Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2005:AS6287

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
16-02-2005
Datum publicatie
17-02-2005
Zaaknummer
374570/05-8001
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Doorbetaling door werkgever bij WAO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAR 2005, 61
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector kanton

Locatie Wageningen

Zaak-/rolnummer: 374570/05-8001

Uitspraak van: 16 februari 2005

AB/100/AB

Vonnis in kort geding

in de zaak van:

[eiseres]

eisende partij bij dagvaarding d.d. 19 januari 2005,

gemachtigde: mr. H.A. van Es, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand te Amsterdam, (Postbus 2300, 1100 DM);

t e g e n

[gedaagde],

gedaagde partij bij gemelde dagvaarding,

gemachtigde: mr. M.P. van Broeckhuijsen, advocaat te Amsterdam,

(Postbus 75505, 1070 AM).

Partijen worden hierna aangeduid als [eiseres] en [gedaagde].

1. De procedure

1.1. [eiseres] heeft [gedaagde] gedagvaard om op 26 januari 2005 te 13.00 uur ter terechtzitting te verschijnen.

De terechtzitting is op verzoek van partijen verplaatst naar 2 februari 2005 te 13.00 uur.

[eiseres] is ter terechtzitting verschenen. Zij werd bijgestaan door mr. H.A. van Es voornoemd.

[gedaagde] is eveneens verschenen.

Zij werd vertegenwoordigd door M.C. Hoogenboom, die werd bijgestaan door mr. M.P. van Broeckhuijsen voornoemd.

1.2. [eiseres] heeft gevorderd als hierna onder 3.1. weergegeven.

De gemachtigde van [eiseres] heeft de vordering toegelicht.

[gedaagde] heeft tegen de vordering verweer gevoerd, waarbij haar gemachtigde pleitnotities heeft overgelegd.

Beide partijen hebben producties in het geding gebracht.

1.3. Van de mondelinge behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt, die evenals de pleitnotities en de producties bij de processtukken zijn gevoegd.

1.4. De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De voorgeschiedenis

2.1. Aan de genoemde processtukken kan het volgende worden ontleend.

2.2. [eiseres], geboren op 21 juni 1964, is op 1 november 1998 in dienst getreden van (de rechtsvoorganger van) [gedaagde].

[eiseres] bekleedt thans de functie van Medical Advisor Specialist Care.

2.3. Het loon van [eiseres] bedraagt laatstelijk € 4.049,00 bruto per maand te vermeerderen met emolumenten.

2.4. Sinds 3 december 2003 is [eiseres] volledig arbeidsongeschikt.

In het kader van een mogelijke (zeer beperkte) werkhervatting van [eiseres] hebben beide partijen het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: UWV) verzocht de wachttijd voor de WAO met 26 weken te verlengen, welk verzoek op 25 augustus 2004 is gehonoreerd.

2.5. Artikel 11.5 van de personeelsgids van [gedaagde] luidt, voor zover thans van belang, als volgt:

”11.5 Loon tijdens ziekte

Gedurende de eerste 52 weken dat een medewerker ziek of arbeidsongeschikt is en geen recht heeft op een uitkering krachtens de Ziektewet, maakt hij aanspraak op 70% van zijn maandsalaris. [gedaagde] Pharma betaalt gedurende dit eerste jaar 100% van het maandsalaris.

Als de arbeidsongeschiktheid langer dan 52 weken duurt, komt de medewerker in aanmerking voor een WAO-uitekering. Gedurende ten hoogste een jaar vult [gedaagde] Pharma deze uitkering aan tot 100% van het maandsalaris.”

2.6. [gedaagde] heeft het volledige loon van [eiseres] tot en met november 2004 betaald. Vanaf december 2004 heeft [gedaagde] de loonbetaling verlaagd naar 70% van het laatstgenoten salaris van [eiseres].

3. De vordering en het verweer

3.1. [eiseres] vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen tot betaling van het achterstallige salaris over december 2004 ad € 1.197,90 en voorts tot betaling van 100% van haar salaris gedurende de duur van de verlenging van de loondoorbetalingsverplichting, vermeerderd met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging over het achterstallige loon over december 2004. Daarnaast vordert [eiseres] € 272,27 wegens buitengerechtelijke kosten en de veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2. [eiseres] stelt, kort samengevat, dat zij recht heeft op 100% van haar salaris in het tweede ziektejaar, daar zij hierop op basis van artikel 11.5 van de personeelsgids gerechtvaardigd mocht vertrouwen.

Uit dit artikel blijkt dat het beleid van [gedaagde] erop gericht is haar werknemers gedurende de eerste twee ziektejaren 100% van hun salaris te laten behouden. Voorts heeft [gedaagde] zich voor 30 november 2004 niet uitgelaten omtrent een mogelijke aanmerkelijke inkomensdaling van [eiseres]. Het had op de weg van [gedaagde] gelegen [eiseres] op het moment dat aan haar werd voorgesteld de loonbetalingsverplichting te verlengen te informeren omtrent het voornemen om 70% van het (maximum)-maandloon door te betalen gedurende deze verlenging.

3.3. [gedaagde] voert verweer tegen de vordering. Zij voert, kort gezegd, aan dat zij op grond van de wet slechts gehouden is om 70% van het maximummaandloon door te betalen tijdens het tweede ziektejaar.

Geheel onverplicht betaalt [gedaagde] vanaf 1 december 2004 niet 70% van het maximummaandloon, maar 70% van het laatstgenoten maandsalaris aan [eiseres].

4. De beoordeling van het geschil

4.1. Voorop wordt gesteld dat de kantonrechter, oordelend in kort geding, een inschatting dient te maken van hoe zij in een eventuele bodemprocedure op het geschil zal beslissen. De vordering kan slechts worden toegewezen, indien met een redelijke mate van zekerheid kan worden aangenomen dat een dienovereenkomstige vordering in een bodemprocedure zal worden toegewezen.

4.2. In dit geding dient de vraag beantwoord te worden of voorshands aannemelijk is dat [gedaagde] gehouden is, ook na het verstrijken van de periode van 52 weken waarin zij in aanvulling op de wettelijke doorbetalingsverplichting aan [eiseres] 100% van haar salaris heeft doorbetaald, voor de duur van de periode waarin de wachttijd voor de WAO is verlengd en een loondoorbetalings-verplichting geldt het salaris van [eiseres] (opnieuw) aan te vullen tot 100%.

Naar het oordeel van de kantonrechter moet deze vraag ontkennend worden beantwoord. Artikel 7:629 lid 1 BW - in combinatie met artikel 7:629 lid 11 sub b BW - legt op [gedaagde] uitsluitend de verplichting om [eiseres] gedurende de verlenging van de wachttijd voor de WAO 70% van het maximummaandloon door te betalen, aan welke verplichting [gedaagde] ruimschoots heeft voldaan. [gedaagde] betaalt immers zelfs 70% van het laatstgenoten maandsalaris.

Artikel 11.5 van de personeelsgids regelt niet de onderhavige situatie waarin de wachttijd voor de WAO is verlengd, nadat er 52 weken van arbeidsongeschiktheid zijn verstreken en de arbeidsongeschiktheid nog voortduurt. Het artikel regelt uitsluitend het geval dat [eiseres] na bedoelde 52 weken in aanmerking zou zijn gekomen voor een WAO-uitkering. Alleen in dat geval dient [gedaagde] gedurende ten hoogste een jaar deze uitkering aan te vullen tot 100% van het maandsalaris. Aldus moet worden geconcludeerd dat [eiseres] aan genoemd artikel 11.5 niet het gerechtvaardigd vertrouwen heeft mogen ontlenen dat [gedaagde] haar salaris vanaf 1 december 2004 tot 100% zou aanvullen. Een beleid als bedoeld door [eiseres] kan evenmin worden aangenomen op grond van dit artikel.

Voorts moet [eiseres] met ondertekening van het formulier, waarin partijen verzoeken de wachttijd voor de WAO te verlengen, voorshands geacht worden te hebben ingestemd met een loondoorbetalingsplicht van [gedaagde] op grond van het Burgerlijk Wetboek, inhoudende dat 70% van het maximum-maandloon wordt betaald. Bij de vraag op het desbetreffende formulier of voor [gedaagde] een dergelijke loondoorbetalingsplicht geldt, is immers in het daartoe bestemde vakje het antwoord “ja” aangekruist. Dat [eiseres], zoals door haar betoogd, de gevolgen van een en ander niet heeft overzien, dient - naar het voorlopige oordeel van de kantonrechter - voor haar risico te blijven.

Met betaling van 70% van het (maximum)maandloon gedurende de verlengde wachttijd voor de WAO voldoet [gedaagde] aan haar wettelijke verplichting. Voorshands valt niet in te zien dat op [gedaagde] de plicht rustte [eiseres] daaromtrent te informeren.

4.3. Gelet op hetgeen hiervoor in 4.2. is overwogen acht de kantonrechter de kans groot dat een vordering als de onderhavige in een eventueel aanhangig te maken of reeds aanhangig gemaakte bodemprocedure niet zal worden toegewezen. Aldus zal de vordering tot betaling van 100% van het loon moeten worden afgewezen. De vordering tot betaling van buitengerechtelijke kosten zal om die reden ook worden afgewezen.

4.4. Hetgeen partijen voor het overige in de stukken en tijdens de mondelinge behandeling naar voren hebben gebracht kan op grond van het voorgaande buiten bespreking blijven.

4.5. [eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

5. De beslissing

De kantonrechter,

recht doende in kort geding,

5.1. wijst af de vordering;

5.2. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] begroot op een bedrag van € 180,00 wegens salaris gemachtigde;

5.3. verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.G. Broek-de Stigter, kantonrechter-plaatsvervanger, en uitgesproken ter zitting van woensdag 16 februari 2005 in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier, De kantonrechter,