Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2005:AS5711

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
10-02-2005
Datum publicatie
10-02-2005
Zaaknummer
05/090190-02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het betreft hier een welbewust uitgevoerde fraude, waarbij door ondernemingen, waaraan verdachte (met een ander) feitelijke leiding gaf, diverse keren goederen zijn gekocht zonder dat deze (volledig) werden betaald. Daarnaast heeft verdachte zich tezamen met een ander als bestuurder schuldig gemaakt aan bedrieglijke bankbreuk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector strafrecht

Meervoudige Kamer

Parketnummer : 05/090190-02

Datum zitting : 20 november 2003 en 27 januari 2005

Datum uitspraak : 10 februari 2005

VERKORT VONNIS

VERSTEK

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats].

Raadsman: mr. J.B. Boone, advocaat te Wijk bij Duurstede.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

[BV 1] en/of [BV 2] en/of de [BV 3].

en/of [BV 4] en/of [BV 5], op één of meer tijdstippen, in of

omstreeks de periode van 1 augustus 1998 tot en met 14 juli 1999, in elk geval

in of omstreeks de periode van 1 augustus 1998 tot en met 14 april 1999,

te Nijmegen en/of Ede en/of Westervoort, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, onder de

bedrijfsnaam [BV 1] en/of [BV 2] en/of de [BV 3] en/of [BV 4] en/of [BV 5],

een beroep of een gewoonte makende van het kopen van goederen, te weten (onder meer) koffie en/of thee en/of groenten en/of fruit en/of verpakkingsmateriaal, met het oogmerk om zonder volledige betaling zich en/of (een) ander(en) de beschikking over die goederen te verzekeren, telkens met voormeld oogmerk goederen hebben/ heeft gekocht van (onder andere) na te noemen bedrijven:

-[slachtoffer 1], te [woonplaats] (Duitsland), ter waarde van (Euro) 77.871,42 (fl. 171.606,02) (pvb 00-002380 - AH-21);

en/of

-[slachtoffer 2], te [woonplaats], ter waarde van (Euro) 33.887,71 (fl. 74.678,68) (pvb 00-002380 - G-5);

en/of

- [slachtoffer 3], te [woonplaats], ter waarde van (Euro) 62.318,20 (fl. 137.331,23) (pvb 00-002380 - G-6);

en/of

- [slachtoffer 4], te [woonplaats], ter waarde van (Euro) 49.412,24 (fl. 108.890,25) (pvb-00-002380- G-9);

en/of

- [slachtoffer 5]., te [woonplaats], ter waarde van (Euro) 97.329,09 (fl. 214.485,09) (pvb 00-002380 - G-11);

en/of

- [slachtoffer 6], te [woonplaats], ter waarde van (Euro) 84.419,00 (fl. 186.034,99)(pvb 00-002380- G-14);

en/of

- [slachtoffer 7] te [woonplaats] (België), ter waarde van (Euro) 56.320,97

(fl. 124.115,09)(pvb 00-002380- G-22);

en/of

- [slachtoffer 8], te [woonplaats] (België), ter waarde van

(Euro) 27.609,07 (fl. 60.842,39)(pvb 00-002380- G-23);

en/of

- [slachtoffer 9]., te [woonplaats] (België), ter waarde van

(Euro) 41.587,74 (fl. 91.647,31)(pvb 00-002380 - G-24);

terwijl hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen, tot dat/die feit(en) opdracht heeft gegeven, althans feitelijk leiding heeft gegeven aan die verboden gedraging(en);

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 1999

tot en met 23 juni 1999, in elk geval in of omstreeks de periode van 1 januari

1999 tot en met 14 april 1999, te Nijmegen en/of Ede en/of Westervoort en/of Rotterdam, in elk geval in Nederland, als bestuurder van een rechtspersoon, te weten [BV 5], welke, rechtspersoon bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Arnhem d.d. 23 juni 1999 in staat van faillissement is verklaard, (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) ter bedriegelijke verkorting van de rechten der schuldeisers van genoemde rechtspersoon niet heeft voldaan aan de op hem rustende verplichting ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 10, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en/of artikel 15a, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek en/of

het bewaren en/of te voorschijn brengen van boeken, bescheiden en andere

gegevensdragers in die artikelen bedoeld, immers was de adminstratie van [BV 5] niet bijgehouden en/of bijgewerkt tot de faillissementsdatum,

en/of was de administratie van [BV 5] niet zodanig gevoerd dat daaruit te

allen tijde de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon [BV 5]

konden worden gekend en/of was/werd niet de (gehele) administratie bewaard en/of (desgevraagd) uitgeleverd aan de curator in het faillissement van de rechtspersoon [BV 5];

3.

[BV 6]., op één of meer tijdstippen, in of omstreeks de periode van 1

augustus 1997 tot en met 1 april 1998, in elk geval in of omstreeks de periode

van 11 augustus 1997 tot en met 15 januari 1998, te Zaandam, gemeente Zaanstad, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, onder de bedrijfsnaam [BV 6].,

een beroep of een gewoonte makende van het kopen van goederen, te weten (onder meer) drukwerk en/of verf en/of hotelovernachtingen en/of consumpties en/of eieren en/of groenten, met het oogmerk om zonder volledige betaling zich en/of (een) ander(en) de beschikking over die goederen te verzekeren, telkens met voormeld oogmerk goederen hebben/ heeft gekocht van (onder andere) na te noemen bedrijven:

- [slachtoffer A], te [woonplaats], ter waarde van Euro 129,03 (fl. 284,35)

(dossiernummer PL1150/98-003671, paragraaf 2.1/2.2);

en/of

- [slachtoffer B], te [woonplaats], ter waarde van Euro 11.018,41 (fl. 24.281,38)

(dossiernummer PL1150/98-003671, paragraaf 4.1/4.2);

en/of

- [slachtoffer C], te [woonplaats], ter waarde van Euro 3.948,68 (fl. 8.701,75)

(dossiernummer PL1150/98-003671, paragraaf 9.1);

en/of

- [slachtoffer D]., te [woonplaats], ter waarde van Euro 64.918,45

(fl. 143.061,44) (dossiernummer PL1150/98-003671, paragraaf 10.1 t/m 10.3);

en/of

- [slachtoffer E], te [woonplaats], ter waarde van Euro 69.048,51

(fl. 152.162,90) (dossiernummer PL1150/98-003671, paragraaf 11.1 t/m 11.5);

en/of

- [slachtoffer F], te [woonplaats], ter waarde van Euro 11.948,21 (fl. 26.330,40)

(dossiernummer PL1150/98-003671, paragraaf 12.1);

en/of

- [slachtoffer G], te [woonplaats], ter waarde van Euro 4601,33

(fl. 10.140,00) (dossiernummer PL1150/98-003671, paragraaf 13.1 t/m 13.3);

terwijl hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen, tot dat/die feit(en) opdracht heeft gegeven, althans feitelijk leiding heeft gegeven aan die verboden gedraging(en);

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 20 november 2003 en 27 januari 2005 ter terechtzitting onderzocht. Verdachte en zijn raadsman, mr. J.B. Boone, advocaat te Wijk bij Duurstede, zijn tijdens die zittingen niet verschenen.

Als benadeelde partijen zijn ter terechtzitting verschenen:

? [slachtoffer 1], wonende te [adres] (Duitsland), aan de [adres], en

? [slachtoffer D] (namens [slachtoffer D]), gevestigd te [adres]

Als benadeelde partijen hebben zich schriftelijk in het geding gevoegd:

? [slachtoffer 8], gevestigd te [adres] (Belgie), aan de [adres];

? [slachtoffer 9], gevestigd [adres] (Belgie), aan de [adres];

? [slachtoffer 5] gevestigd [adres];

? [slachtoffer 2], gevestigd te [adres];

? [slachtoffer 6], wonende te [adres]

? [curator] (curator), gevestigd te [adres];

? [slachtoffer E], wonende te [adres], en

? [curator] (curator), gevestigd te [adres].

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 t/m 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar, met aftrek van de tijd in verzekering doorgebracht.

De officier van justitie heeft voorts verzocht dat de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 5] [slachtoffer 6], [slachtoffer 8], [slachtoffer E] en [slachtoffer D] tot een bedrag van respectievelijk € 123.647,-,

€ 31.092,31, € 56.488,87, € 71.400,79, € 27.608,84, € 69.048,51 en

€ 64.918,45 worden toegewezen en dat er een schadever-goedingsmaat-regel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opge-legd.

De officier van justitie heeft voorts verzocht dat de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 9], [curator] (curator) en [curator] (curator) tot een bedrag van respectievelijk € 35.972,13,

€ 829.790,06 en € 597.479,32 worden toegewezen en dat er een schade-vergoe-dings-maatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd. Voor het overige heeft de officier van justitie verzocht dat de bena-deelde partijen niet-ontvanke-lijk zullen worden verklaard in hun vorderingen.

2a. De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

De rechtbank overweegt ambtshalve ten aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europese verdrag tot bescherming van de rechten van de mensen en de fundamentele vrijheden (EVRM) het volgende.

Bij de beoordeling van de redelijkheid van de termijn waarbinnen de strafzaak wordt behandeld geldt als uitgangspunt dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting in beginsel dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen (zie ook Hoge Raad 29 juni 2004, NJ 2004, 467).

Op 8 maart 1999 is verdachte ter zake van het onder 3 tenlastegelegde feit aangehouden en in verzekering gesteld, waarna hij op 11 maart 1999 is heengezonden. Deze omstandigheid brengt met zich mee dat vanwege de Staat jegens verdachte een handeling is verricht waaraan verdachte in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Het proces-verbaal in de zaak [BV 2] is voorts op 31 maart 1999 gesloten.

Voorts is verdachte van 10 juni 2002 tot 13 juni 2002 ter zake van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten in verzekering gesteld. Op 16 mei 2002 is er een gerechtelijk vooronderzoek geopend, dat vervolgens op 8 april 2003 is gesloten.

Voorts is aan verdachte op 5 mei 2003 een kennisgeving van verdere vervolging ter zake van de onder 1 t/m 3 tenlastegelegde feiten uitgereikt.

Op 28 oktober 2003 is verdachte gedagvaard voor de zitting van 20 november 2003. Verdachtes raadsman heeft voor die zitting om uitstel verzocht aangezien hij verhinderd was. Op 20 november 2003 heeft de rechtbank, gelet op voorgaand verzoek, alsmede ten aanzien van het verzoek van de raadsvrouw van de medeverdachte tot het horen van getuigen bij de rechter-commissaris, de zaak voor onbepaalde tijd aangehouden. Op 1 november 2004 is verdachte opgeroepen voor de zitting van 27 januari 2005.

Naar het oordeel van de rechtbank is ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde feit de redelijke termijn geschonden nu de behandeling van de strafzaak ter terechtzitting niet is afgerond met een eindvonnis binnen de termijn van twee jaren. Bij het verbinden van rechtsgevolgen aan die overschrijding van de redelijke termijn is strafvermindering in de regel aangewezen. Voor niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie is slechts in uitzonderlijke gevallen plaats. De rechtbank zal, nu er geen redenen zijn om aan te nemen dat er hier sprake is van een uitzonderlijk geval, derhalve de schending van de redelijke termijn verdisconteren in de strafmaat.

Ten aanzien van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten is de rechtbank van oordeel dat hier weliswaar sprake is van een onwenselijk lange termijn, maar dat dit geen schending van artikel 6 EVRM oplevert.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 t/m 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

1.

[BV 1] en/of [BV 2] en/of de [BV 3].

en/of [BV 4] en/of [BV 5], op tijdstippen, in de periode van 1 augustus 1998 tot en met 14 juli 1999, te Nijmegen en/of Ede en/of Westervoort, onder de bedrijfsnaam [BV 1] en/of [BV 2] en/of de [BV 3]. en/of [BV 4] en/of [BV 5],

een beroep of een gewoonte makende van het kopen van goederen, te weten (onder meer) koffie en/of thee en/of groenten en/of fruit en/of verpakkingsmateriaal, met het oogmerk om zonder volledige betaling zich en/of (een) ander(en) de beschikking over die goederen te verzekeren, telkens met voormeld oogmerk goederen hebben/ heeft gekocht van (onder andere) na te noemen bedrijven:

-[slachtoffer 1], te [woonplaats] (Duitsland), ter waarde van (Euro) 77.871,42 (fl. 171.606,02) (pvb 00-002380 - AH-21);

en/of

-[slachtoffer 2], te [woonplaats], ter waarde van (Euro) 33.887,71 (fl. 74.678,68) (pvb 00-002380 - G-5);

en/of

- [slachtoffer 3], te [woonplaats], ter waarde van (Euro) 62.318,20 (fl. 137.331,23) (pvb 00-002380 - G-6);

en/of

- [slachtoffer 4], te [woonplaats], ter waarde van (Euro) 49.412,24 (fl. 108.890,25) (pvb-00-002380- G-9);

en/of

- [slachtoffer 5]., te [woonplaats], ter waarde van (Euro) 97.329,09 (fl. 214.485,09) (pvb 00-002380 - G-11);

en/of

- [slachtoffer 6], te [woonplaats], ter waarde van (Euro) 84.419,00 (fl. 186.034,99)(pvb 00-002380- G-14);

en/of

- [slachtoffer 7] te [woonplaats] (België), ter waarde van (Euro) 56.320,97

(fl. 124.115,09)(pvb 00-002380- G-22);

en/of

- [slachtoffer 8], te [woonplaats] (België), ter waarde van

(Euro) 27.609,07 (fl. 60.842,39)(pvb 00-002380- G-23);

en/of

- [slachtoffer 9]., te [woonplaats] (België), ter waarde van

(Euro) 41.587,74 (fl. 91.647,31)(pvb 00-002380 - G-24);

terwijl hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander feitelijke leiding heeft gegeven aan die verboden gedraging;

2.

hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 1999

tot en met 23 juni 1999, te Nijmegen en/of Ede en/of Westervoort en/of Rotterdam, als bestuurder van een rechtspersoon, te weten [BV 5], welke, rechtspersoon bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Arnhem d.d. 23 juni 1999 in staat van faillissement is verklaard, (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(telkens) ter bedriegelijke verkorting van de rechten der schuldeisers van genoemde rechtspersoon niet heeft voldaan aan de op hem rustende verplichting ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 10, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en/of artikel 15a, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek en

het bewaren en/of te voorschijn brengen van boeken, bescheiden en andere

gegevensdragers in die artikelen bedoeld, immers was de adminstratie van [BV 5] niet bijgehouden en/of bijgewerkt tot de faillissementsdatum,

en/of was de administratie van [BV 5] niet zodanig gevoerd dat daaruit te

allen tijde de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon [BV 5]

konden worden gekend en/of was/werd niet de (gehele) administratie bewaard en/of (desgevraagd) uitgeleverd aan de curator in het faillissement van de rechtspersoon [BV 5];

3.

[BV 6]., op tijdstippen, in de periode van 1 augustus 1997 tot en met 1 april 1998, te Zaandam, gemeente Zaanstad, onder de bedrijfsnaam [BV 6].,

een beroep of een gewoonte makende van het kopen van goederen, te weten (onder meer) drukwerk en/of verf en/of hotelovernachtingen en/of consumpties en/of eieren en/of groenten, met het oogmerk om zonder volledige betaling zich en/of (een) ander(en) de beschikking over die goederen te verzekeren, telkens met voormeld oogmerk goederen hebben/heeft gekocht van (onder andere) na te noemen bedrijven:

- [slachtoffer A], te [woonplaats], ter waarde van Euro 129,03 (fl. 284,35)

(dossiernummer PL1150/98-003671, paragraaf 2.1/2.2);

en/of

- [slachtoffer B], te [woonplaats], ter waarde van Euro 11.018,41 (fl. 24.281,38)

(dossiernummer PL1150/98-003671, paragraaf 4.1/4.2);

en/of

- [slachtoffer C], te [woonplaats], ter waarde van Euro 3.948,68 (fl. 8.701,75)

(dossiernummer PL1150/98-003671, paragraaf 9.1);

en/of

- [slachtoffer D]., te [woonplaats], ter waarde van Euro 64.918,45

(fl. 143.061,44) (dossiernummer PL1150/98-003671, paragraaf 10.1 t/m 10.3);

en/of

- [slachtoffer E], te [woonplaats], ter waarde van Euro 69.048,51

(fl. 152.162,90) (dossiernummer PL1150/98-003671, paragraaf 11.1 t/m 11.5);

en/of

- [slachtoffer F], te [woonplaats], ter waarde van Euro 11.948,21 (fl. 26.330,40)

(dossiernummer PL1150/98-003671, paragraaf 12.1);

en/of

- [slachtoffer G], te [woonplaats], ter waarde van Euro 4601,33

(fl. 10.140,00) (dossiernummer PL1150/98-003671, paragraaf 13.1 t/m 13.3);

terwijl hij, verdachte, feitelijke leiding heeft gegeven aan die verboden gedragingen;

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Medeplegen van feitelijke leidinggeven aan de verboden gedraging:

een beroep of gewoonte maken van het kopen van goederen met het oogmerk om zonder volledige betaling zich of een ander de beschikking over die goederen te verzekeren, begaan door een rechtspersoon.

Ten aanzien van feit 2:

Medeplegen van: als bestuurder van een rechtspersoon, welke in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon, niet voldoen aan de in artikel 10, eerste lid, van Boek 2 BW en/of artikel 15a, eerste lid van Boek 3 BW omschreven verplichtingen, en/of aan het bewaren en te voorschijn brengen van boeken, bescheiden en andere gegevensdragers in die artikelen bedoeld, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 3:

Feitelijke leidinggeven aan de verboden gedraging:

een beroep of gewoonte maken van het kopen van goederen met het oogmerk om zonder volledige betaling zich of een ander de beschikking over die goederen te verzekeren, begaan door een rechtspersoon.

De feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid of feit aannemelijk geworden waardoor de strafbaarheid van verdachte wordt opgeheven of uitgesloten. Verdachte is dus strafbaar.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke en financiële omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 1 oktober 2003.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Het betreft hier een welbewust uitgevoerde fraude, waarbij [BV 1] en/of [BV 2] en/of [BV 3]. en/of

[BV 4] en/of [BV 5] en/of [BV 6]., waaraan verdachte in de tenlastegelegde periode (met een ander) feitelijke leiding gaf, een rol spelen. Door voornoemde ondernemingen zijn diverse keren goederen gekocht zonder dat deze (volledig) werden betaald.

Verdachtes aandeel in het geheel bestond uit het feitelijke leidinggeven aan de ondernemingen; verdachte stond als bestuurder en enig aandeelhouder ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, verdachte had contacten met klanten en beheerde de financiën.

Daarnaast heeft verdachte zich tezamen met een ander als bestuurder van [BV 5] schuldig gemaakt aan bedrieglijke bankbreuk.

De rechtbank acht deze feiten ernstig. Door het handelen van verdachte zijn diverse bedrijven voor forse bedragen benadeeld en is het vertrouwen in het handelsverkeer ernstige schade toegebracht.

De rechtbank is van oordeel dat voor de afdoening van deze feiten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats is. De eis van de officier van justitie is, mede gelet op de rol van verdachte en de bedragen die zijn onttrokken, op zichzelf gerechtvaardigd. Echter gelet op hetgeen hiervoor onder 2a. is overwogen omtrent het tijdsverloop zal de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren opleggen.

6a. De beoordeling van de civiele vorde-ringen, alsmede de

gevor-derde op-legging van de schadevergoedings-maat-regel

De benadeelde partijen hebben overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vorde-ring, strekkende tot vergoeding van geleden schade.

De vorderingen van [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 5] [slachtoffer 6], [slachtoffer 8], [slachtoffer E] en [slachtoffer D] k-omen de rechtbank niet on-rechtmatig of ongegrond voor. De recht-bank zal de vorderingen dan ook in haar geheel toewijzen.

De rechtbank zal de civiele vordering van [slachtoffer 9] tot een bedrag van € 35.972,13 aan materiële schade toewij-zen, waarbij de omvang van de schade door de rechtbank op basis van de overgelegde stukken naar redelijkheid en billijkheid op dat bedrag is begroot.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in het overige deel van de vordering ter zake vergoeding van de kosten voor rechtsbijstand. Mogelijk kan de benadeelde partij de schade verhalen via de burgerlijke rechter.

De rechtbank acht de vorderingen van [curator] (curator) en [curator] (curator) niet van eenvoudige aard, zodat de benadeelde partijen in het onderhavige strafgeding in die vorderingen niet-ontvanke-lijk zijn. Mogelijk kunnen de benadeelde partijen de schade verhalen via de burgerlijke rechter.

Voor de toewijsbare delen van de vorderingen geldt tevens dat de rechtbank de schadevergoe-dingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht zal toepassen en dus verdachte de verplich-ting zal opleggen een bedrag, gelijk aan het door de rechtbank toe te wijzen schadebe-drag, aan de Staat te betalen ten behoeve van de benadeelde partijen.

Het totaal van de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen levert vervangende hechtenis op van meer dan een jaar. Op grond van artikel 60a Wetboek van Strafrecht mag de rechtbank het maximum van één jaar vervangende hechtenis niet overschrijden.

Om de met de schadevergoedingsmaatregel beoogde betalingsprikkel met in achtneming van het bovenstaande tot een zo effectief mogelijk middel te maken, zal de rechtbank het maximum van één jaar vervangende hechtenis naar evenredigheid uitsplitsen.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is, behalve op de hiervoor genoemde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 27, 24c, 36f, 47, 51, 57, 63, 326a en 343 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van twee (2) jaar.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoer-legging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

Ten aanzien van feit 1:

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij].

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan [benadeelde partij], wonende te [adres] (Duitsland), aan de [adres], te betalen € 123.647,- (zegge honderddrieëntwintigduizend-zeshonderdzevenenveertig euro).

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Maatregel van schadevergoeding ad € 123.647,-, subsidiair 94 dagen hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij], wonende te [adres] (Duitsland), aan de [adres], te betalen

€ 123.647,-, (zegge honderddrieëntwintigduizend-zeshonderdzevenenveertig euro), bij gebreke van volledi-ge betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 94 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat, indien en voor zover de veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij], de verplichting van veroordeelde om aan de benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien en voor zover veroordeel-de aan de benadeelde partij heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Ten aanzien van feit 1:

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 8].

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan [slachtoffer 8], gevestigd te [adres] (België), aan de [adres], te betalen € 27.608,84 (zegge zevenentwintigduizend-zeshonderdenacht euro en vierentachtig eurocent).

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Maatregel van schadevergoeding ad € 27.608,84, subsidiair 21 dagen hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 8], gevestigd te [adres] (België), aan de [adres], te betalen € 27.608,84, (zegge zevenentwintigduizend-zeshonderdenacht euro en vierentachtig eurocent), bij gebreke van volledi-ge betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 21 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat, indien en voor zover de veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 8], de verplichting van veroordeelde om aan de benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien en voor zover veroordeel-de aan de benadeelde partij heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Ten aanzien van feit 1:

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 9].

Wijst de vordering van de benadeelde partij ten dele toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan [slachtoffer 9], wonende te [adres] (Belgie), aan de [adres], te betalen € 35.972,13 (zegge vijfendertigduizend-negenhonderdtweeënzeventig euro en dertien eurocent).

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

- Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk nu de vordering voor dat gedeelte niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. Verstaat dat de vordering voor wat dit betreft kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Maatregel van schadevergoeding ad € 35.972,13, subsidiair 27 dagen hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 9], wonende te [adres] (Belgie), aan de [adres], te betalen

€ 35.972,13, (zegge vijfendertigduizendnegenhonderd-tweeënzeventig euro en dertien eurocent), bij gebreke van volledi-ge betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 27 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat, indien en voor zover de veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 9], de verplichting van veroordeelde om aan de benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien en voor zover veroordeel-de aan de benadeelde partij heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Ten aanzien van feit 1:

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5].

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan [slachtoffer 5] gevestigd [adres], te betalen € 56.488,87 (zegge zesenvijftigduizendvierhonderd-achtentachtig euro en zevenentachtig eurocent).

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Maatregel van schadevergoeding ad € 56.488,87 subsidiair 43 dagen hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 5] gevestigd [adres], te betalen € 56.488,87 (zegge zesenvijftigduizendvierhonderdachtentachtig euro en zevenentachtig eurocent), bij gebreke van volledi-ge betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 43 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat, indien en voor zover de veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 5] de verplichting van veroordeelde om aan de benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien en voor zover veroordeel-de aan de benadeelde partij heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Ten aanzien van feit 1:

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2].

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan [slachtoffer 2], gevestigd te [adres], te betalen € 31.092,31 (zegge eenendertigduizendtweeënnegentig euro en eenendertig eurocent).

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Maatregel van schadevergoeding ad € 31.092,31 subsidiair 24 dagen hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2], gevestigd te [adres], te betalen

€ 31.092,31 (zegge eenendertigduizendtweeënnegentig euro en eenendertig eurocent), bij gebreke van volledi-ge betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 24 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat, indien en voor zover de veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2]., de verplichting van veroordeelde om aan de benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien en voor zover veroordeel-de aan de benadeelde partij heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Ten aanzien van feit 1:

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6]. Wijst de vordering van de benadeelde partij toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan [slachtoffer 6], wonende te [adres]

€ 71.400,79 (zegge eenenzeventigduizendvierhonderd euro en negenenzeventig eurocent).

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Maatregel van schadevergoeding ad € 71.400,79 subsidiair 54 dagen hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 6], wonende te [adres] € 71.400,79 (zegge eenenzeventigduizendvierhonderd euro en negenenzeventig eurocent), bij gebreke van volledi-ge betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 54 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat, indien en voor zover de veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 6], de verplichting van veroordeelde om aan de benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien en voor zover veroordeel-de aan de benadeelde partij heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Ten aanzien van feit 1:

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [curator] (curator), gevestigd te [adres].

Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.

Ten aanzien van feit 3:

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [curator] (curator), gevestigd te [adres].

Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.

Ten aanzien van feit 3:

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer E].

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan [slachtoffer E], wonende te [adres], te betalen € 69.048,51 (zegge negenenzestigduizendachtenveertig euro en eenenvijftig eurocent).

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Maatregel van schadevergoeding ad € 69.048,51 subsidiair 53 dagen hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer E], wonende te [adres], te betalen

€ 69.048,51 (zegge negenenzestigduizendachtenveertig euro en eenenvijftig eurocent), bij gebreke van volledi-ge betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 53 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat, indien en voor zover de veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer E], de verplichting van veroordeelde om aan de benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien en voor zover veroordeel-de aan de benadeelde partij heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Ten aanzien van feit 3:

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer D] (namens [slachtoffer D]).

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan [slachtoffer D] (namens [slachtoffer D]), gevestigd te [adres], te betalen € 64.918,45 (zegge vierenzestigduizend-negenhonderdachttien euro en vijfenveertig eurocent).

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Maatregel van schadevergoeding ad € 64.918,45 subsidiair 49 dagen hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer D] (namens [slachtoffer D]), gevestigd te [adres], te betalen € 64.918,45 (zegge vierenzestigduizend-negenhonderdachttien euro en vijfenveertig eurocent), bij gebreke van volledi-ge betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 49 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat, indien en voor zover de veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer D] (namens [slachtoffer D]), de verplichting van veroordeelde om aan de benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien en voor zover veroordeel-de aan de benadeelde partij heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Aldus gewezen door:

mr. R.J.J. van Acht, rechter, als voorzitter,

mr. M. Keppels, rechter,

mr. G. Perrick, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. B.J.M. Vermulst, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 februari 2005.