Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2005:AS8581

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
25-01-2005
Datum publicatie
03-03-2005
Zaaknummer
121140
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Alimentatie;

Opheffing beslag;

De voorzieningenrechter heeft ex artikel 438 lid Rv de bevoegdheid om de beslagen op te heffen. Voor opheffing van de beslagen zal voldoende aannemelijk moeten zijn dat Kroon heeft voldaan aan de voor hem uit de beschikkingen voortvloeiende betalingsverplichtingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2005, 56

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 121140 / KG ZA 04-772

Datum vonnis: 25 januari 2005

Vonnis

in kort geding

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser bij dagvaarding van 14 december 2004,

procureur mw. mr. A.A. Voets,

tegen

1. [gedaagde 1],

in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van haar minderjarige dochter [betrokkene 1],

wonende te [woonplaats],

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

procureur mr. P. Winkelman.

Het verloop van de procedure

Eiser heeft gedaagden ter terechtzitting in kort geding doen dagvaarden en gevorderd als weergegeven in de dagvaarding. Gedaagden hebben geconcludeerd tot weigering van de gevraagde voorzieningen. De raadslieden van partijen hebben de zaak bepleit

– de raadsvrouw van eiser overeenkomstig de door haar overgelegde pleitnotities – en daarbij producties in het geding gebracht. Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

De vaststaande feiten

1. Eiser – hierna: [eiser] – is gehuwd geweest met gedaagde sub 1 – hierna: [gedaagde 1]. Het huwelijk van [eiser] en [gedaagde 1] is ontbonden door (destijds) inschrijving op 14 februari 1994 in de registers van de burgerlijke stand te [woonplaats] van het vonnis van 6 januari 1994 van de rechtbank waarin de echtscheiding tussen hen was uitgesproken.

2. Uit het huwelijk van [eiser] en [gedaagde 1] zijn twee dochters geboren, gedaagde sub 2 – hierna: [gedaagde 2] – en de onder gedaagde sub 1 genoemde minderjarige – hierna: [betrokkene 1]. Op 16 april 2004 heeft [gedaagde 2] de leeftijd van 21 jaar bereikt. [betrokkene 1] wordt op 29 maart 2005 18 jaar.

3. Bij schriftelijke verklaring van 18 november 1999 heeft [eiser] jegens [gedaagde 1] onder meer verklaard:

“dat hij in verband met de bij de scheiding overeengekomen afspraak met betrekking tot alimentatie, iedere twee weken een bedrag ad f 250,-- automatisch laat overmaken (...) naar (...) [gedaagde 1] (...) o.v.v. kinderen.

Gezien het feit, dat de scheiding op basis van co-ouderschap werd uitgesproken, wat inhoudt dat betrokken partijen zelf de afspraken omtrent onderhoudsplicht maken, is overeengekomen dat deze alimentatie vaststaat tot de kinderen de leeftijd van meerderjarigheid hebben bereikt.”

4. De rechtbank, sector familierecht, heeft bij beschikkingen

van 3 maart 2003 – hierna: de beschikkingen – bepaald dat [eiser] met ingang van 1 februari 2002 als bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [gedaagde 2] een bedrag van € 250,00 per maand dient te betalen, en een zelfde bedrag per maand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [betrokkene 1]. De beschikkingen zijn uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

5. Op 7 april 2003 is uit kracht van de beschikkingen – zakelijk weergegeven – ten laste van [eiser] loonbeslag gelegd onder diens werkgever Solvadis Nederland B.V. te Wormerveer, ter inning van alimentatie.

Het geschil

1. Samengevat vordert [eiser] opheffing van het ten laste van hem gelegde loonbeslag – hierna de beslagen – omdat er volgens hem inmiddels geen achterstand meer is in de betaling van alimentatie. Volgens [eiser] is er als gevolg van het beslag zelfs te veel alimentatie op zijn salaris ingehouden. Ook voert [eiser] aan dat hij onvoldoende financiële draagkracht heeft om nog aan de bij de beschikkingen opgelegde alimentatieverplichtingen te (blijven) voldoen. Om die reden en omdat [gedaagde 2] inmiddels 21 jaar geworden is en [betrokkene 1] inmiddels een deeltijdbaan heeft waardoor volgens [eiser] er bij haar geen behoefte aan alimentatie meer is, heeft [eiser] bij verzoekschrift in november 2004 de rechtbank verzocht om voor recht te verklaren dat de alimentatie voor [gedaagde 2] per 16 april 2004 is beëindigd en om

de alimentatie ten behoeve van [betrokkene 1] per september 2003 (in het verzoekschrift zal september 2004 bedoeld zijn) op nihil te stellen.

De rechtbank, sector familierecht, heeft het verzoek nog niet behandeld.

2. Volgens gedaagden is er nog wel sprake van achterstallige alimentatie. Daarbij heeft [betrokkene 1], gelet op het betalingsgedrag van [eiser] in het verleden, er geen vertrouwen in dat [eiser] toekomstige alimentatietermijnen voor haar uit eigen beweging zal voldoen. Gedaagden zijn daarom van mening dat de beslagen gehandhaafd dienen te blijven.

De motivering van de beslissing

1. De voorzieningenrechter heeft ex artikel 438 lid 2 Rv de bevoegdheid om de beslagen op te heffen. Voor opheffing van de beslagen zal voldoende aannemelijk moeten zijn dat [eiser] heeft voldaan aan de voor hem uit de beschikkingen voortvloeiende betalingsverplichtingen.

2. Niet in geschil is dat [eiser] voor [gedaagde 2] geen alimentatie meer verschuldigd zal zijn omdat zij inmiddels 21 jaar is (artikel 1:395a BW).

Wel in geschil is of er nog sprake is van achterstallige betalings-verplichtingen. Uit de door partijen in het geding gebrachte berekeningen volgt dat partijen met betrekking tot de door gedaagden gestelde betalingsachterstand op drie punten, die hierna worden behandeld, verschillen van inzicht.

Periode

3. In de berekening die zijdens gedaagden in het geding is gebracht,

is ter berekening van de gestelde achterstand ook alimentatie in 2001 meegenomen. [eiser] heeft in zijn berekening die periode niet betrokken.

4. Ook als [eiser] over 2001 nog alimentatie verschuldigd is, kan die alimentatie niet aan de hand van de beslagen worden geïnd.

De beslagen zijn uit kracht van de beschikkingen gelegd, waarin de alimentatieverplichtingen zijn ingegaan per 1 februari 2002.

Indexering

5. De door gedaagden berekende achterstallige alimentatie wordt mede gevormd door indexering per 1 januari 2003 van de bij de beschikkingen opgelegde alimentatie. [eiser] is van mening dat indexering eerst per 1 januari 2004 geschiedde, omdat de beschikkingen in maart 2003 zijn gegeven.

6. Dit geschilpunt heeft zijn oorsprong in de door de rechtbank vastgestelde ingangsdatum in de beschikkingen. Krachtens de beschikkingen is [eiser] vanaf 1 februari 2002 alimentatie verschuldigd. Gedaagden zijn van mening dat de aldus verschuldigde alimentatie op grond van artikel 1:402a BW per 1 januari 2003 voor het eerst van rechtswege geïndexeerd had moeten worden. Voor die zienswijze biedt de rechtspraak echter geen steun. Het is vaste jurisprudentie (HR 29 november 1974, NJ 1975, 228 en HR 14 maart 1980, NJ 1980, 397) dat voor indexering van rechtswege van alimentatie niet de ingangsdatum van de periode waarover alimentatie betaald dient te worden bepalend is, maar de datum waarop de alimentatie is vastgesteld. Per 1 januari nadien zal voor het eerst van rechtswege de alimentatie worden geïndexeerd. De alimentatie is vastgesteld bij beschikkingen

van 3 maart 2003. De wettelijke indexering ex artikel 1:402a BW heeft daarom voor het eerst plaatsgehad per 1 januari 2004. Wat er zij van het verweer van gedaagden dat indexering in 2003 plaats had kunnen vinden als de rechtbank de beschikkingen eerder had gegeven omdat het verzoekschrift daartoe al op 6 mei 2002 was ingediend, dit laat onverlet dat de alimentatie die is vastgesteld in de beschikkingen

van 3 maart 2003 niet van rechtswege per 1 januari 2003 is geïndexeerd. Omdat de beslagen gefundeerd zijn op de beschikkingen, bieden de beslagen niet de mogelijkheid om daarmee verhogingen over 2003 te innen.

Kosten

7. In de berekening van gedaagden is een bedrag van 5% van de via de beslagen geïnde bedragen meegenomen als kosten voor de inning van de alimentatie. [eiser] betwist dat hij het aldus door gedaagden berekende bedrag aan kosten verschuldigd is. In zijn berekening heeft hij geen bedrag opgenomen voor kosten.

8. [eiser] heeft niet betwist, althans onvoldoende, dat er achterstand in de betaling van de in 1999 overeengekomen alimentatie was ontstaan, en dat gedaagden om die reden in mei 2002 bij de rechtbank een verzoekschrift tot vaststelling van alimentatie hebben ingediend, ter verkrijging van een executoriale titel waarmee de beslagen gelegd konden worden voor inning van alimentatie. Inning van alimentatie via de beslagen was derhalve niet onnodig. Deze wijze van inning brengt kosten met zich mee. In ieder geval een gedeelte van deze kosten komt voor rekening van [eiser] (artikel 434a Rv en artikel 1 en 3 van het Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders). [eiser] stelt dat deze kosten door verrekening met het bedrag dat volgens hem teveel is ingehouden op zijn salaris, (goeddeels) zal zijn voldaan.

9. Uitgaande van al het hiervóór overwogene volgt de voorzieningenrechter voorshands [eiser] in diens berekening dat hij krachtens de beschikkingen tot en met december 2004 in totaal een bedrag van € 15.470,12 aan alimentatie verschuldigd is.

Volgens gedaagden is er door inhouding op het salaris van [eiser] als gevolg van de beslagen een bedrag van € 16.436,54 ontvangen.

Niet uitgesloten is dat het verschil tussen deze bedragen van € 966,42 in ieder geval goeddeels de kosten dekt die ten laste van [eiser] dienen te komen. [eiser] stelt die kosten op € 977,98. Dit alles leidt ertoe dat achterstand in alimentatie en vergoeding van kosten geen,

althans onvoldoende, grond kan zijn voor instandhouding van de beslagen. Omdat hieruit volgt dat [eiser] in ieder geval in zodanige mate heeft voldaan aan zijn betalingsverplichtingen jegens [gedaagde 2],

voor zover die voortvloeien uit de beschikking die ten behoeve van haar is gegeven, dat instandhouding van het loonbeslag dat zij ten laste van [eiser] heeft laten leggen niet gerechtvaardigd is, zal het beslag dat [gedaagde 2] heeft laten leggen, worden opgeheven.

10. Het beslag dat ten behoeve van [betrokkene 1] is gelegd, zal niet worden opgeheven. [eiser] heeft niet voldaan aan de betalingsverplichtingen ten behoeve van [betrokkene 1] zolang hij voor haar uit hoofde van de beschikking alimentatie verschuldigd is, vooralsnog totdat zij 21 jaar is, op grond van de verlengde onderhoudsplicht (artikel 1:395a BW). Dat de familiekamer van de rechtbank zal besluiten tot nihilstelling van de alimentatie voor [betrokkene 1] met terugwerkende kracht tot september 2004, is voorshands onvoldoende aannemelijk omdat vooralsnog het enkele feit dat [betrokkene 1] een deeltijdbaan heeft met een salaris van – niet weersproken –

€ 380,00 per maand, onvoldoende is om op grond daarvan aan te nemen dat er voor haar onderhoud en studie in het geheel geen behoefte aan alimentatie meer is. Dat [eiser] financieel niet in staat is om alimentatie te betalen is ook niet aannemelijk, vooral niet omdat hij nog slechts voor [betrokkene 1] alimentatie hoeft te betalen.

11. De familierelatie van partijen is voor de voorzieningenrechter aanleiding om de kosten van deze procedure te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

De beslissing

De voorzieningenrechter

heft op het ten verzoeke van [gedaagde 2] uit kracht van de in executoriale vorm uitgegeven grosse van een beschikking van 3 maart 2003 van de rechtbank Arnhem, sector familierecht, ten laste van [eiser]

op 7 april 2003 gelegd beslag onder Solvadis Nederland B.V. te Wormerveer;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

weigert het anders of meer gevorderde;

compenseert de kosten van dit kort geding, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.J. de Vries en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.J. Daggenvoorde op 25 januari 2005.

de griffier de rechter