Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2005:AS8145

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
25-02-2005
Datum publicatie
25-02-2005
Zaaknummer
123339 / KG ZA 05-76
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Detectivebureau heeft in verschillende kranten een perspublicatie doen plaatsen waarin hij een beloning van € 10.000 uitlooft voor degene die kan zeggen waar een advocate, met naam genoemd, werkzaam bij een eveneens bij naam genoemd advocatenkantoor, op een bepaalde datum en tijdstip, gelegen in oktober 2001, zich bevond.

De vraag of deze publicatie jegens de advocaat en/of het advocatenkantoor onrechtmatig is, wordt na een belangenafweging op grond van de in de vaste jurisprudentie geformuleerde maatstaven (NJ 1984, 801, NJ 1995,422), bevestigend beantwoord.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2005, 155
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 123339 / KG ZA 05-76

Datum vonnis: 25 februari 2005

Vonnis

in kort geding

in de zaak van

1. de burgerlijke maatschap

Z,

gevestigd te

2. X,

wonende te

eisers bij dagvaarding van 8 februari 2005,

procureur mr. J.C.N.B. Kaal,

advocaat mr. H. Nieuwenhuizen te Eindhoven,

tegen

Y,

h.o.d.n. D,

wonende te

gedaagde,

advocaat mr. R. Amelink te Laren (Noord Holland).

Partijen worden hierna ook aangeduid als C, X en gezamenlijk als eisers en Y.

Het verloop van de procedure

Eisers hebben Y ter zitting in kort geding doen dagvaarden en gevorderd zoals weergegeven in de dagvaarding.

Y heeft geconcludeerd tot weigering van de gevorderde voorzieningen.

De advocaten van partijen hebben de zaak bepleit overeenkomstig de door hen overgelegde pleitnotities.

Daarbij hebben zij producties in het geding gebracht. Met instemming van Y is na de zitting aan de voorzieningenrechter en aan Y nog een cd-rom gezonden door eisers, waarop twee interviews met Y staan, één op TV en één op de radio.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De vaststaande feiten

1. X is advocaat te en werkzaam bij C.

2. Op ... en ... heeft Y in het Brabants Dagblad, BN De Stem en De Gelderlander een advertentie/oproep geplaatst met de volgende tekst:

Beloning € 10.000,00

Voor degene die kan vertellen waar X, bij kantoor C te is geweest op 4 oktober 2001 tussen 9.00 uur en 12.00 uur.

Alle reacties worden strikt vertrouwelijk behandeld.

Vraag naar de voorwaarden. D.

E

F

3. Naar aanleiding van de advertentie/oproep en de gesprekken van Y met journalisten van het Algemeen Nederlands Persbureau (ANP), het Algemeen Dagblad (AD) en TV Gelderland zijn vervolgens in verschillende kranten (pers)publicaties verschenen.

Het geschil

1. Eisers vorderen - zakelijk weergegeven - dat Y aan de raadsman van eisers opgave zal doen van alle kranten, waarin de advertentie zoals hiervoor onder punt 1 van de feiten is weergegeven of een soortgelijke advertentie is geplaatst, met vermelding van de datum van plaatsing van de advertentie. Voorts vorderen zij dat in alle kranten waarin de gewraakte advertentie is geplaatst een rectificatie zal worden geplaatst. Ten slotte vorderen zij dat Y zal worden veroordeeld zich te onthouden van het plaatsen van enige advertentie, gelijk, gelijksoortig of aanverwant aan de geplaatste advertentie, of zich op enigerlei andere wijze negatief of suggestief uit te laten over eisers of anderszins onrechtmatig jegens hen te handelen, een en ander op straffe van verbeurte van dwangsommen.

2. Eisers stellen dat de door Y geplaatste advertenties zeer suggestief zijn. Het feit dat een grote beloning wordt uitgeloofd en de mededeling dat reacties naar een recherchebureau moeten en vertrouwelijk behandeld zullen worden, wekt de indruk dat er iets zeer ernstigs aan de hand is. Nu deze suggestie geen enkele steun in enig feit vindt zijn de advertenties onnodig grievend en diffamerend en dus onrechtmatig, aldus eisers.

Door zijn publicaties heeft Y X ten onrechte beschuldigd van schending van de belangrijke elementaire beginselen van uitoefening van de advocatuur en schending van de Gedragsregels voor Advocaten 1992, in het bijzonder regel 1, 2 en 4.

X stelt door de advertentie in haar persoonlijke levenssfeer te zijn aangetast. Voorts stellen eisers dat, nu zowel het kantoor C als X te goeder naam en faam bekend staan, de reputatie en de wervende kracht van de advocate en het advocatenkantoor eveneens onherstelbaar aangetast zijn door de publicaties.

3. Y voert gemotiveerd verweer, welk verweer hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

De beoordeling van het geschil

1. Voor de beoordeling van onderhavige zaak doet niet terzake of sprake is van een advertentie - zoals eisers betogen - dan wel van een oproep, zoals Y meent. Voldoende is dat sprake is van publicaties in de pers, hetgeen van de gewraakte - onder punt 2 van de vaststaande feiten weergegeven - publicatie gezegd kan worden.

2. Y betwist dat alle in de pers verschenen publicaties aan zijn mededelingen zijn toe te rekenen. In het bijzonder betwist hij dat de als productie 2 en 4 door eisers overgelegde artikelen uit “de Gelderlander” respectievelijk “Metro” informatie bevatten die aan door hem gedane mededelingen is ontleend. Hij stelt slechts twee journalisten, namelijk één van het AD en één van het ANP te woord te hebben gestaan. Y erkent dat het als productie 3 door eisers overgelegde artikel uit het AD van ... op zichzelf een getrouwe weergave bevat van hetgeen hij de journalist heeft verteld, behoudens ten aanzien van de in dit artikel onder paragraaf 2 vervatte zinsnede “als we ons vermoeden kunnen bewijzen, wacht het advocatenbureau waar zij in dienst is een claim van vele miljoenen euro’s”.

Naast de door hem genoemde journalisten heeft Y klaarblijkelijk ook enkele interviews, waaronder aan TV Gelderland, gegeven, getuige de weergave daarvan op de in het geding gebrachte CD-rom.

3. Tegenover dit gemotiveerde verweer van Y hebben eisers - van wie voorshands moet worden geoordeeld dat op hen de last rust hun stellingen voldoende aannemelijk te maken - niets wezenlijks ingebracht waaruit voorshands kan volgen dat de inhoud van de als producties 2 en 4 overgelegde krantenartikelen zijn gebaseerd op door Y gedane uitlatingen. Hetzelfde geldt voor de door Y bestreden zinsnede uit het in het AD gepubliceerde artikel van .... Dat betekent dat in zoverre de juistheid van de stellingen van eisers in dit kort geding niet voldoende zijn komen vast te staan, zodat de vordering, voor zover deze mede op deze stellingen is gebaseerd, reeds daarom niet kan slagen.

4. Resteert de vraag of reeds de onder 2 van de vaststaande feiten weergegeven perspublicatie zowel tegenover X als tegenover C als onrechtmatig valt aan te merken, al dan niet in samenhang bezien met het als juist erkende deel uit het in het AD gepubliceerde interview met Y en de beide interviews als vastgelegd op de overgelegde CD-rom.

5. Voor de beoordeling van deze vraag, dient ingevolge de in de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad ontwikkelde maatstaven tegenover elkaar te worden afgewogen enerzijds het belang van X en C niet te worden blootgesteld aan lichtvaardige verdachtmakingen in de pers en anderzijds het belang van Y (en zijn niet nader kenbaar gemaakte cliënt) dat niet door een gebrek aan bekendheid bij het grote publiek misstanden die de samenleving raken kunnen blijven voortbestaan, vergelijk HR 24 juni 1983, NJ 1984, 801 en voorts HR 6 januari 1995, NJ 1995,422 en HR 7 maart 1985, NJ 1986, 437.

Welk van deze belangen in een gegeven geval de doorslag behoort te geven, hangt af van de in onderling verband te beschouwen omstandigheden en wel - in een situatie als de onderhavige - in het bijzonder van de volgende:

a. de aard van de gepubliceerde verdenkingen en de ernst van de te verwachten gevolgen voor degene op wie die verdenkingen betrekking hebben;

b. de ernst - bezien vanuit het algemeen belang - van de misstand welke de publicatie aan de kaak beoogt te stellen;

c. de mate waarin ten tijde van de publicatie de verdenkingen steun vonden in het toen beschikbare feitenmateriaal;

d. de inkleding van de verdenkingen, gezien in verhouding tot de onder a t/m c bedoelde factoren;

e. de mate van waarschijnlijkheid dat, ook zonder de verweten publicatie via de pers, in het algemeen belang het nagestreefde doel langs andere, voor de wederpartij minder schadelijke, wegen met een redelijke kans op spoedig succes bereikt had kunnen worden.

6. Met eisers is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat van de gewraakte publicatie - de daarin in het vooruitzicht gestelde beloning van € 10.000,00 in relatie tot de vraag naar de verblijfplaats van de aan het kantoor van C verbonden, met naam en toenaam vermelde advocaat, in samenhang bezien met het artikel in het AD - de suggestie uitgaat dat X in de uitoefening van het beroep van advocaat een belangrijke fout heeft gemaakt, als gevolg waarvan de opdrachtgever van Y in een aanzienlijk belang is getroffen. Dit maakt dat de publicatie bepaald niet slechts als zakelijk, neutraal en kleurloos kan worden bestempeld, zoals Y heeft betoogd. Integendeel, de gekozen bewoordingen (“Beloning € 10.000”, “advocaat bij C” en “reacties worden strikt vertrouwelijk behandeld”) en de impliciete suggestie die daarvan uitgaat zijn minst genomen als verdacht makend tegenover de advocaat en haar kantoor aan te merken en zijn geschikt voor reputatie-aantasting.

7. Een en ander klemt te meer omdat Y geen enkel inzicht heeft willen geven in de beweegredenen die tot het plaatsen van de gewraakte publicatie hebben geleid. Daarmee is in geen enkel opzicht inzichtelijk geworden of hij, dan wel zijn opdrachtgever, een goede reden hadden om de bewuste oproep te publiceren en evenmin of die reden steun vindt in enig feitenmateriaal, laat staan of dat feitenmateriaal van dien aard is dat dit een suggestieve publicatie als onderhavige zou kunnen rechtvaardigen. Het valt bovendien niet in te zien dat niet langs meer gebruikelijke weg informatie had kunnen worden verkregen over de vraag waar X zich bevond op de bewuste datum en tijdstip. Zo is bijvoorbeeld niet gebleken dat is getracht navraag te doen bij C, dan wel dat is gepoogd om via de plaatselijke deken van de orde van advocaten de benodigde informatie te verkrijgen.

8. Het voorgaande voert tot de slotsom dat de gewraakte publicatie een verdachtmaking suggereert aan het adres van X - en daarmee jegens C, het kantoor waaraan zij als advocaat is verbonden - die in geen enkel opzicht steun vindt in enig feit. De publicatie was bovendien onnodig. Enig rechtens te respecteren belang van Y of zijn opdrachtgever bij het plaatsen van een zo verdachtmakende publicatie is niet gebleken, zodat het belang van X en C om van dergelijke verdachtmakingen gevrijwaard te blijven zonder meer prevaleert. De conclusie kan bij deze stand van zaken geen andere zijn dan dat Y met zijn publicatie zowel tegenover X als tegenover C (wier naam uitdrukkelijk is genoemd als het kantoor waar X aan verbonden is) onrechtmatig heeft gehandeld.

9. X en C hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat zij door het onrechtmatig handelen van Y ten onrechte in een kwaad daglicht zijn geplaatst en dat dit niet zal bijdragen aan een juiste beeldvorming over hen bij het publiek dat kennis heeft genomen van de publicatie. Nu dat publiek veelal te vinden zal zijn in het gebied waar X en C werkzaam zijn, wordt voorshands geoordeeld dat X en C voldoende belang hebben bij rectificatie teneinde de aantasting van die beeldvorming zoveel mogelijk ongedaan te kunnen maken, dan wel te kunnen beperken.

10. De gevraagde voorzieningen zullen daarom volledig worden toegewezen op een wijze als hierna vermeld. De gevorderde dwangsom zal daarbij aan een maximum worden verbonden. Als de in het ongelijk gestelde partij zal Y in de kosten van deze procedure worden veroordeeld.

De beslissing

De voorzieningenrechter

1. veroordeelt Y om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis schriftelijk aan de raadsman van eisers opgave te doen van alle kranten, waarin de publicatie, zoals hiervoor onder punt 2 van de feiten is vermeld, of een soortgelijke publicatie, is geplaatst, met vermelding van de datum van de plaatsing van de publicatie,

2. veroordeelt Y om in alle kranten waarin de gewraakte publicatie is geplaatst op de eerste zaterdag na 48 uur na betekening van dit vonnis een publicatie te plaatsen, op dezelfde of een vergelijkbare pagina, van tenminste een even groot formaat als de gewraakte publicatie en met gebruik van hetzelfde lettertype, met de volgende inhoud:

“Rectificatie

Onlangs heb ik in verschillende kranten een publicatie geplaatst, waarin vragen werden gesteld omtrent de verblijfplaats van X, als advocaat verbonden aan C, op 4 oktober 2001 van 9.00 uur tot 12.00 uur.

Met de plaatsing van deze advertentie heb ik ten onrechte de suggestie gewekt dat mevrouw X op die datum op welke wijze dan ook onjuist zou hebben gehandeld, tegenover wie dan ook. Deze suggestie is onjuist. De Voorzieningenrechter van de Rechtbank te Arnhem heeft de plaatsing van de onderhavige rectificatie bij vonnis van 24 februari 2005 bevolen.

E

F

3. veroordeelt Y vanaf de betekening van dit vonnis zich te onthouden van het plaatsen van enige publicatie, gelijk, gelijksoortig of aanverwant aan de geplaatste publicatie, of zich op enigerlei andere wijze negatief of suggestief uit te laten over eisers of anderszins onrechtmatig jegens hen te handelen,

4. veroordeelt Y om ingeval hij na betekening van dit vonnis in gebreke mocht blijven aan bovenstaande veroordelingen te voldoen, aan eisers een dwangsom te betalen van € 5.000,00 per overtreding, met een maximum van € 100.000,00,

5. veroordeelt Y in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van eisers bepaald op € 816,00 voor salaris en op € 329,60 voor verschotten,

6. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

7. weigert het anders of meer gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. van der Pol en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. I.A. van Gemert op 25 februari 2005.

de griffier de rechter