Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2005:AS6042

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
19-01-2005
Datum publicatie
15-02-2005
Zaaknummer
109484
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overdracht naar Frans recht.

Koop/verkoop naar Frans recht heeft ingevolge artikel 1583 Cc een “nature translative de la propriété”: met de enkele overeenkomst (de “promesse de vente”) gaat de eigendom over. In beginsel gaat de eigendom of het goederenrechtelijke recht op de verkrijger over op het moment waarop de overeenkomst, uit hoofde waarvan de verplichting tot levering ontstaat, wordt gesloten. De partijen hebben evenwel de vrijheid af te wijken van de regel dat de eigendom onmiddellijk overgaat. Zo is een uitzondering mogelijk in die zin, dat de partijen een zogenaamde voorovereenkomst sluiten (een “simple avant-contrat autonome”), waarin zij alleen de essentiële elementen van de voorgenomen verkoop vastleggen zonder dat daarbij de eigendom overgaat. De definitieve koop/verkoop en de eigendomsoverdracht wordt in dat geval verschoven, in het algemeen naar het moment waarop een notariële akte van koop/verkoop wordt opgemaakt en ondertekend (nr. 360 “contracts préparatoires”, editie Francis Lefebvre).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 109484 / HA ZA 04-219

Datum vonnis: 19 januari 2005

Vonnis

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur mr. L.G.U. Compri te Nijmegen,

tegen

1. [gedaagde 1],

2. [gedaagde 2],

beiden wonende te [woonplaats],

gedaagden,

procureur mr. H. van Ravenhorst,

advocaat mr. P.J.A. Plattel,

beiden te Arnhem.

Het verloop van de procedure

Voor het verloop van de procedure tot het tussenvonnis van 11 augustus 2004 wordt naar dat vonnis verwezen. Daarna zijn nog de volgende processtukken gewisseld:

* een conclusie na tussenvonnis van de zijde van [gedaagde] met drie producties,

* een conclusie na tussenvonnis van de zijde van [eiser].

Vervolgens is vonnis bepaald.

De verdere beoordeling van het geschil

1. In het tussenvonnis was [gedaagde] de gelegenheid gegeven zijn standpunt - dat naar Frans recht de overeenkomst van 30 november 2000 slechts voorlopig is en dat de overeenkomst pas rechtsgeldig wordt op het moment dat die in een notariële akte wordt vastgelegd en dat de tekst van die akte dan - behoudens anders luidend beding - de rechtsverhouding van de partijen weergeeft - nader te onderbouwen. Ter voldoening daaraan heeft [gedaagde] overgelegd een brief met bijlagen van 27 augustus 2004 van advocatenkantoor Salans te Parijs, ondertekend door J. Luchtenberg en Ph. Joly, beiden Avocat à la Cour.

2. Vooropgesteld moet worden dat koop/verkoop naar Frans recht ingevolge artikel 1583 Cc een “nature translative de la propriété” heeft: met de enkele overeenkomst (de “promesse de vente”) gaat de eigendom over. In beginsel gaat de eigendom of het goederenrechtelijke recht op de verkrijger over op het moment waarop de overeenkomst, uit hoofde waarvan de verplichting tot levering ontstaat, wordt gesloten. De partijen hebben evenwel de vrijheid af te wijken van de regel dat de eigendom onmiddellijk overgaat. Zo is een uitzondering mogelijk in die zin, dat de partijen een zogenaamde voorovereenkomst sluiten (een “simple avant-contrat autonome”), waarin zij alleen de essentiële elementen van de voorgenomen verkoop vastleggen zonder dat daarbij de eigendom overgaat. De definitieve koop/verkoop en de eigendomsoverdracht wordt in dat geval verschoven, in het algemeen naar het moment waarop een notariële akte van koop/verkoop wordt opgemaakt en ondertekend (nr. 360 “contracts préparatoires”, editie Francis Lefebvre).

3. Het - bij conclusie na tussenvonnis - door [gedaagde] tevens ingenomen standpunt dat naar Frans recht een notariële akte (altijd) prevaleert boven een eerder gesloten (onderhandse) overeenkomst kan, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, niet worden aanvaard. Dat is wel het geval als de partijen een voorovereenkomst met elkaar hebben gesloten die wordt gevolgd door een notariële akte waarin de definitieve koopovereenkomst is vastgelegd. De vraag is dus allereerst of de tussen de partijen op 30 november 2000 gesloten overeenkomst, die schriftelijk is vastgelegd op 7 december 2000, een voorovereenkomst is. Volgens [gedaagde] is dat het geval. [eiser] heeft dat betwist. Voor het antwoord op die vraag zijn de volgende omstandigheden van belang.

4. Uit de tekst van de artikelen 3 en 4 van de overeenkomst van 7 december 2000 moet worden afgeleid dat de partijen de overdracht van de onroerende zaak in afwijking van de in artikel 1583 Cc neergelegde hoofdregel niet onmiddellijk hebben willen bewerkstelligen, maar afhankelijk hebben gesteld van een nadere handeling. Dat wijst erop dat deze overeenkomst moet worden beschouwd als een voorovereenkomst zoals in rechtsoverweging 2 is bedoeld. Een (sterke) aanwijzing in die richting is voorts dat uit de tekst van de nadien opgemaakte notariële akte van 18 december 2001 niet volgt dat die slechts is opgemaakt met het oog op de inschrijving van de uit een eerdere overeenkomst voortvloeiende overdracht van de onroerende zaak (naar Frans recht verplicht en vereist om de overdracht derdenwerking te laten hebben). In die akte wordt immers niet verwezen naar de eerdere overeenkomst van 30 november 2000 en/of 7 december 200 en evenmin is daarin neergelegd dat op grond van een eerdere overeenkomst de overdracht heeft plaatsgevonden. Integendeel, de partijen verklaren daarin dat zij “par ces présentes” overgaan tot koop/verkoop van het chalet (in de akte nader kadastraal aangeduid) tegen de daar genoemde prijs.

5. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen moet worden aangenomen dat de partijen op 30 november 2000 met betrekking tot het chalet en de parkeerplaats een voorovereenkomst met elkaar hebben gesloten. Anders dan [gedaagde] menen is het echter niet zo dat het sluiten van een dergelijke overeenkomst tot niets verplicht. Een voorovereenkomst verplicht in beginsel tot het sluiten van een (definitieve) overeenkomst die leidt tot eigendomsoverdracht. Komt een dergelijke overeenkomst niet tot stand dan kan de nalatige partij niet worden gedwongen de (definitieve) koopovereenkomst alsnog aan te gaan, maar kan wel schadevergoeding van deze partij worden gevorderd (nr. 365 “contracts préparatoires”, editie Francis Lefebvre).

6. Uit de tussen [eiser] en [gedaagde] c.s. gesloten voorovereenkomst vloeide voor [gedaagde] dus de verplichting voort om een definitieve koopovereenkomst met [eiser] te sluiten die leidde tot de eigendomsoverdracht van het chalet en de parkeerplaats tegen een koopsom van Ffr 1.733.879,-- (inclusief omzetbelasting en exclusief inventaris). Wat betreft het chalet hebben [gedaagde] aan die verplichting voldaan, maar wat betreft de parkeerplaats is wilsovereenstemming tussen de partijen niet tot stand gekomen (in de voormelde notariële akte wordt de parkeerplaats immers niet genoemd). In zoverre hebben [gedaagde] dan ook niet aan hun verplichting uit de voorovereenkomst voldaan. Niet kan worden aangenomen dat deze verplichting van [gedaagde] is komen te vervallen door het sluiten van de (definitieve) koopovereenkomst met betrekking tot het chalet. In die overeenkomst valt niet met zoveel woorden te lezen dat de partijen daarmee hun gehele - in de voorovereenkomst neergelegde - rechtsverhouding opnieuw hebben willen vastleggen. In de akte wordt, zoals al overwogen, ook niet verwezen naar de voorovereenkomst. Dat er ten tijde van het opmaken van de notariële akte problemen waren met betrekking tot de bouw of levering van de parkeerplaats is onvoldoende voor een ander oordeel. In dat verband moet erop worden gewezen dat het eventuele feit dat de parkeerplaats niet door de projectontwikkelaar aan [gedaagde] is geleverd, [gedaagde] niet ontslaat van de verplichting een parkeerplaats aan [eiser] te leveren, ook niet indien [eiser] ervan op de hoogte was dat de wederpartij van [gedaagde] geen parkeerplaats zou leveren. Voor het overige hebben [gedaagde] geen feiten of omstandigheden gesteld die, indien bewezen, tot een ander oordeel zouden kunnen leiden. Voor een bewijsopdracht op dit punt is daarom geen plaats.

7. De conclusie is dat [gedaagde] met betrekking tot de parkeerplaats niet aan hun verplichting uit de voorovereenkomst hebben voldaan. Zij zijn dan ook gehouden de als gevolg daarvan door [eiser] geleden schade te vergoeden. Anders dan [gedaagde] menen kan [eiser] de daarop gerichte vordering alleen instellen. De voorovereenkomst met betrekking tot de parkeerplaats is immers alleen met [eiser] gesloten en niet tevens met diens echtgenote.

8. Voor de bepaling van de hoogte van de schade is het volgende van belang. Zoals hiervoor is overwogen rustte op [gedaagde] de verplichting aan [eiser] te verkopen en in eigendom over te dragen het chalet en de parkeerplaats voor een bedrag van Ffr 1.733.879,--. Vast staat dat [eiser] dat bedrag op 20 december 2002 aan [gedaagde] heeft betaald en dat hij alleen het chalet in eigendom heeft verkregen. Over de waarde van de parkeerplaats heeft [eiser] onweersproken gesteld dat [gedaagde] deze zelf destijds hebben gekocht voor een bedrag van (omgerekend)

€ 11.293,31, zodat de waarde van de parkeerplaats op dat bedrag kan worden gesteld. De door [eiser] (primair) gevorderde schadevergoeding kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de onweersproken dag van ingang, 20 december 2002. Ook de gevorderde buitengerechtelijke kosten kunnen als onweersproken worden toegewezen.

9. De door [eiser] gevorderde ontbinding van de koopovereenkomst wat betreft de parkeerplaats moet worden afgewezen, reeds omdat uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de partijen daarover geen (definitieve) koopovereenkomst hebben gesloten.

10. Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij zullen [gedaagde] in de kosten van de procedure worden veroordeeld.

De beslissing

De rechtbank

veroordeelt [gedaagde] hoofdelijk, met dien verstande dat indien en voor zover de een betaalt, ook de ander daardoor zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen een bedrag van

€ 11.293,31, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 20 december 2002 tot aan de dag der algehele voldoening en vermeerderd met de buitengerechtelijke kosten ad € 785,40,

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser] bepaald op € 1.130,-- voor salaris en op € 374,78 wegens verschotten,

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.B. Boonekamp en uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2005.

de griffier: de rechter: