Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2005:AS8369

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
06-01-2005
Datum publicatie
01-03-2005
Zaaknummer
121093
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De vraag of het leggen van een conservatoir beslag als vexatoir en daarom onrechtmatig moet worden aangemerkt, dient in beginsel te worden beantwoord aan de hand van de concrete omstandigheden ten tijde van de beslaglegging, waaronder de hoogte van de te verhalen vordering, de waarde van de beslagen goederen en de eventueel onevenredig zware wijze waarop de schuldenaar door het beslag op een van die goederen in zijn belangen wordt getroffen.

Vervolgens stellen eiser c.s. dat artikel 6 uit de samenwerkingsovereenkomst van rechtswege nietig is op grond van artikel 6 Mededingingswet, nu artikel 6 va nde overeenkomst is te kwalificeren als een non-concurrentiebeding voor onbepaalde tijd tussen twee ondernemers, juncto het bepaalde in de Verordening Verticalen (Pb EG 2001, C 188/03), welke verordening van toepassing is op grond van artikel 6 Mededingingswet. Engelsing betwist dat in de onderhavige zaak artikel 6 Mededingingswet aan het concurrentiebeding in de weg staat.

Vooropgesteld moet worden dat een non-concurrentiebeding doorgaans een verboden mededingingsbeperking vormt in de zin van de Mededingingswet. Dit kan ingevolge artikel 7 Mededingingswet anders zijn, indien een non-concurrentiebeding uit het oogpunt van mededinging van duidelijk ondergeschikte betekenis is. Voorshands geoordeeld hebben Bakker c.s. te weinig gesteld om op grond daarvan te kunnen beoordelen dat artikel 7 van de Mededingingswet niet van toepassing is. Tevens is uit de door Engelsing als productie 9 overgelegde provisielijsten en het ter zitting verhandelde vooralsnog onvoldoende aannemelijk geworden dat de gezamenlijke omzet van de ondernemingen van partijen het in artikel 7 Mededingingswet genoemde grensbedrag van € 908.000,-- overstijgt. Derhalve moet het er voorshands voor worden gehouden dat artikel 6 door het bepaalde in artikel 7 niet van toepassing moet worden geacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 121093 / KG ZA 04-771

Datum vonnis: 6 januari 2005

Vonnis

in kort geding

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser] OOSTERBEEK BEHEER B.V.,

gevestigd te [woonplaats],

2. [eiser],

wonende te [woonplaats]

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ASSUPPORT B.V.

gevestigd te Oosterbeek, gemeente Renkum,

eisers in conventie bij dagvaarding van 14 december 2004,

verweersters in reconventie,

procureur mr. J.C.N.B. Kaal,

advocaat mr. dr. R.W.F. Hendriks te 's-Hertogenbosch,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ENGELSING MAKELAARS B.V.,

gevestigd te Arnhem,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

procureur W.J.G.M. van den Broek,

advocaat mr. ir. J.A.A. Diederen te Nijmegen.

Partijen worden hierna ook aangeduid als [eiser] Beheer, [eiser], Assupport of gezamenlijk als [eiser] c.s. en Engelsing.

Het verloop van de procedure

[eiser] c.s. hebben Engelsing ter zitting in kort geding doen dagvaarden en gevorderd zoals weergegeven in de dagvaarding.

Engelsing heeft geconcludeerd tot weigering van de gevorderde voorzieningen en heeft tevens een eis in reconventie ingesteld, zoals neergelegd in de conclusie van eis in reconventie. De verwerende partij heeft geconcludeerd tot weigering van de gevorderde voorzieningen.

De advocaten van partijen hebben de zaak bepleit overeenkomstig de door hen overgelegde pleitnotitie.

Daarbij hebben zij producties in het geding gebracht.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De vaststaande feiten

1. [eiser] c.s., althans aan [eiser] c.s. gelieerde vennootschappen, hebben bij koopovereenkomst van 23 maart 2001 aan Engelsing een assurantieportefeuille alsmede kantoorinventaris verkocht. In het kader van deze transactie is op 30 maart 2001 tussen [eiser] Beheer en [eiser] enerzijds en Engelsing anderzijds een managementovereenkomst tot stand gekomen. Deze overeenkomst is nadien met wederzijds goedvinden beëindigd en [eiser] Beheer en Engelsing zijn op basis van een intentieverklaring d.d. 1 februari 2002 en een nieuwe samenwerkingsovereenkomst d.d. 17 april 2002 gaan samenwerken. De intentieverklaring maakt een onlosmakelijk onderdeel uit van de samenwerkingsovereenkomst.

2. In artikel 1 van de intentieverklaring is bepaald:

1. [eiser] zal de belangen van de relaties als vermeld in bijlage 1 blijven behartigen en alles doen wat in zijn vermogen ligt deze relaties voor Engelsing te behouden en waar mogelijk het provisieniveau te verhogen;

2. [eiser] zal zich inspannen alle door of namens haar nieuw af te sluiten verzekeringen met de relaties als vermeld in bijlage 1 tot stand te laten komen via Engelsing, in het bijzonder Engelsing Assurantien, zijnde de verzekeringsactiviteiten van Engelsing, doch [eiser] dient vrijheid van handelen te hebben, o.a. indien om welke reden dan ook een relatie als vermeld in bijlage 1 een nieuw af te sluiten verzekering niet wenst onder te brengen bij Engelsing of vice versa Engelsing deze niet bij haar ondergebracht wenst te hebben;

3. [eiser] zal zich inspannen nieuwe relaties onder te brengen bij Engelsing, in het bijzonder Engelsing Assurantien, doch [eiser] dient vrijheid van handelen te hebben o.a. indien om welke reden dan ook een nieuwe relatie niet ondergebracht wenst te worden bij Engelsing of vice versa Engelsing deze niet wenst onder te brengen.

4. [eiser] zal gedurende de looptijd van de samenwerking in beginsel geen andere verzekeringsportefeuille opzetten. [eiser] heeft slechts vrijheid van handelen om naast de beoogde samenwerking activiteiten op het gebied van verzekeringen uit te oefenen, indien en voorzover dergelijke activiteiten geen afbreuk zullen doen aan de beoogde samenwerking.

3. In artikel 6 van de samenwerkingsovereenkomst is bepaald:

1. Het is [eiser] toegestaan om tijdens de looptijd van deze overeenkomst soortgelijke activiteiten als waarop deze samenwerking betrekking heeft te ontplooien, voorzover dergelijke nevenactiviteiten

redelijkerwijs niet uitgevoerd kunnen worden in het kader van de samenwerking tussen partijen, zoals genoemd onder 2,3 en 4. op pagina 2 van eerder vermelde intentieverklaring,

2. Ingeval van overtreding van deze bepaling verbeurt [eiser] een éénmalige opeisbare boete van 10.000 euro, te vermeerderen met 500 euro per dag zolang de overtreding voortduurt, zulks onverminderd de overige aan Engelsing toekomende rechten.

4. In artikel 7 van de samenwerkingsovereenkomst is bepaald:

1. Gedurende twee jaar na beëindiging door middel van opzegging op grond van artikel 4 van deze overeenkomst is het [eiser] - behoudens schriftelijke toestemming van Engelsing - niet toegestaan werkzaamheden uit te voeren die in het kader van de onderhavige samenwerking zijn verricht ten behoeve van de relaties genoemd in bijlage 1 van de intentieverklaring (“de [eiser]-portefeuille”) en alle nieuwe door of namens [eiser] aangebrachte relaties, voor zover die behoren tot de kring van relaties van Engelsing.

2. Ingeval van overtreding van deze bepaling verbeurt [eiser] een éénmalige opeisbare boete van 10.000 euro, te vermeerderen met 500 euro per dag zolang de overtreding voortduurt, zulks onverminderd de overige aan Engelsing toekomende rechten.

5. Bij brief van 5 november 2004 van de advocaat van Engelsing aan [eiser], Assupport en [eiser] Beheer is namens Engelsing de samenwerkingsovereenkomst per 5 november 2004 ontbonden. Als ontbindingsgrond is onder meer het volgende genoemd:

“ U heeft bij schriftelijke overeenkomst d.d. 16 augustus 2004 middels Assupport B.V., een 100% dochtervennootschap van [eiser] Oosterbeek Beheer B.V., afspraken vastgelegd terzake van werkzaamheden die u in de afgelopen periode, in strijd met uw verplichtingen jegens cliënte, voor Van Burik & Partners B.V. heeft uitgevoerd.

(...)

Het komt er, kort gezegd, op neer dat u in de periode van samenwerking met Engelsing Makelaars B.V., een eigen assurantieportefeuille heeft opgebouwd, waarbij u niet alleen nieuwe relaties niet bij Engelsing Makelaars B.V. heeft ondergebracht, maar zelfs relaties van Engelsing Makelaars naar u toe heeft getrokken en relaties die u bij schriftelijke overeenkomst d.d. 23 maart 2001 aan cliënte heeft verkocht, weer heimelijk als eigen relaties heeft geboekt.

Cliente stelt zich op grond van het vorenstaande primair op het standpunt dat u zowel in privé als middels uw beheermaatschappij [eiser] Oosterbeek Beheer B.V. toerekenbaar tekort bent geschoten in de uitvoering van de verplichtingen die u op grond van de intentie-/samenwerkingsovereenkomst op u rusten.

Voor het geval in rechte wordt geoordeeld dat u in privé jegens cliënte geen contractuele verplichtingen zou hebben, stelt cliënte zich op het standpunt dat uw handelwijze jegens cliënte in ieder geval apert onrechtmatig is.

Cliënte heeft, voorlopig, becijferd dat u minimaal 177 polissen ten onrechte niet bij Engelsing Makelaars heeft ondergebracht. Aldus is, op grond van het bepaalde in artikel 2 tot en met 4 van de intentieovereenkomst juncto artikel 6 van de samenwerkingsovereenkomst, een boete van 177 x € 10.000,00 is € 1.770.000,00 verbeurd.

Daarnaast behoort de assurantieportefeuille die u zich, op de hiervoor kort omschreven wijze, ten onrechte heeft toegeëigend, cliënte toe. De waarde van deze portefeuille wordt door cliënte als volgt begroot. De totale jaarpremie bedraagt € 657.000,00. Uitgaande van een gemiddelde jaarlijkse prolongatieprovisie van 20% bedraagt de prolongatieprovisie € 130.000,00 per jaar. Toepassing van een factor 3.75, conform hetgeen is overeengekomen in de koopovereenkomst d.d. 23 maart 2001, levert een waarde van deze assurantieportefeuille op van € 487.500,00.

(...)

6. Engelsing heeft ten laste van [eiser] c.s. op 5 november 2004 beslag gelegd op de tegoeden van [eiser] en [eiser] Beheer bij de ABN-AMRO Bank N.V. en op 12 november 2004 op een aan [eiser] toebehorende onroerende zaak gelegen aan het Doniapark 74 te Langweer. Voorts is op 10 november 2004 door de voorzieningenrechter van de rechtbank Arnhem verlof verleend tot het leggen van derdenbeslagen onder zes schuldenaren van [eiser] c.s., alsmede is verlof verleend tot het leggen van beslagen op de aandelen in [eiser] Beheer en nog eens vier vennootschappen waarin [eiser] Beheer aandelen houdt. Een aantal beslagen is daadwerkelijk gelegd.

De geschillen

1. [eiser] c.s. vorderen dat Engelsing zal worden veroordeeld de door haar onder c.q. ten laste van [eiser] c.s. gelegde conservatoire (derden)beslagen op te heffen op straffe van verbeurte van dwangsommen en dat het Engelsing zal worden verboden aanvullende (derden)beslagen te (doen) leggen waaronder te verstaan beslagen krachtens de verleende verloven welke nog niet zijn gelegd, met veroordeling van Engelsing in de kosten van deze procedure.

2. Engelsing vordert dat [eiser] rechtstreeks dan wel via de aan hem gelieerde vennootschappen, wordt verboden om werkzaamheden te verrichten als assurantietussenpersoon (met dan wel zonder de benodigde vergunningen) ten behoeve van de relaties genoemd in bijlage 1 van de intentieverklaring (“de [eiser] portefeuille”) en alle nieuwe door of namens [eiser] aangebrachte relaties, voorzover die behoren tot de kring van relaties van Engelsing, alsmede dat [eiser] zal worden veroordeeld om zich te onthouden van de aldus omschreven werkzaamheden op straffe van verbeurte van dwangsommen, alsmede dat [eiser] c.s. hoofdelijk zullen worden veroordeeld tot betaling van € 10.000,00 aan Engelsing ten titel van voorschot schadevergoeding, met veroordeling van [eiser] c.s. in de kosten van de procedure in reconventie.

3. Partijen hebben hun vorderingen over en weer onderbouwd en verweer gevoerd jegens elkaars stellingen. In het hierna volgende zullen de standpunten van partijen, voor zover nodig, nader worden weergegeven en besproken.

De beoordeling van de geschillen

1. [eiser] c.s. hebben allereerst bezwaar gemaakt tegen het indienen van een vordering in reconventie door Engelsing, nu dat in een te laat stadium in de procedure zou zijn geschied.

2. Ter zitting heeft de voorzieningenrechter Engelsing in haar vordering in reconventie ontvankelijk verklaard.

In het kader van een kort gedingprocedure dient een vordering in reconventie in beginsel een dag voor de zitting te worden ingediend. In voorkomende gevallen kan de vordering echter ook op zitting worden ingediend. Nu aan de overige formele vereisten voor het indienen van een vordering in reconventie is voldaan (op schrift gesteld, bij procureurstelling) en onderhavige vordering zeer nauw verwant is aan de vordering in conventie, wordt geoordeeld dat [eiser] c.s. niet in hun procesbelangen worden geschaad nu Engelsing ontvankelijk wordt verklaard in haar vordering in reconventie. Dit geldt des te meer nu [eiser] c.s. ter zitting in de gelegenheid zijn gesteld kennis te nemen van de vordering en daarop te reageren.

Ten aanzien van de vorderingen in conventie

3. Het spoedeisend belang van [eiser] c.s. vloeit voldoende voort uit de stellingen.

4. Ter zake van de gelegde derdenbeslagen hebben [eiser] c.s. allereerst gesteld dat niet is gebleken dat deze beslagen op juiste wijze zijn (over)betekend en op die grond de beslagen voor opheffing gereed liggen.

5. Ten aanzien van de gelegde beslagen is uit de overgelegde producties voldoende gebleken dat aan alle formele vereisten is voldaan.

6. Op grond van het bepaalde in artikel 705 lid 2 Rv. dient het beslag onder meer te worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag blijkt, of, zo het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid wordt gesteld. Dit brengt mee dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die de opheffing vordert – met inachtneming van de beperkingen van de kort geding procedure – aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk is. De voorzieningenrechter zal evenwel hebben te beslissen aan de hand van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen.

7. De vraag of het leggen van een conservatoir beslag als vexatoir en daarom onrechtmatig moet worden aangemerkt, dient in beginsel te worden beantwoord aan de hand van de concrete omstandigheden ten tijde van de beslaglegging, waaronder de hoogte van de te verhalen vordering, de waarde van de beslagen goederen en de eventueel onevenredig zware wijze waarop de schuldenaar door het beslag op een van die goederen in zijn belangen wordt getroffen.

8. [eiser] c.s. stellen allereerst dat [eiser] en Assupport niet aangesproken kunnen worden op grond van de samenwerkingsovereenkomst, omdat deze overeenkomst slechts werking heeft tussen Engelsing en [eiser] Beheer.

Engelsing betwist deze stelling. Dat ook [eiser] en Assupport zijn gebonden aan de overeenkomst zou onder meer blijken uit de brief van de heer Heijloo van Engelsing aan [eiser] Beheer van 6 december 2004, alsmede uit de bedoeling van partijen. Zou moeten worden aangenomen dat slechts [eiser] Beheer contractueel jegens Engelsing is gebonden, dan laat dit onverlet dat [eiser] c.s. jegens Engelsing onrechtmatig hebben gehandeld, aldus Engelsing.

9. [eiser] c.s. hebben gesteld dat de partijen de uitdrukkelijke bedoeling hebben gehad om slechts [eiser] Beheer en dus niet [eiser] persoonlijk of een andere vennootschap te binden aan de samenwerkingsovereenkomst van 17 april 2002. Deze bedoeling zou blijken uit het feit dat deze overeenkomst, die door tussenkomst van deskundigen is opgesteld, in afwijking van de eerdere samenwerkingsovereenkomst, slechts [eiser] Beheer als partij vermeld. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat - met name gezien de sleutelrol die [eiser] vervult in het handelen van [eiser] Beheer en Assupport - vooralsnog een dergelijke bedoeling niet zonder meer kan worden aangenomen. Naar zijn voorlopig oordeel kunnen het handelen van [eiser] en Assupport en dat van [eiser] Beheer niet los van elkaar worden gezien, en dient het handelen van de één aan de ander te worden toegerekend.

10. Vervolgens stellen [eiser] c.s. dat artikel 6 uit de samenwerkingsovereenkomst van rechtswege nietig is op grond van artikel 6 Mededingingswet, nu artikel 6 van de overeenkomst is te kwalificeren als een non-concurrentiebeding voor onbepaalde tijd tussen twee ondernemers, juncto het bepaalde in de Verordening Verticalen (Pb EG 2001, C 188/03), welke verordening van toepassing is op grond van artikel 6 Mededingingswet. Engelsing betwist dat in de onderhavige zaak artikel 6 Mededingingswet aan het concurrentiebeding in de weg staat.

11. Vooropgesteld moet worden dat een non-concurrentiebeding doorgaans een verboden mededingingsbeperking vormt in de zin van de Mededingingswet. Dit kan ingevolge artikel 7 Mededingingswet anders zijn, indien een non-concurrentiebeding uit het oogpunt van mededinging van duidelijk ondergeschikte betekenis is. Voorshands geoordeeld hebben [eiser] c.s. te weinig gesteld om op grond daarvan de kunnen beoordelen dat artikel 7 van de Mededingingswet niet van toepassing is. Tevens is uit de door Engelsing als productie 9 overgelegde provisielijsten en het ter zitting verhandelde vooralsnog onvoldoende aannemelijk geworden dat de gezamenlijke omzet van de ondernemingen van partijen het in artikel 7 Mededingingswet genoemde grensbedrag van € 908.000,00 overstijgt. Derhalve moet het er voorshands voor worden gehouden dat artikel 6 door het bepaalde in artikel 7 niet van toepassing moet worden geacht.

Ook voor het overige wordt voorshands geoordeeld dat [eiser] c.s. onvoldoende hebben gesteld om hun stelling op enigerlei wijze aannemelijk te maken. Vooralsnog wordt daarom artikel 6 van de samenwerkingsovereenkomst derhalve niet nietig geacht.

12. Engelsing stelt een vordering op [eiser] c.s. te hebben van € 1.770.000,00 terzake van verbeurde contractuele boete en € 487.500,00 als voorschot op de schade, een en ander zoals verwoord in de brief van de raadsman van Engelsing aan [eiser] c.s. d.d. 5 november 2004, hiervoor onder de feiten onder punt 5. weergegeven.

13. [eiser] c.s. betwisten dat Assupport een eigen assurantieportefeuille heeft opgebouwd bij Van Burik & Partners B.V. Het opbouwen van een assurantieportefeuille is volgens hen voor een tussenpersoon slechts mogelijk als gebruik gemaakt wordt van de SER inschrijving krachtens de Wet Assurantiebemiddelingsbedrijf. [eiser] c.s. hebben die inschrijving aantoonbaar niet gebruikt, zodat geen assurantieportefeuille is opgebouwd en er geen schadepost is van € 487.500,00.

Voorts voeren zij aan dat partijen in de samenwerkingsovereenkomst nadrukkelijk zijn overeengekomen dat [eiser] Beheer de vrijheid behield klanten/relaties bij andere tussenpersonen onder te brengen als deze niet bij Engelsing ondergebracht wensten te worden dan wel daar niet langer meer ondergebracht wensten te zijn. Van deze vrijheid is ook door Assupport, de aan [eiser] Beheer gelieerde onderneming, geen misbruik gemaakt. Derhalve kan de stelling dat [eiser] c.s. 177 keer het non-concurrentiebeding hebben overtreden geen stand houden, aldus [eiser] c.s. Voorts stellen [eiser] c.s. dat, zou er al sprake zijn van 177 overtredingen, de verbeurde dwangsom dan conform het bepaalde in de samenwerkingsovereenkomst € 10.000,00 zou zijn en geen € 1.770.000,00 zoals Engelsing stelt.

14. Uit het verhandelde ter zitting is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk geworden dat het in ieder geval niet uitgesloten moet worden geacht dat [eiser] c.s. bewust

klanten/relaties van Engelsing hebben ondergebracht bij Van Burik & Partners B.V. De voorzieningenrechter komt tot dit oordeel met name gelet op het aantal klanten dat in een relatief korte periode bij Engelsing is weggegaan. [eiser] c.s. hebben in dat geval het non-concurrentiebeding overtreden. Bovendien moet het gestelde handelen van [eiser] c.s., dat neerkomt op het ten eigen bate voortzetten van aan Engelsing verkochte activiteiten, indien bewezen, als onrechtmatig worden aangemerkt. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is voorshands onvoldoende vast te stellen in hoeverre door Engelsing hierdoor schade is geleden. Nu deze kort gedingprocedure zich niet leent voor nader onderzoek, wordt volstaan met het oordeel dat [eiser] c.s. de ondeugdelijkheid van de vordering ten aanzien van de schade van € 487.500,00 onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt.

15. Ten aanzien van de verbeurde boetes wordt voorshands geoordeeld dat artikel 6 in de samenwerkingsovereenkomst zo gelezen moet worden dat [eiser] c.s. éénmalig een boete van € 10.000,00 verbeurd hebben, te vermeerderen met € 500,00 per dag zolang de overtreding duurt. Nu ter zitting door Engelsing aan de hand van overgelegde e-mails voldoende aannemelijk is gemaakt dat [eiser] c.s. mogelijk reeds vanaf juli 2003 concurrerende activiteiten ontplooit, wordt er daarom vooralsnog van uitgegaan dat [eiser] c.s. tot het moment van de opzegging van de overeenkomst gedurende ten minste een periode van 500 dagen € 500,00 per dag aan boete heeft verbeurd, derhalve een bedrag van € 250.000,00. In totaal is dus mogelijk een boete verbeurd van € 260.000,00.

16. Gelet op het bovenstaande en rekening houdend met een percentage van 10% voor te maken kosten e.d., hebben [eiser] c.s. ten aanzien van een bedrag van afgerond € 825.000,00 de vorderingen van Engelsing onvoldoende betwist. Nu Engelsing voldoende haar belang bij zekerheidsstelling door [eiser] c.s. aannemelijk heeft gemaakt en [eiser] c.s. voorshands geoordeeld niet onevenredig in hun belangen worden getroffen door de gelegde beslagen, zal worden geoordeeld dat ten aanzien van dit bedrag de gelegde beslagen niet behoeven te worden opgeheven, maar dat zij ten aanzien van het meerdere vexatoir zijn en dus voor het meerdere dienen te worden opgeheven.

17. Nu partijen over en weer in het (on)gelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten worden gecompenseerd.

Ten aanzien van de vorderingen in reconventie

18. Ten aanzien van het gevorderde onder sub 1. en 2. heeft Engelsing haar spoedeisend belang voldoende aannemelijk gemaakt. Ten aanzien van het gevorderde onder 3. is dit spoedeisend belang geenszins aannemelijk geworden.

19. Engelsing legt aan haar vordering in reconventie ten grondslag het bepaalde in artikel 7 van de samenwerkingsovereenkomst (hiervoor onder de feiten onder punt 4. weergegeven).

20. [eiser] c.s. stellen zich op het standpunt dat, nu in artikel 7 niet wordt verwezen naar artikel 5 van de samenwerkingsovereenkomst, welk artikel geldt ten aanzien van de opzegging van de samenwerkingsovereenkomst door Engelsing, zij niet langer gehouden zijn aan het non-conurrentiebeding.

21. Voorshands geoordeeld stellen [eiser] c.s. terecht dat in artikel 7 van de samenwerkingsovereenkomst niet wordt verwezen naar de opzeggingsgrond als bepaald in artikel 5 van die overeenkomst en Engelsing zich daarom niet op het bepaalde in artikel 7 kan beroepen.

Overigens moet worden geoordeeld dat het door Engelsing in reconventie gevorderde zo vaag en algemeen is geformuleerd, dat het ook om die reden niet kan worden toegewezen.

22. Ten aanzien van het gevorderde voorschot op de schadevergoeding van € 10.000,00 is hiervoor reeds overwogen dat Engelsing op geen enkele wijze het spoedeisend belang bij deze vordering aannemelijk heeft gemaakt, zodat de vordering reeds om die reden zal worden afgewezen.

23. Als de in het ongelijk gestelde partij zal Engelsing worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

De beslissing

De voorzieningenrechter

In conventie

1. veroordeelt Engelsing de ten laste van [eiser] c.s. op respectievelijk 5, 12, 15 en 16 november 2004 krachtens de door de voorzieningenrechter van de rechtbank Arnhem en Leeuwarden verleende verloven, gelegde conservatoire (derden)beslagen, binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis, op te heffen voor zover deze zijn gelegd voor een bedrag hoger dan € 825.000,00, op verbeurte van een dwangsom van € 2.500,00 voor iedere dag dat Engelsing daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 50.000,00,

2. compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt,

3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

4. weigert het anders of meer gevorderde.

In reconventie

5. weigert de gevorderde voorzieningen,

6. veroordeelt Engelsing in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser] c.s. bepaald op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. G. Noordraven en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. I.A. van Gemert op 6 januari 2005.

de griffier de rechter