Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2005:AS8352

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
09-02-2005
Datum publicatie
01-03-2005
Zaaknummer
107634 en 117724
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een (onafhankelijke) assurantietussenpersoon dient tegenover zijn opdrachtgever de zorg te betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsgenoot mag worden verwacht. Het is zijn taak te waken voor de belangen van de verzekeringnemers bij de tot zijn portefeuille behorende verzekeringen (HR 10 januari 2003, NJ 2003, 375). Uit deze algemeen geformuleerde zorgplicht leidt de rechtbank af dat een assurantiepersoon zich moet onthouden van gedragingen die voor de verzekeraar aanleiding kunnen geven tot opzegging van de verzekeringsovereenkomst. Verder leidt zij daaruit af dat de assurantietussenpersoon namens de cliënt moet onderhandelen met de verzekeraar over opname van voorwaarden in de verzekeringsovereenkomst die de opdrachtgever wenst of over schrapping van voorwaarden die de opdrachtgever niet wenst en dat hij de opdrachtgever informeert over het onderhandelingsresultaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 107634 / HA ZA 03-2163 en 117724 / HA ZA 04-1678

Datum vonnis: 9 februari 2005

Vonnis

in de zaak 107634 / HA ZA 03-2163 van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MARSH B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

procureur mr. J.H.A.M. Hanssen,

advocaat mr. A.J. van de Graaf te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CARGORENT B.V.,

gevestigd te Heukelum, gemeente Lingewaal,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

procureur mr. H. van Ravenhorst,

advocaat mr. G.J. Schras te Rotterdam,

en in de zaak 117724 / HA ZA 04-1678 van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MARSH B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres in vrijwaring,

procureur mr. J.H.A.M. Hanssen,

advocaat mr. A.J. van de Graaf te Amsterdam,

tegen

de naamloze vennootschap

HDI VERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde in vrijwaring,

procureur mr. H. van Ravenhorst,

advocaat mr. J. Streefkerk te Voorburg.

Partijen worden hierna Marsh, Cargorent en HDI genoemd.

Het verloop van de procedure

Voor het verloop van de procedures tot de tussenvonnissen van 11 augustus 2004 (03-2163) en 10 november 2004 (04-1678) wordt naar die vonnissen verwezen. Ter uitvoering van deze tussenvonnissen is een comparitie van partijen gehouden. Het proces-verbaal daarvan bevindt zich bij de stukken. Ter voorbereiding op deze comparitie heeft Cargorent bij brief van 1 november 2004 een set producties toegezonden. Ter comparitie heeft Cargorent in de hoofdzaak in reconventie een akte houdende wijziging van de grondslag van de eis genomen. Marsh heeft zich ter comparitie bij akte tegen deze eiswijziging verzet. Ten slotte is vonnis bepaald.

De verdere beoordeling van het geschil

in de procedure met zaak-/rolnummer 107634 / HA ZA 03-2163, in reconventie

De rechtbank overweegt volledigheidshalve dat zij in haar vonnis van 11 augustus 2004 de conventie heeft afgedaan.

wijziging van eis, verzet

Cargorent heeft in haar akte ter comparitie haar vordering in reconventie aldus gewijzigd dat zij aan Marsh tevens verwijt dat deze in strijd met de zorgplicht van een verzekeringstussenpersoon niet heeft voorkomen dat HDI de bevoegdheid heeft bedongen om gedurende de looptijd van de verzekeringsovereenkomsten deze tussentijds op te zeggen, terwijl Marsh wist dat Cargorent dat niet wilde.

Marsh heeft zich tegen deze wijziging van eis verzet, omdat zij daardoor volgens haar onredelijk in haar verdediging wordt geschaad en omdat het geding daardoor onredelijk wordt vertraagd.

De rechtbank oordeelt het verzet ongegrond. De wijziging van eis is een verdere uitwerking van het verwijt van Cargorent dat Marsh onvoldoende zorg heeft betracht, waardoor HDI de verzekeringsovereenkomsten tussentijds heeft opgezegd. Zij sluit daarom nauw aan bij hetgeen Cargorent eerder in de procedure heeft aangevoerd. De uitwerking is voldoende aan de orde gekomen tijdens de comparitie. Marsh heeft daarom de gelegenheid gehad zich tegen de uitwerking te verweren.

zorgplicht Marsh

Marsh is assurantietussenpersoon van Cargorent geweest in de periode van december 2000 tot 7 juni 2001. Cargorent verwijt Marsh dat deze niet de zorg heeft betracht die van een assurantietussenpersoon mag worden verwacht. Daardoor heeft Marsh volgens Cargorent aan HDI aanleiding gegeven de verzekeringsovereenkomsten tussentijds op te zeggen. De vier redenen voor opzegging door HDI waren blijkens de in r.ov. 2.4 van het tussenvonnis van 11 augustus 2004 geciteerde brief van HDI de volgende:

1. een slecht schadeverloop over de Cargorent collectiviteit gedurende één of meer jaren;

2. administratieve problemen;

3. betalingsproblemen ten opzichte van Marsh;

4. de omstandigheid dat het verhuurrisico is verzekerd, wat een uitzondering is in de portefeuille van HDI.

Voorts had Marsh volgens Cargorent moeten voorkomen dat HDI de bevoegdheid had om gedurende de looptijd van de verzekeringen tussentijds op te zeggen.

Een (onafhankelijke) assurantietussenpersoon dient tegenover zijn opdrachtgever de zorg te betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsgenoot mag worden verwacht. Het is zijn taak te waken voor de belangen van de verzekeringnemers bij de tot zijn portefeuille behorende verzekeringen (HR 10 januari 2003, NJ 2003, 375). Uit deze algemeen geformuleerde zorgplicht leidt de rechtbank af dat een assurantiepersoon zich moet onthouden van gedragingen die voor de verzekeraar aanleiding kunnen geven tot opzegging van de verzekeringsovereenkomst. Verder leidt zij daaruit af dat de assurantietussenpersoon namens de cliënt moet onderhandelen met de verzekeraar over opname van voorwaarden in de verzekeringsovereenkomst die de opdrachtgever wenst of over schrapping van voorwaarden die de opdrachtgever niet wenst en dat hij de opdrachtgever informeert over het onderhandelingsresultaat.

HDI heeft in haar brief van 25 september 2001 vier gronden voor tussentijdse opzegging van de verzekeringsovereenkomsten genoemd. HDI stelt het slechte schadeverloop van de voor Cargorent verzekerde voertuigen voorop als reden voor opzegging. Zij noemt de andere redenen als aanvullende redenen. HDI heeft in haar brief van 22 juni 2004 nog aangegeven dat premieachterstand niet een op zichzelf staande reden is geweest om de verzekeringsovereenkomsten op te zeggen. Het was een onderdeel van diverse argumenten die tot die beslissing hebben geleid.

Mevrouw [betrokkene 1], hoofd afdeling acceptatie motorrijtuigverzekeringen van HDI, en degene die de brief van 25 september 2001 heeft geschreven, heeft ter comparitie van 16 november 2004 over de opzegging het volgende verklaard:

“Ik heb de opzeggingsbrief geschreven. Voor HDI was dé reden om op te zeggen het negatieve resultaat op de verzekeringen van Cargorent. De premie-inkomsten bedroegen over 2000/2001 € 173.000,- en de schades € 342.000,-, waarbij nog een reservering van € 80.000,- moet worden opgeteld. Ik ben er zeer stellig in dat HDI de verzekeringen ook had opgezegd als de andere in de brief genoemde redenen niet aanwezig waren geweest.”

Deze verklaring heeft naar het oordeel van de rechtbank tot gevolg dat de andere verwijten, gesteld dat zij zouden komen vast te staan, niet in causaal verband staan met de opzegging door HDI en dus ook niet met de door Cargorent gestelde schade. Dit betekent dat de rechtbank niet behoeft te beoordelen of de verwijten van Cargorent aan Marsh met betrekking tot de aanvullende redenen juist zijn.

Ten overvloede merkt de rechtbank het volgende op. [betrokkene 1] heeft ook verklaard dat HDI bij de formulering van de drie aanvullende redenen voor opzegging van de verzekeringsovereenkomsten niet het oog had op tekortkomingen bij Marsh. Dat betekent dat zij niet heeft bedoeld Marsh te verwijten dat deze haar administratie niet op orde had. Verder is de constatering in de brief van 25 september 2001 juist dat Cargorent op dat moment een betalingsachterstand had bij Marsh. Cargorent had immers op dat moment niet de premie over het eerste halfjaar van 2001, die haar was gefactureerd in juni 2001, aan Marsh betaald. Cargorent kan Marsh in die omstandigheid niet verwijten dat HDI deze betalingsachterstand als aanvullend argument gebruikt. Ten slotte kan Cargorent Marsh niet verwijten dat HDI het slecht passen van het verhuurrisico als aanvullend argument voor opzegging gebruikt. Marsh is immers niet betrokken geweest bij de onderhandelingen tussen HDI en de vorige assurantietussenpersoon, [betrokkene 2] & Zoon B.V. - hierna: [betrokkene 2] - over de acceptatie van het verhuurrisico. Marsh kon dus niet weten wat daarover precies was afgesproken. Bovendien was Marsh ten tijde van de opzegging geen assurantietussenpersoon meer, zodat zij ook niet meer in de positie was bij HDI te bepleiten dat dit geen valide reden voor opzegging van de verzekeringsovereenkomsten was.

HDI heeft de verzekering opgezegd wegens het slechte schadeverloop bij Cargorent. Deze opzeggingsgrond betreft de bedrijfsvoering van Cargorent en haar huurders. Zij ligt buiten het terrein, waarvoor de zorgplicht van Marsh als assurantietussenpersoon geldt. Marsh kan immers geen invloed uitoefenen op het schadeverloop. Het feit dat HDI deze opzeggingsgrond heeft aangevoerd, brengt niet mee dat Marsh is tekortgeschoten in de zorg tegenover Cargorent.

Tenslotte verwijt Cargorent Marsh dat deze in strijd met de zorgplicht van een verzekeringstussenpersoon niet heeft voorkomen dat HDI de bevoegdheid heeft bedongen om gedurende de looptijd van de verzekeringsovereenkomsten deze tussentijds op te zeggen, terwijl Marsh wist dat Cargorent dat niet wilde.

Op grond van art. 4.1.2. van de polisvoorwaarden was HDI gerechtigd de verzekering tussentijds, tegen de premievervaldag, op te zeggen met een opzegtermijn van drie maanden. HDI heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt door op 25 september 2001 de verzekeringsovereenkomsten op te zeggen tegen 1 januari 2002, een premievervaldag.

De rechtbank oordeelt ook dit verwijt ongegrond. Marsh nam in december 2000 de positie van assurantietussenpersoon van [betrokkene 2] over. Op dat moment waren de onderhandelingen over het onderbrengen van het wagenpark van Cargorent bij HDI reeds beëindigd. De verzekeringsvoorwaarden van de voertuigen van Cargorent die op dat moment reeds bij HDI waren verzekerd, lagen vast. De voertuigen die in de periode van december 2000 tot 7 juni 2001 in verzekering door HDI werden genomen (volgens Cargorent: 21), werden op dezelfde voorwaarden verzekerd als de eerder verzekerde voertuigen.

Het volgende wordt bevestigd door de volgende verklaring van de heer [betrokkene 3], secretaris van Marsh, ter comparitie van 16 november 2004:

“Het zal voorgekomen zijn dat in de tijd dat Marsh tussenpersoon was, er auto’s uit de verzekering bij Royal liepen en bij HDI zijn verzekerd. [betrokkene 4] (directeur van Cargorent, rechtbank) zegt dat het om 20 auto’s gaat. Ik weet niet of het er zoveel zijn. Deze werden echter verzekerd op de voorwaarden die Cargorent destijds met [betrokkene 2] had afgesproken. Het raamwerk lag al vast.”

Uit al het voorgaande volgt dat de vordering in reconventie zal worden afgewezen, met veroordeling van Cargorent in de kosten van het geding in reconventie, daaronder begrepen de kosten van het vrijwaringsincident. De rechtbank zal Cargorent ook veroordelen in de proceskosten die Marsh in vrijwaring aan HDI dient te vergoeden, omdat Marsh voldoende belang had bij de oproeping van HDI in vrijwaring.

In de zaak met zaak-/rolnummer 117724 / HA ZA 04-1678

Uit het voorgaande volgt ook dat de vordering in vrijwaring zal worden afgewezen met veroordeling van Marsh in de kosten van het geding in vrijwaring.

De beslissing

de rechtbank

in de procedure met zaak-/rolnummer 107634 / HA ZA 03-2163, in reconventie

wijst de vordering af,

veroordeelt Cargorent in de kosten van het geding in reconventie, tot op heden aan de zijde van Marsh begroot op € 1.860,- wegens verschotten en € 8.452,- voor salaris procureur,

In de zaak met zaak-/rolnummer 117724 / HA ZA 04-1678

wijst de vordering af,

veroordeelt Marsh in de kosten van het geding in vrijwaring, tot op heden aan de zijde van HDI begroot op € 1.860,- wegens verschotten en op € 4.000,- wegens salaris procureur.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.J. de Vries en in het openbaar uitgesproken op woensdag 9 februari 2005.

de griffier de rechter