Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2005:AS6086

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
19-01-2005
Datum publicatie
15-02-2005
Zaaknummer
115596
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het geschil spitst zich toe op de vraag of er schade is toegebracht aan eigendommen van Van der Horst en zo ja, of Van der Horst Nuon daarvoor aansprakelijk kan stellen op grond van artikel 6:171 BW. In dat kader is van belang dat Nuon heeft gesteld dat de werkzaamheden waarbij de schade zou zijn veroorzaakt niet door haarzelf zijn uitgevoerd, maar door Aannemingsbedrijf betrokkene 2 B.V. en combinatie betrokkene 3-LBU V.O.F., welke stelling door Van der Horst niet gemotiveerd is betwist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 115596 / HA ZA 04-1258

Datum vonnis: 19 januari 2005

Vonnis

in de zaak van

de naamloze vennootschap

VAN DER HORST BETONBOUW N.V.,

gevestigd te Heeswijk Dinther, gemeente Bernheze,

eiseres,

procureur mr. J.M. Bosnak,

advocaat mr. J.W.J. Hijnen te Haarlem,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

NUON INFRASERVICES B.V.,

gevestigd te Arnhem,

gedaagde,

procureur mr. F.J. Boom,

advocaat mr. K.M. Kole te Arnhem.

Partijen zullen in dit vonnis worden aangeduid als Van der Horst en Nuon.

Het verloop van de procedure

Voor het verloop van de procedure tot het tussenvonnis van 6 oktober 2004 wordt naar dat vonnis verwezen. Ter uitvoering van dit tussenvonnis is een comparitie van partijen gehouden. Het proces-verbaal daarvan bevindt zich bij de stukken. Ten slotte is vonnis bepaald.

De vaststaande feiten

1.1 Van der Horst heeft in de maand februari 2002 in de uitoefening van haar bedrijf (aannemen en uitvoeren van weg- en waterbouwkundige werken) werkzaamheden verricht in het kader van de aanleg van de Calatravabruggen in de Haarlemmermeer. Deze werkzaamheden vonden plaats aan de Toolenburgbrug aan de Hoofdweg te Hoofddorp.

1.2 In dezelfde periode en op dezelfde locatie als onder 1.1 genoemd zijn herstelwerkzaamheden verricht aan een beschadigde elektriciteitskabel. Ook zijn ter plaatse meerdere elektriciteitskabels omgelegd.

1.3 Van der Horst heeft een brief gestuurd aan Nuon, gedateerd 13 maart 2002. De inhoud van deze brief luidt, voor zover van belang, als volgt:

“Verder willen wij bij u onder de aandacht brengen dat er door bedrijven die voor de NUON werken verscheidene schades worden/zijn aangericht op het werk te Hoofddorp, zoals daar zijn:

? Meetpunten verstoord; hoofdasuitzetting weggegraven; meetploeg dag bezig geweest om dit te herstellen.

? Stelconplaten beschadigd door er met een rupskraan ove (bedoeld zal zijn: over, rb) heen te rijden.

? Zakbakens beschadigd en verstoord, totaal 8 stuks ten behoeve van ophoging.

? Zand weggehaald +/- 250 m3 uit grondlichaam t.p.v. zandophoging.

Mocht er van uw kant nog behoefte zijn om uw claim voort te zetten, dan behouden wij ons het recht voor om bij u te claimen, waardoor er waarschijnlijk een budgetneutrale oplossing uit voortvloeit.”

1.4 In een brief van Van der Horst aan Nuon, gedateerd 25 maart 2002 schrijft Van der Horst onder andere:

“Vervolgens stellen wij u aansprakelijk voor de gemaakte schades op het werk, zowel aan de Oostzijde als aan de Westzijde van de Hoofdvaart.

Deze schades gaan wij niet verhalen op de voor u werkende onderaannemers; wij stellen u daarvoor aansprakelijk en laten deze derhalve niet buiten beschouwing.”

1.5 In een brief van Van der Horst aan Nuon, gedateerd 25 februari 2003 schrijft Van der Horst het volgende:

“Naar aanleiding van door u verrichte werkzaamheden op ons werkterrein en de schades die daaruit voortgevloeid zijn, stellen wij u hierbij aansprakelijk voor de gemaakte schades die gemeld zijn in een brief van 13-03-2002 gericht aan [betrokkene] afdeling NUON infra uitvoering te Haarlem.”

1.6 Ter comparitie heeft de directeur van Van der Horst het volgende verklaard:

“Ik heb alleen maar gesproken destijds met medewerkers van Nuon Infraservices. Dat ging toen o.a. over de ligging van de kabels. Kort gezegd de coördinatie van de werkzaamheden. Met [betrokkene 2] en [betrokkene 3] heb ik over deze kwestie nooit contact gehad. Ik heb ook niet opgemerkt dat personeel of materieel van deze bedrijven op het werk aanwezig was. Voor mij waren het allemaal medewerkers van Nuon. Er stonden ook elke morgen 10 tot 12 bussen van Nuon.”

1.7 Door Van der Horst is een uittreksel- informatie Internet overgelegd van de Kamer van Koophandel, waarin gegevens uit het handelsregister zijn opgenomen die betrekking hebben op Nuon. In dit uittreksel staat bij de bedrijfsomschrijving het volgende:

“Het aanbieden aan derden en aan vennootschappen behorende tot de Nuon-groep, van dienstverlening op het terrein van kabel- en leidingnetwerken met toebehoren.”

1.8 In een brief van 22 juni 2004 schrijft Nuon met betrekking tot de schadeclaim van Van der Horst het volgende:

“Het enige verband wat bij ons bekend is, is dat uw cliënt op 5 februari 2002 een 10 kV kabel van ons bedrijf heeft beschadigd tijdens werkzaamheden t.b.v. de bouw van een viaduct op genoemde locatie. (...)

Volgens de gegevens die ons ter beschikking staan hebben onze monteurs de storing zo doelmatig en snel mogelijk hersteld. Hierbij is uiteraard graafwerk verricht en heeft men gebruik gemaakt van de aanwezige stelconplaten teneinde de schadelocatie te bereiken. Dat enkele meetpunten zijn verdwenen is gezien het spoedeisende karakter van de storing (een groot deel van onze klanten was verstoken van energielevering) inherent aan de herstelwerkzaamheden.

Zand is door ons niet verwijderd. Er is wel graafwerk verricht doch het verwijderde zand is na herstel logischerwijs weer teruggestort in de gegraven geul.”

Het geschil

2 Van der Horst vordert primair dat Nuon wordt veroordeeld om aan haar te voldoen de somma van € 13.301,37, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 juni 2004 tot aan de dag der algehele voldoening. Het bedrag van € 13.301,37 bestaat uit de hoofdsom inclusief BTW ten bedrage van € 10.264,98, buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 1.539,75 en vertragingsrente tot en met 11 juni 2004 ten bedrage van € 1.496,64. Subsidiair vordert Van der Horst dat Nuon wordt veroordeeld om aan haar te voldoen de somma van € 10.264,98, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop Nuon in verzuim geraakte (13 maart 2002) tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten ex artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek (BW), in redelijkheid te stellen op een bedrag ad € 1.539,75, althans op een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie zal vernemen te behoren. Voorts vordert Van der Horst dat Nuon wordt veroordeeld in de kosten van de procedure.

3. Van der Horst heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat werknemers van Nuon schade hebben veroorzaakt aan eigendommen van Van der Horst, terwijl zij bezig waren met het omleggen van elektriciteitskabels. Van der Horst heeft gesteld dat Nuon aldus onrechtmatig heeft gehandeld jegens Van der Horst en dat dit onrechtmatig handelen aan Nuon is toe te rekenen. De schade is door Van der Horst onderverdeeld in onder meer de volgende posten:

? vernieling van 8 stelconplaten, doordat daar met een rupskraan overheen is gereden;

? het verstoren van meetpunten, waardoor deze opnieuw moesten worden uitgezet ;

? het verstoren dan wel vernielen van 8 zakbakens, waardoor er zakbakens opnieuw moesten worden ingemeten;

? het wegnemen van zand dat aan Van der Horst in eigendom toebehoorde.

Van der Horst heeft daarnaast administratie- en behandelingskosten en “algemene kosten winst en risico” als schadeposten opgevoerd.

4. Nuon heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Daarop zal, voor zover van belang, hierna worden ingegaan.

De beoordeling van het geschil

5. Het geschil spitst zich toe op de vraag of er schade is toegebracht aan eigendommen van Van der Horst en zo ja, of Van der Horst Nuon daarvoor aansprakelijk kan stellen op grond van artikel 6:171 BW. In dat kader is van belang dat Nuon heeft gesteld dat de werkzaamheden waarbij de schade zou zijn veroorzaakt niet door haarzelf zijn uitgevoerd, maar door Aannemingsbedrijf [betrokkene 1] B.V. (hierna te noemen “[betrokkene 2]”) en Combinatie [betrokkene 3]-LBU V.O.F. (hierna te noemen “[betrokkene 3]”), welke stelling door Van der Horst niet gemotiveerd is betwist.

6. Tussen partijen is niet in geschil dat de schade zoals gevorderd door Van der Horst is toegebracht bij het omleggen van meerdere in de ondergrond achtergebleven kabels. Uit de stukken blijkt dat er ook werkzaamheden zijn verricht in verband met het herstel van een beschadigde elektriciteitskabel. Gesteld noch gebleken is dat deze werkzaamheden gelijktijdig hebben plaatsgevonden. De brief van 22 juni 2004 (zie 1.8) heeft slechts betrekking op de herstelwerkzaamheden aan de beschadigde elektriciteitskabel. Deze brief kan daarom, anders dan door Van der Horst is betoogd, niet bijdragen aan het bewijs van het bestaan van de schade. De bewijslast terzake rust op Van der Horst. De rechtbank zal haar daarom bewijs opdragen van haar stellingen op dit punt.

7. Nuon heeft op een tweetal punten verweer gevoerd tegen de omvang van de schade, namelijk terzake van de administratiekosten en de algemene kosten winst & risico. Ten aanzien van de gevorderde administratiekosten geldt dat deze kosten geacht kunnen worden te zijn begrepen in het forfaitaire bedrag tot een beloop van twee punten van het toepasselijke liquidatietarief ter zake van buitengerechtelijke kosten. Dit deel van de vordering wordt reeds daarom afgewezen. Ten aanzien van de algemene kosten winst & risico geldt dat deze door Van der Horst onvoldoende zijn onderbouwd, zodat de vordering ook op dit punt moet worden afgewezen.

8. Met betrekking tot de aansprakelijkheid voor de geclaimde schade overweegt de rechtbank het volgende. Artikel 6:171 moet restrictief worden opgevat, zoals door de Hoge Raad is bepaald in zijn arrest van 21 december 2001, NJ 2002/75 (Energie Delfland NV – De Stoeterij De Kraal). Alleen als de zelfstandige hulppersoon deelneemt aan het bedrijf van de opdrachtgever, zodanig dat voor derden de zelfstandigheid van de opdrachtnemer wegvalt, althans niet duidelijk kenbaar is, resteert de mogelijkheid van toepassing van artikel 6:171 BW.

9. In het onderhavige geval volgt uit de bedrijfsomschrijving van Nuon zoals weergegeven onder 1.7 dat [betrokkene 2] en [betrokkene 3] bij het uitvoeren van hun werkzaamheden hebben deelgenomen aan de bedrijfsuitoefening van Nuon. Ook de volledige bedrijfsnaam van Nuon, Nuon Infraservices B.V., wijst erop dat graaf- en grondwerkzaamheden tot de bedrijfsvoering behoren. Daaraan doet niet af dat Nuon naar haar zeggen juist graafwerkzaamheden op grotere schaal gebruikelijk door onderaannemers laat uitvoeren.

10. Voor een geslaagd beroep op artikel 6:171 BW dient echter eveneens vast te staan dat voor Van der Horst niet te onderkennen was dat de schade te wijten was aan een fout van [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3]. Dit volgt uit de restrictieve uitleg door de Hoge Raad van artikel 6:171 BW zoals weergegeven onder 8. alsmede uit de wetsgeschiedenis, waaruit kan worden afgeleid dat de wetgever ervan is uitgegaan dat in een situatie waarin voor derden aanstonds kenbaar is dat de werkzaamheden door een zelfstandige derde worden uitgevoerd, niet licht aan de voorwaarden van artikel 6:171 zal zijn voldaan.

11. De verklaring van Van der Horst ter comparitie is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om als vaststaand aan te nemen dat voor Van der Horst niet te onderkennen was dat de schade werd veroorzaakt door een zelfstandig werkende derde. Dit geldt temeer nu uit de brieven van Van der Horst gedateerd op respectievelijk 13 en 25 maart 2002 aanwijzingen voor het tegendeel te vinden zijn, namelijk dat Van der Horst wist dat de schade was veroorzaakt door voor Nuon werkende onderaannemers. Verder heeft Nuon gesteld dat [betrokkene 3] en [betrokkene 2] destijds op het werk eigen logo's voerden en dat [betrokkene 3] en [betrokkene 2] werkten met eigen graafmachines zodat er geen misverstand over kon bestaan door wie eventueel schade werd veroorzaakt.

10. Op Van der Horst rust de bewijslast van de door haar gestelde omstandigheid dat voor haar niet te onderkennen was dat de schade is veroorzaakt door [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3]. Van der Horst zal daarom door de rechtbank in de gelegenheid worden gesteld om haar stelling ook op dit punt te bewijzen.

11. Voor het geval Van der Horst niet slaagt in het haar opgedragen bewijs stelt de rechtbank vast dat de vordering dan voor afwijzing gereed ligt. Mocht Van der Horst daarentegen wel volledig slagen in haar bewijslevering, dan is de vordering voor wat betreft de hoofdsom toewijsbaar met inachtneming van het onder 7. overwogene. Ten aanzien van de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 1.539,75, welke door Nuon zijn betwist, overweegt de rechtbank dat dit bedrag berust op een forfaitair incassotarief. Dat is niet de juiste maatstaf. Omdat op zichzelf wel aannemelijk is dat Van der Horst daadwerkelijk buitengerechtelijke activiteiten heeft (laten) verricht(en) zal de rechtbank de vordering overeenkomstig de inhoud van het rapport Voorwerk matigen tot een bedrag gelijk aan twee punten van het toepasselijke liquidatietarief.

12. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden. Hoger beroep van dit vonnis is slechts mogelijk tegelijk met dat van het eindvonnis.

De beslissing

De rechtbank

draagt Van der Horst op feiten en omstandigheden te bewijzen

? dat bij het omleggen van elektriciteitskabels schade is veroorzaakt aan haar eigendommen;

? dat voor haar niet te onderkennen was dat [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] deze schade hebben veroorzaakt;

bepaalt dat, voor zover Van der Horst dit bewijs door middel van getuigen wil leveren, de getui-gen door de rechtbank (mr. I.W.M. Laurijssens) gehoord zullen worden in het Paleis van Justitie aan de Walburg-straat 2-4 te Arnhem op een door de recht-bank vast te stellen datum en tijd,

verwijst de zaak naar de tweede rolzitting na de dag- waarop dit vonnis is uitge-sproken voor het opgeven van eventuele getuigen met hun respectieve verhin-derdagen, alsmede de verhinderdagen van de partijen en hun advoca-ten in de maanden februari 2005 tot en met april 2005, waarna dag en uur van het getui-genver-hoor zullen worden bepaald,

bepaalt dat het aan de hand van de gedane opgave(n) vastgestelde tijdstip in beginsel niet zal worden gewij-zigd,

verstaat dat bij gebreke van de gevraagde opgave van getuigen geen gelegen-heid meer zal worden gegeven voor het doen horen van getuigen,

verwijst in dat geval de zaak naar de zesde rolzitting na de dag waarop dit vonnis is uitgespro-ken, voor het nemen van een conclusie na niet gehouden getuigenverhoor aan de zijde van Van der Horst, waarbij deze desgewenst ook het bewijs schriftelijk kan leveren, of voor bepaling datum vonnis,

bepaalt dat de partijen bij de getuigenverhoren aanwezig zullen zijn,

bepaalt voorts dat de partijen, vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte is en hetzij rechtens hetzij op grond -van een bijzondere schriftelijk volmacht bevoegd is tot het geven van inlichtingen en tot het aangaan van een schikking, indien daartoe naar het oordeel van de rechter(-commissaris) aanleiding bestaat,- tijdens en/of na de getuigenverhoren voor de genoemde rechter zullen verschijnen om aan deze inlichtingen over de zaak te geven en deze te laten onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden,

bepaalt dat voorzover de partijen in verband met de getuigenverhoren nog stukken in het geding willen brengen, dit dient te geschieden bij akte op de hiervoor bedoelde tweede rolzitting na de dag waarop dit vonnis is uitgesproken,

verstaat dat hoger beroep van dit vonnis alleen mogelijk is tegelijk met dat van het eindvonnis,

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.W.M. Laurijssens en uitge-spro-ken in het openbaar op 19 januari 2005.

de griffier de rechter