend van € 260.000,00. [eiser] heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om ex artikel 7:685 lid 9 BW het verzoek in te trekken. In de beschikking heeft de rechtbank onder meer overwogen:

“5.5. De rechtbank is verder met [eiser] van oordeel dat AI (Alewijnse, vzr) onzorgvuldig en diffamerend heeft gehandeld rond de op non-actiefstelling van [eiser]. Van de juistheid van de aanvankelijk door AI geuite verdenkingen van malversaties door [eiser] is geenszins gebleken. Evenmin is gebleken van de in deze procedure door AI genoemde commerciële noodzaak voor zijn op non-actiefstelling. De medewerkers van AI werden er niettemin op 26 november 2003 middels een summier bericht van op de hoogte gesteld dat [eiser] op initiatief van AI plotseling bij het bedrijf zou vertrekken. Zoals [eiser] onweersproken naar voren heeft gebracht, was de wijze waarop AI afscheid van hem nam en dit intern bekend heeft gemaakt, schadelijk voor zijn loopbaan en goede naam.

AI heeft in een brief van 11 februari 2004 kennelijk aan [eiser] laten weten de gang van zaken van 26 november 2003 tot en met 6 januari 2004 te betreuren, maar de door [eiser] gewenste of enige andere rectificatie of rehabilitatie van [eiser] heeft zij achterwege gelaten (...)

5.8. Gelet op alle omstandigheden van het geval, waaronder met name de aard van de functie, de lange duur van het dienstverband, de leeftijd van [eiser],

de hoogte van het laatstgenoten salaris, de reden voor de ontbinding, alsmede

de gang van zaken rond de op non-actiefstelling van [eiser], acht de rechtbank een ontbindingsvergoeding van € 260.000,00 in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.”

Het geschil en de beoordeling daarvan

1. [eiser] stelt dat de op non-actiefstelling door Alewijnse

op 26 november 2003 zijn goede naam en zijn loopbaan schaadt. Zakelijk weergegeven vordert [eiser] daarom veroordeling van Alewijnse om een brief te sturen naar de werknemers van Alewijnse

en naar zakelijke relaties van [eiser], waarin zij [eiser] zuivert

van alle blaam. [eiser] steunt zijn vordering op de overwegingen

in de beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch.

2. De kern van het verweer van Alewijnse tegen het gevorderde is,

dat juist als gevolg van de beschikking van de rechtbank

’s-Hertogenbosch, [eiser] op grond van de in de rechtspraak ontwikkelde zogenoemde Baijings-leer (waarvan de ontwikkeling begon in het arrest van de Hoge Raad van 24 november 1997, NJ 1998, 257) niet meer ontvankelijk is in zijn vordering. Dit verweer slaagt.

3. Uit de stellingen van [eiser] volgt dat hij Alewijnse verwijt

dat zij met de op non-actiefstelling, zich niet als een goed werkgeefster heeft gedragen, in de zin van artikel 7:611 BW. De daarin besloten billijkheidstoets is dezelfde als die in artikel 7:685 BW.

Op grond van de hierboven als Baijings-leer omschreven ontwikkeling in de rechtspraak (zie onder meer HR 10 januari 2003, NJ 2003, 231) komt aan een procedure waarin krachtens artikel 7:685 lid 8 BW

bij de ontbinding van een arbeidsovereenkomst een vergoeding is toegekend, een zekere exclusiviteit toe, in die zin dat als in de ontbindingsprocedure bij de vaststelling van de vergoeding bepaalde feiten zijn meegewogen, die feiten niet ook aangevoerd kunnen worden in een andere procedure, waarin eveneens een billijkheidstoets plaats dient te vinden, zoals in dit kort geding, ter verkrijging van andere al dan niet geldelijke vergoeding.

4. Uit het overwogene onder 5.8. in de beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch volgt dat de rechtbank, bij de bepaling van de omvang van de vergoeding, hetzelfde feitencomplex heeft gewogen als het door [eiser] in dit kort geding aangevoerde voor zijn vordering tot verkrijging van vergoeding, in dit kort geding in de vorm van rehabilitatie bij brief. Derhalve is naast de juridische grondslag,

die zoals hiervoor onder 3 is overwogen, in dit kort geding gelijk is aan de procedure die heeft geleid tot de beschikking van de rechtbank

’s-Hertogenbosch, ook de feitelijke grondslag gelijk. Het is immers niet zo dat [eiser] in dit kort geding rectificatie van onjuiste uitlatingen van Alewijnse vordert. Op grond van de Baijings-leer leidt dat ertoe dat [eiser] in dit kort geding niet-ontvankelijk is in zijn vordering.

5. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [eiser] worden veroordeeld in de kosten van dit kort geding.

6. Ten overvloede geeft de voorzieningenrechter aan [eiser] mee dat niets hem er aan in de weg staat om de beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, met de brief van 11 februari 2004,

waarin zijdens Alewijnse de gang van zaken rondom de

op non-actiefstelling kennelijk wordt betreurd, zelf verder te verspreiden. De beschikking is immers openbaar en ter zitting is zijdens Alewijnse en door haar raadsman aangegeven dat zij geen bezwaar hebben tegen verspreiding van de brief van 11 februari 2004.

De beslissing

De voorzieningenrechter

verklaart [eiser] niet-ontvankelijk zijn vordering;

veroordeelt [eiser] in de kosten van dit kort geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Alewijnse bepaald op € 241,00 voor griffierecht en op € 816,00 voor salaris procureur.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.Æ. Uniken Venema en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.J. Daggenvoorde op 28 januari 2005.

de griffier de rechter