Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2005:AS5574

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
09-02-2005
Datum publicatie
09-02-2005
Zaaknummer
05/090209-04 05/052638-03 05/052621-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewezen verklaard is - onder meer - medeplegen van doodslag gepleegd door het creeren van een bedreigende situatie waardoor slachtoffer het water is ingevlucht en vervolgens nalaten hulp te bieden ten gevolge waarvan slachtoffer is overleden. (onderkoeling)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector strafrecht

Meervoudige Kamer

Parketnummer : 05/090209-04, 05/052638-03 en 05/052621-03

Datum zitting: 26 januari 2005

Datum uitspraak: 9 februari 2005

VERKORT VONNIS

TEGENSPRAAK

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats],

adres : [adres] ,

plaats : [woonplaats],

thans gedetineerd in [adres]

Raadsvrouw: mr. M.G.M. Frerix, advocaat te Ede.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een in de zaken met de parketnummers 05/090209-04, door de rechtbank toegelaten vordering nadere omschrijving tenlastelegging en na een, in de zaken met parketnummer 05/052621-03, door de rechtbank toegelaten wijzigingen tenlastelegging, tenlastegelegd dat:

parketnummer 05/090209-04:

1.

hij in of omstreeks de avond/nacht van 21 op 22 februari 2004 te Velp, gemeente Rheden, en/of te Arnhem en/of te Lathum, gemeente Angerlo,

althans in het arrondissement Arnhem, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, door opzettelijk een dreigende situatie te creëren, hierin bestaande dat

verdachte en/of verdachtes mededader(s) opzettelijk die [slachtoffer] heeft/hebben

meegevoerd vanuit de stad Arnhem, in een auto, naar een afgelegen donkere plek bij een rivier (de IJssel) te Velp, terwijl verdachte en/of verdachtes mededader(s) die [slachtoffer] gedurende die autorit afwisselend en/of onophoudelijk, in elk geval meermalen, met kracht en/of met de vuist(en) slagen/klappen tegen het hoofd en/of in het gezicht heeft/hebben gegeven en/of (meermalen) heeft/hebben bedreigd met de dood ("ik maak je kapot" en/of "ik maak je dood"),waarna verdachte en/of verdachtes mededader(s) die [slachtoffer] bij aankomst op die afgelegen plek te Velp (vervolgens) heeft/hebben bevolen, althans dwingend tegen die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd dat deze uit die auto moest komen en/of waarna verdachte en/of verdachtes mededader(s) die [slachtoffer] met geschoeide voet en met kracht in de zij, althans tegen het lichaam heeft/hebben geschopt/getrapt en/of een of meermalen tegen het lichaam heeft/hebben geduwd en/of die [slachtoffer] diens jas en/of diens trui uit heeft laten trekken (terwijl de temperatuur rondom het vriespunt schommelde) en/of die [slachtoffer] heeft/hebben belet zich te bewegen in een andere richting dan die van het water doordat verdachte en/of diens mededader(s) zich hadden gegroepeerd rondom die [slachtoffer] en/of die [slachtoffer] heeft/hebben achtervolgd/achterna is/zijn gerend, toen deze trachtte weg te vluchten uit de door verdachte en/of verdachtes mededader(s) gecreëerde dreigende situatie waardoor/waarna die [slachtoffer] in het koude (ongeveer 5,7 graden Celsius) rivierwater is gesprongen en de rivier is overgezwommen, en/of die [slachtoffer] (vervolgens) in hulpeloze toestand heeft/hebben achtergelaten, door welk handelen en/of nalaten voornoemde persoon is overleden;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij in of omstreeks de avond/nacht van 21 op 22 februari 2004 te Velp,

gemeente Rheden, en/of te Arnhem en/of te Lathum, gemeente Angerlo,

althans in het arrondissement Arnhem, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade, [slachtoffer] heeft mishandeld, door: opzettelijk een dreigende situatie te creëren, hierin bestaande dat verdachte en/of verdachtes mededader(s) opzettelijk die [slachtoffer] heeft/hebben meegevoerd vanuit de stad Arnhem, in een auto, naar een afgelegen donkere plek bij een rivier (de IJssel) te Velp,

terwijl verdachte en/of verdachtes mededader(s) die [slachtoffer] gedurende die

autorit afwisselend en/of onophoudelijk, in elk geval meermalen, met kracht

en/of met de vuist(en) slagen/klappen tegen het hoofd en/of in het gezicht

heeft/hebben gegeven en/of (meermalen) heeft/hebben bedreigd met de dood ("ik maak je kapot" en/of "ik maak je dood"), waarna verdachte en/of verdachtes mededader(s) die [slachtoffer] bij aankomst op die afgelegen plek te Velp (vervolgens) heeft/hebben bevolen, althans dwingend tegen die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd dat deze uit die auto moest komen en/of waarna verdachte en/of verdachtes mededader(s) die [slachtoffer] met geschoeide voet

en met kracht in de zij, althans tegen het lichaam heeft/hebben

geschopt/getrapt en/of een of meermalen tegen het lichaam heeft/hebben geduwd en/of die [slachtoffer] diens jas en/of diens trui uit heeft laten trekken (terwijl de temperatuur rondom het vriespunt schommelde) en/of die [slachtoffer] heeft/hebben belet zich te bewegen in een andere richting dan die van het water doordat verdachte en/of diens mededader(s) zich hadden gegroepeerd rondom die [slachtoffer] en/of die [slachtoffer] heeft/hebben achtervolgd/achterna is/zijn gerend, toen deze trachtte weg te vluchten uit de door verdachte en/of verdachtes mededader(s) gecreëerde dreigende situatie waardoor/waarna die [slachtoffer] in het koude (ongeveer 5,7 graden Celsius) rivierwater is gesprongen en de rivier is overgezwommen, en/of die [slachtoffer] (vervolgens) in hulpeloze toestand heeft/hebben achtergelaten, terwijl dit feit de dood tengevolge heeft gehad;

meer subsidiair:

hij in of omstreeks de avond/nacht van 21 op 22 februari 2004 te Velp, gemeente Rheden, en/of te Arnhem en/of te Lathum, gemeente Angerlo,

althans in het arrondissement Arnhem, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of nalatig [slachtoffer] heeft/hebben meegevoerd vanuit de stad Arnhem, in een auto, naar een afgelegen donkere plek bij een rivier te Velp, terwijl verdachte en/of verdachtes mededader(s) die [slachtoffer] gedurende die autorit afwisselend en/of onophoudelijk, in elk geval, meermalen met kracht en/of met de vuist(en) slagen/klappen tegen het hoofd en/of in het gezicht heeft/hebben gegeven en/of (meermalen) heeft/hebben bedreigd met de dood ("ik maak je kapot" en/of "ik maak je dood"), waarna verdachte en/of verdachtes mededader(s) die [slachtoffer] bij aankomst op die afgelegen plek te Velp (vervolgens) heeft/hebben bevolen, althans dwingend tegen die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd dat deze uit die auto moest komen en/of waarna verdachte en/of verdachtes mededader(s) die [slachtoffer] met geschoeide voet

en met kracht in de zij, althans tegen het lichaam heeft/hebben geschopt/getrapt en/of een of meermalen tegen het lichaam heeft/hebben geduwd en/of die [slachtoffer] diens jas en/of diens trui uit heeft laten trekken (terwijl de temperatuur rondom het vriespunt schommelde) en/of die [slachtoffer] heeft/hebben belet zich te bewegen in een andere richting dan die van het water doordat verdachte en/of diens mededader(s) zich hadden gegroepeerd rondom die [slachtoffer] en/of die [slachtoffer] heeft/hebben achtervolgd/achterna is/zijn gerend, toen deze trachtte weg te vluchten uit de door verdachte en/of verdachtes mededader(s) gecreeerde dreigende situatie waardoor/waarna die [slachtoffer] in het (ijskoude) water is gesprongen en de rivier is overgezwommen terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) die [slachtoffer](vervolgens) aan zijn lot heeft/hebben overgelaten, waardoor het aan zijn/hun schuld te wijten is geweest dat die [slachtoffer] aan de gevolgen daarvan is overleden;

2.

hij in of omstreeks de avond/nacht van 21 op 22 februari 2004 te Velp,

gemeente Rheden, en/of te Arnhem en/of te Lathum, gemeente Angerlo,

althans in het arrondissement Arnhem, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling,

hierin bestaande dat verdachte en/of verdachtes mededader(s) opzettelijk

die [slachtoffer] heeft/hebben meegevoerd vanuit de stad Arnhem, in een auto, naar

een afgelegen donkere plek bij een rivier te Velp, terwijl verdachte en/of verdachtes mededader(s) die [slachtoffer] gedurende die autorit (meermalen) heeft/hebben bedreigd met de woorden "ik maak je kapot" en/of "ik maak je dood" en/of "nou moet ik je weer slaan", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

3.

hij in of omstreeks de avond/nacht van 21 op 22 februari 2004 te Velp,

gemeente Rheden, en/of te Arnhem en/of te Lathum, gemeente Angerlo,

althans in het arrondissement Arnhem, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van diens jas (waarin zich ondermeer een telefoon bevond) en/of diens trui, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer] voornoemd, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of verdachtes mededader(s) opzettelijk die [slachtoffer] heeft/hebben meegevoerd vanuit de stad Arnhem, in een auto, naar een afgelegen donkere plek bij een rivier (de IJssel) te Velp, terwijl verdachte en/of verdachtes mededader(s) die [slachtoffer] gedurende die autorit afwisselend en/of onophoudelijk, in elk geval meermalen, met kracht en/of met de vuist(en) slagen/klappen tegen het hoofd en/of in het gezicht heeft/hebben gegeven en/of (meermalen) heeft/hebben bedreigd met de dood ("ik maak je kapot" en/of "ik maak je dood"), waarna verdachte en/of verdachtes mededader(s) die [slachtoffer] bij aankomst op die afgelegen plek te Velp (vervolgens) heeft/hebben bevolen, althans dwingend tegen die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd dat deze uit die auto moest komen en/of waarna verdachte en/of verdachtes mededader(s) die [slachtoffer] met geschoeide voet en met kracht in de zij, althans tegen het lichaam heeft/hebben geschopt/getrapt en/of een of meermalen tegen het lichaam heeft/hebben geduwd en/of die [slachtoffer] diens jas en/of diens trui uit heeft laten trekken (terwijl de temperatuur rondom het vriespunt schommelde) en/of die [slachtoffer] heeft/hebben belet zich te bewegen in een andere richting dan die van het water doordat verdachte en/of diens mededader(s) zich hadden gegroepeerd rondom die [slachtoffer] en/of die [slachtoffer] heeft/hebben achtervolgd/achterna is/zijn gerend, toen deze trachtte weg te vluchten uit de door verdachte en/of verdachtes mededader(s) gecreëerde dreigende situatie waardoor/waarna die [slachtoffer] in het koude (ongeveer 5,7 graden Celsius) rivierwater is gesprongen en de rivier is overgezwommen,

en/of die [slachtoffer] (vervolgens) in hulpeloze toestand heeft/hebben achtergelaten, terwijl dit feit de dood tengevolge heeft gehad;

4.

hij op of omstreeks 16 april 2004 te Arnhem, (een) wapen(s) van categorie I onder 7°, te weten een nabootsing van een pistool, kleur zwart, merk MIL, type US Military, voorzien van een patroonhouder, zijnde (een) voorwerp(en) dat/die voor wat betreft zijn vorm, afmeting en kleur een sprekende gelijkenis

vertoonde(n) met (een) vuurwapen(s) en/of met (een) voor ontploffing bestemde voorwerp(en) voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

parketnummer 05/052638-03:

hij op of omstreeks 15 mei 2003 te Arnhem, (een) hond(en), behorende tot een door de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij aangewezen soort of categorie, te weten (een) hond(en) van het Pit-bull-Terrier type, welke in belangrijke mate volde(e)d(en) aan de omschrijving als bedoeld in bijlage 1 van de Regeling agressieve dieren, voorhanden heeft gehad;

parketnummer 05/052621-03:

1.

hij op of omstreeks 24 juni 2003 te Arnhem opzettelijk en wederrechtelijk

een deur en/of een slot en/of een meterkast, in elk geval enig goed, geheel of

ten dele toebehorende aan Volkshuisvesting Arnhem, in elk geval aan een ander

of anderen dan aan verdachte, en aldus dat goed heeft vernield en/of

beschadigd en/of onbruikbaar heeft gemaakt door het slot te verwijderen uit de

voornoemde deur en/of door de schroeven (die in de voornoemde deur zaten) te verwijderen en/of door de meterkast open te breken en/of te forceren;

2.

hij op of omstreeks 24 juni 2003 te Arnhem wederrechtelijk is binnengedrongen

in een woning gelegen aan [adres] en in gebruik bij

Volkshuisvesting, althans bij een ander of anderen dan bij verdachte;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is laatstelijk op 26 januari 2005 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door

mr. M.G.M. Frerix, advocaat te Ede.

Als benadeelde partij heeft zich ter zake van het bij parketnummer 05/090209-04, onder 1 tenlastegelegde, schriftelijk in het geding gevoegd en is ter terechtzitting verschenen: Mw. [slachtoffer 1], wonende [adres].

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het bij parketnummer 05/090209-04, onder 1 primair, 2, 3 en 4, het bij parketnummer 05/052638-03 en het bij parketnummer 05/052621-03 onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier (4) jaren, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

De officier van justitie heeft voorts verzocht dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] tot een bedrag van € 3.186,19 wordt toegewezen en dat er een schadever-goedingsmaat-regel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opge-legd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 63 dagen hechte-nis.

Verdachte en zijn raadsvrouw hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte bij parketnummer 05/090209-04 onder 2 is tenlastege-legd en zal hem daarvan vrij-spreken.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het bij parketnummer 05/090209-04, onder 1 primair, 3 en 4, het bij parketnummer 05/052638-03 en het bij parketnummer 05/052621-03 onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

parketnummer 05/090209-04:

1.

hij in de avond/nacht van 21 op 22 februari 2004 te Velp, gemeente Rheden, en te Arnhem en te Lathum, gemeente Angerlo, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, door opzettelijk een dreigende situatie te creëren, hierin bestaande dat

verdachte en verdachtes mededaders opzettelijk die [slachtoffer] hebben

meegevoerd vanuit de stad Arnhem, in een auto, naar een afgelegen donkere plek bij een rivier (de IJssel) te Velp, terwijl verdachtes mededader die [slachtoffer] gedurende die autorit meermalen, met kracht slagen/klappen tegen het hoofd en/of in het gezicht heeft gegeven en heeft bedreigd met de dood ("ik maak je dood"), waarna verdachtes mededader die [slachtoffer] bij aankomst op die afgelegen plek te Velp heeft bevolen, dat deze uit die auto moest komen en waarna verdachtes mededader die [slachtoffer] met geschoeide voet en met kracht in de zij, heeft geschopt en/of tegen het lichaam heeft geduwd en die [slachtoffer] diens jas uit heeft laten trekken (terwijl de temperatuur rondom het vriespunt schommelde) verdachte en twee van zijn mededaders die [slachtoffer] hebben achtervolgd/achterna zijn gerend, toen deze trachtte weg te vluchten uit de door verdachte en verdachtes mededaders gecreëerde dreigende situatie waardoor die [slachtoffer] in het koude (ongeveer 5,7 graden Celsius) rivierwater is gesprongen en de rivier is overgezwommen, en verdachte en zijn mededaders die [slachtoffer] vervolgens in hulpeloze toestand hebben achtergelaten, door welk handelen en nalaten voornoemde persoon is overleden;

3.

hij in de avond/nacht van 21 op 22 februari 2004 te Velp,

gemeente Rheden, en te Arnhem, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van diens jas (waarin zich ondermeer een telefoon bevond) toebehorende aan die [slachtoffer] voornoemd, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte en verdachtes mededaders opzettelijk die [slachtoffer] hebben meegevoerd vanuit de stad Arnhem, in een auto, naar een afgelegen donkere plek bij een rivier (de IJssel) te Velp, terwijl verdachtes mededader die [slachtoffer] gedurende die meermalen, met kracht slagen/klappen tegen het hoofd en/of in het gezicht heeft gegeven en heeft bedreigd met de dood ("ik maak je dood"), waarna verdachtes mededader die [slachtoffer] bij aankomst op die afgelegen plek te Velp heeft bevolen, dat deze uit die auto moest komen en waarna verdachtes mededader die [slachtoffer] met geschoeide voet en met kracht in de zij heeft geschopt en/of tegen het lichaam heeft geduwd en die [slachtoffer] diens jas uit heeft laten trekken ;

4.

hij op of omstreeks 16 april 2004 te Arnhem, een wapen van categorie I onder 7°, te weten een nabootsing van een pistool, kleur zwart, voorzien van een patroonhouder, zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm, afmeting en kleur een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen voorhanden heeft gehad;

parketnummer 05/052638-03:

hij op 15 mei 2003 te Arnhem, een hond, behorende tot een door de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij aangewezen soort of categorie, te weten hond van het Pit-bull-Terrier type, welke in belangrijke mate voldeed aan de omschrijving als bedoeld in bijlage 1 van de Regeling agressieve dieren, voorhanden heeft gehad;

parketnummer 05/052621-03:

1.

hij omstreeks 24 juni 2003 te Arnhem opzettelijk en wederrechtelijk

een deur en een slot en een meterkast toebehorende aan Volkshuisvesting Arnhem, heeft beschadigd en/of onbruikbaar heeft gemaakt door het slot te verwijderen uit de voornoemde deur endoor de schroeven (die in de voornoemde deur zaten) te verwijderen en door de meterkast open te breken;

2.

hij omstreeks 24 juni 2003 te Arnhem wederrechtelijk is binnengedrongen

in een woning gelegen aan [adres] en in gebruik bij

Volkshuisvesting;

Ten aanzien van het bij parketnummer 05/090209-04 onder 1 bewezenverklaarde, overweegt de rechtbank als volgt:

DE DOODSOORZAAK

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat [slachtoffer] is overleden door onderkoeling.

Weliswaar is deze doodsoorzaak niet als zodanig aangetoond door de pathologen , maar te dien aanzien geldt dat volgens de deskundigen onderkoeling postmortaal medisch niet, althans lang niet altijd, eenduidig als doodsoorzaak is vast te stellen . Indien de omstandigheden en de aangetroffen symptomen daarbij passen, kan men wel tot onderkoeling als doodsoorzaak concluderen door alle andere mogelijke doodsoorzaken uit te sluiten.

Deze conclusie is in dit geval juridisch gerechtvaardigd. Bij het uitgebreide pathologische onderzoek aan het lichaam van deze jonge man, het toxicologisch onderzoek en het cardiologische onderzoek aan partikels van het hart zijn geen aanwijzingen voor een andere doodsoorzaak gevonden en ook de feiten geven geen aanleiding om enige andere doodsoorzaak aannemelijk te achten. Integendeel, alle feiten en omstandigheden wijzen op overlijden door onderkoeling.

[slachtoffer] is immers midden in de winter in de nacht van 21 op 22 februari 2004 tussen 22.11 en 23.10 uur bij een buitentemperatuur van iets boven de 0? C gekleed in een spijkerbroek en een T-shirt te water geraakt in een rivier met een watertemperatuur van ongeveer 5,7? C en hij moet tussen de 2 en 15 minuten in dat koude water hebben gezwommen om de overkant te bereiken, alwaar zijn lijk is aangetroffen . Aangezien zijn lijk aan die overkant op enige afstand van het water is aangetroffen, moet [slachtoffer] daar, mede gezien ook de modder onder zijn zolen, hebben gelopen. Hoe lang dat is geweest en welke afstand hij daarbij heeft afgelegd, is niet bekend geworden, mede omdat niet kan worden vastgesteld op welke plaats [slachtoffer] op de oever is gekropen. Feit is dat zijn lijk meer dan anderhalf etmaal later is aangetroffen, verstrikt in het prikkeldraad van de afrastering van een weiland en onder de krassen. In die tussentijd varieerde de luchttemperatuur van -4,7 tot +5,8? C. De thermofysiologische deskundigen van TNO Technische Menskunde hebben op overtuigende wijze gerapporteerd dat bij die temperaturen geen mens die tijdsspanne van anderhalf etmaal overleeft. Na het uit het water komen heeft in een zogenaamde fysiologische afterdrop een sterke daling van de kerntemperatuur plaats doordat het koude bloed uit de weefsels in de circulatie komt en het hart sterk afkoelt. In combinatie met de voortdurende verdamping van vocht uit de kleding daalt, ondanks rillen, de kerntemperatuur daarna geleidelijker totdat na maximaal ongeveer een uur een kerntemperatuur van 34? C is bereikt, waarbij een fase van verwarring en desoriëntatie begint in te treden. De motorische vaardigheden zijn dan minimaal; lopen gaat nog maar uitermate moeizaam. Al eerder was de fijne motoriek vrijwel onmogelijk geworden en was het gevoel op de huid zeer sterk verminderd. [slachtoffer] is vermoedelijk in die toestand van verwarring en desoriëntatie verstrikt geraakt in dat prikkeldraad en hij was blijkbaar onvoldoende bij zinnen en fysiek bij machte om zich daaruit los te maken en verder te gaan. Vervolgens is hij, vastliggend aan dat prikkeldraad, verder afgekoeld en bewusteloos geraakt. Na ongeveer 6 tot 8 uren moet zijn lichaam zijn afgekoeld tot een temperatuur beneden de 25? C onder welke temperatuur de kans op overleving gering is en niet lang daarna moet [slachtoffer] zijn overleden door hartfalen en/of zuurstoftekort in de vitale weefsels.

Indien [slachtoffer] tijdig zou zijn gevonden, had hij nog opgewarmd en gereanimeerd kunnen worden, maar dat is niet gebeurd.

DE TOEDRACHT EN HET CAUSALE VERBAND

De rechtbank acht bewezen dat [slachtoffer] door toedoen van de verdachte en zijn mededaders is terechtgekomen in deze levensbedreigende situatie, waarin hij onderkoeld is geraakt en vervolgens is overleden, en dat dit gevolg redelijkerwijs kan worden toegerekend aan hun handelen c.q. nalaten.

[slachtoffer] is laat in de avond door verdachte en zijn mededaders in een auto meegevoerd naar de afgelegen Veerweg te Velp langs de IJssel . Het was daar op dat moment “pikkedonker” . Onderweg in de auto werd [slachtoffer], terwijl hij op de achterbank zat ingeklemd tussen [mededader 1] en [mededader 2], meermalen en tot bloedens toe door [mededader 1] in het gezicht geslagen . Daarbij werd hij door [mededader 1] ook verbaal bedreigd, onder meer met de dood . [mededader 1] en/of [mededader 3] zeiden tegen [verdachte], die de auto bestuurde en reed als een wildeman, dat hij naar een plek moest rijden waar het rustig was . Toen zij op de Veerweg reden, merkte [mededader 1] nog op dat het daar een mooie stille plek was en vroeg [mededader 3] aan [slachtoffer] of hij kon zwemmen .

Vervolgens werd de auto op die verlaten Veerweg tot stilstand gebracht en schreeuwde [mededader 1] tegen [slachtoffer] dat hij moest uitstappen . [mededader 1] ging dreigend voor hem staan, schopte [slachtoffer] en/of duwde hem en beval hem om zijn jas uit te doen . Intussen liep [verdachte], opgefokt, langs hem heen en ging vlak achter [slachtoffer] staan, terwijl [mededader 1] en [mededader 3] vlak vóór hem stonden en [mededader 2] ook was uitgestapt en zich derhalve op enkele meters afstand bevond .

Opeens rende [slachtoffer] weg, maar onmiddellijk werd hij achterna gezeten door [mededader 1] en [verdachte], terwijl [mededader 3] volgde . [slachtoffer] zwenkte af en dook de rivier in, waarbij hij eerst met een klap terechtkwam op een krib en vervolgens het koude water inging en weg zwom . Terwijl hij daar zwom gooiden [mededader 1] en [verdachte] nog met stenen en stokken naar hem . [mededader 1] en [verdachte] schreeuwden wel dat hij terug moest komen, maar niet alsof zij bezorgd waren, maar omdat zij hem nog steeds te pakken wilden nemen .

Volgens de rechtbank moet het gebeuren in de auto, op de Veerweg en langs de waterkant zeer bedreigend op [slachtoffer] zijn overgekomen. Dat volgt uit zijn wanhopige vlucht, waarbij hij in die ijskoude nacht op die verlaten plaats, ver van de bewoonde wereld, het ijskoude water indook en naar de overkant zwom, waar het even donker was en waar volgens een of meer van de verdachten en waarschijnlijk ook bij weten van [slachtoffer] alleen maar weiland was en dus geen hulp voorhanden. Weliswaar stond daar een eenzame boerderij, maar geen van de verdachten heeft verklaard dat dat huis op dat moment vanaf de Velpse kant zichtbaar was en er bestaat geen aanleiding om aan te nemen dat [slachtoffer] dat huis wel heeft gezien toen hij in het water dook.

Bij het toxicologisch onderzoek en ook overigens zijn geen aanwijzingen gevonden voor recent gebruik van relevante hoeveelheden drugs of alcohol, dan wel een andere reden voor onbezonnenheid. Derhalve moet worden aangenomen dat [slachtoffer] weliswaar in paniek, maar toch bewust in het water is gedoken en van de verdachten is weggezwommen naar de donkere overkant.

In het water moet [slachtoffer] hebben gevoeld hoe koud het was en zich hebben gerealiseerd hoe gevaarlijk dat was . Desondanks heeft hij het niet aangedurfd om terug naar de kant te gaan, maar is hij naar de overkant gezwommen waar hij later door onderkoeling is bezweken.

De enige plausibele verklaring voor zijn wanhopige vlucht is dat [slachtoffer] in de gedragingen van de verdachte en zijn mededaders goede redenen zag om te vrezen dat zij hem ernstig geweld zouden aandoen. Daarmee is het causaal verband tussen die gedragingen en die vlucht gegeven.

Weliswaar heeft [slachtoffer] op dat moment kunnen ontkomen aan de verdachten, maar hij is daarna overleden door onderkoeling, omdat hij niet tijdig hulp heeft gevonden. Gezien de situatie ter plaatse en de door de thermofysioloog beschreven fysieke toestand, had [slachtoffer] niet op eigen kracht naar huis kunnen lopen. Hij had dus hulp nodig en hulp was nauwelijks voorhanden op die afgelegen plaats.

Het verstoken blijven van tijdige hulp in een situatie waarin die hulp onontbeerlijk was, is de volgende en misschien wel meest relevante schakel in de causale keten.

In de tenlastelegging wordt dit ook aan de verdachte en zijn mededaders verweten: zij hebben [slachtoffer] in hulpeloze toestand achtergelaten. Verdachte en zijn mededaders zijn immers nadat zij [slachtoffer] hadden zien wegzwemmen, met medeneming van zijn droge kleren, in hun auto gestapt en teruggereden naar Arnhem zonder verder naar [slachtoffer] te zoeken en zonder alarm te slaan, terwijl zij de enigen waren die wisten in welke levensbedreigende situatie [slachtoffer] zich bevond. Zijn dood dient daarom in redelijkheid te worden toegerekend aan hun verzuim om hulp te bieden. Dat achteraf is gebleken dat in de nabijheid van het aangetroffen lichaam van [slachtoffer] een woning stond, welke woning [slachtoffer] niet heeft weten te bereiken, doet daaraan niet af.

De twee schakels in de causale keten, die in samenhang moeten worden gezien en die aan de handelingen c.q. het nalaten van de verdachte en zijn mededaders moeten worden toegerekend, zijn derhalve dat [slachtoffer] eerst door hun actief handelen (geweld en bedreiging in groepsverband, achtervolging op de vlucht en dreigend gooien met stenen en stokken) zich gedwongen heeft gezien om in het koude water te springen en de rivier over te zwemmen en dat [slachtoffer] vervolgens, terwijl hij door hun toedoen in een levensbedreigende situatie was terecht gekomen, door hun nalaten (niet zoeken, geen alarm slaan) niet de nodige hulp heeft gekregen en is overleden.

HET OPZET

Met dit causaal verband is echter nog niet gegeven dat de verdachte en zijn mededaders het opzet hebben gehad dat [slachtoffer] dood zou gaan. Daarvoor moet worden onderzocht waarvan zij zich bewust zijn geweest en wat zij hebben gewild. Te dien aanzien overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank wil aannemen dat de verdachte en zijn mededaders het een en het ander niet tevoren hebben beraamd en dat zij niet bij voorbaat uit waren op zijn dood. Moord is ook niet tenlastegelegd. Maar de rechtbank acht wel bewezen dat de verdachte en zijn mededaders het een en het ander opzettelijk hebben gedaan c.q. nagelaten in de vorm van zogenaamd voorwaardelijk opzet.

De verdachten hebben [slachtoffer] dan wel niet in het water geduwd, maar zij hebben wel zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer] het door een van hen gepleegde geweld en de door hen tezamen gecreëerde bedreigende situatie zou proberen te ontvluchten door in het water te springen en van hen weg te zwemmen. Nog in de auto was al geopperd of hij wel kon zwemmen en eenmaal buiten kon [slachtoffer] geen kant meer op, alleen naar het water . Over de Veerweg terug vluchten of door de uiterwaarden richting de snelweg, had niet veel zin, omdat zijn achtervolgers met hun vieren waren en bovendien gemotoriseerd. En ook al zou dat anders zijn, dan zou dat in deze omstandigheden toch voor hun risico zijn gebleven, in die zin dat zij bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard, dat [slachtoffer] een onverstandige vluchtroute zou kiezen.

Ook het nalaten om hulp te bieden, moet als opzettelijk worden aangemerkt. Ook hier oordeelt de rechtbank dat de verdachte en zijn mededaders, wetende dat [slachtoffer] -als hij de kant al zou halen- zich in een direct levensbedreigende situatie bevond, zich willens en wetens hebben blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer] zou overlijden indien hij geen hulp zou krijgen.

Dat de verdachte en zijn mededaders zich realiseerden hoe gevaarlijk het was om bij die temperaturen in het water te springen, volgt uit het feit dat zij [slachtoffer] toen voor gek hebben verklaard . Toen de verdachten [slachtoffer] voor het laatst zagen, zwom hij in de rivier en was hij nog in leven. Daarna raakten zij hem kwijt. Zij hebben nog naar hem geroepen, onder meer dat zij weg zouden gaan. Hieruit volgt dat zij, toen zij wegreden, dachten dat hij wellicht nog in leven was. Zij hebben echter [slachtoffer]’s droge jas en trui meegenomen, waarbij zij zich, zoals ieder ander mens onder die omstandigheden, hadden moeten beseffen dat hij die kleding in die koude hard nodig zou hebben indien hij aan de kant zou komen. In de auto op de terugweg is tussen hen nog besproken dat [slachtoffer] misschien nog leefde . Desondanks heeft geen van vieren, desnoods anoniem, de politie gebeld om hem te gaan zoeken, niet op de terugweg met een van de telefoontjes die zij bij zich hadden maar ook niet daarna, nadat zij uiteen waren gegaan.

Ieder voor zich moeten de verdachte en zijn mededaders zich hebben gerealiseerd dat de kans aanmerkelijk was dat [slachtoffer] zou komen te overlijden wanneer hij geen hulp zou krijgen, en ieder voor zich hebben zij die kans bewust aanvaard en op de koop toe genomen. Zij hebben [slachtoffer] echter aan zijn lot overgelaten en zich ontdaan van het bewijsmateriaal dat in hun richting zou kunnen wijzen .

IEDERS INDIVIDUEEL AANDEEL

Het was [mededader 1], die het feitelijk geweld heeft gepleegd. De drie anderen hebben echter bijgedragen aan de bedreigende situatie, reeds door hun lijfelijke aanwezigheid en door [slachtoffer] niet in bescherming te nemen. [verdachte] heeft voorts wezenlijk aan die bedreigende situatie bijgedragen door zijn agressieve rijstijl en door opgefokt langs [slachtoffer] te lopen en vlak achter hem te gaan staan, door [slachtoffer] op zijn vlucht te achtervolgen en door met stenen en stokken naar hem te gooien. Dat geldt ook voor [mededader 3], die [verdachte] naar die afgelegen plaats heeft gedirigeerd en die daar vóór [slachtoffer] ging staan en hem ook achtervolgde tot aan de waterkant. [mededader 2] had de geringste rol, maar voor hem geldt dat hij [slachtoffer], zijn ‘achterneef’, met geruststellende woorden heeft overgehaald om te komen, terwijl hij wist dat de kans groot was dat [slachtoffer] klappen zou krijgen . Het was ook [mededader 2], die de jas van [slachtoffer] heeft opgeraapt. Voor alle vier geldt dat zij ieder voor zich hebben nagelaten om [slachtoffer] na zijn ontsnapping te gaan zoeken en om alarm te slaan.

WELK DELICT?

Primair is aan de verdachte en zijn mededaders het misdrijf van art. 287 Sr. tenlastegelegd. De delictsomschrijving van deze strafbepaling luidt: “hij die opzettelijk een ander van het leven berooft, wordt, als schuldig aan doodslag, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie”. In beginsel is dit een commissiedelict. Het ziet op een actief handelen, gericht op de dood van een ander. De eerste schakel in de causale keten betreft een actief handelen, de tweede een nalaten. In de jurisprudentie is aanvaard dat het delict ‘doodslag’ bij uitzondering ook kan worden begaan door een passief blijven waar handelen was geboden . Een dergelijk uitzonderlijk geval doet zich hier voor. De verdachte en zijn mededaders waren geen willekeurige getuigen van de doodsnood van [slachtoffer]. Hun verzuim om hulp te bieden valt niet te kwalificeren als de overtreding van art. 450 Sr , maar moet beschouwd worden in samenhang met het feit dat zij zelf door actief crimineel handelen -geweldpleging en bedreiging in groepsverband- het slachtoffer als het ware in de direct levensbedreigende situatie hebben gedreven. Dit levert het misdrijf van opzettelijke levensberoving op.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

parketnummer 05/090209-04:

feit 1 primair:

medeplegen van doodslag;

feit 3:

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

feit 4:

handelen in strijd met artikel 13, eerste lid van de Wet wapens en munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55, eerste lid van de Wet wapens en munitie;

parketnummer 05/052638-03:

handelen in strijd met een voorschrift vastgesteld krachtens artikel 73, tweede lid van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren;

parketnummer 05/052621-03:

feit 1:

opzettelijk en wederrechtelijk een goed dat geheel aan een ander toebehoort, beschadigen en onbruikbaar maken, meermalen gepleegd;

feit 2:

het in de woning, bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen.

De feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Door drs. B.H. de Boer, GZ-psycholoog/psychotherapeut is op 13 augustus 2004 een pro justitia rapportage betreffende verdachte opgemaakt.

De deskundige rapporteert daarin dat verdachte lijdende is aan een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de vorm van een anti-sociale persoonlijkheidsstoornis en dat verdachte hieraan ook ten tijde van het tenlastegelegde lijdende was.

Door de deskundige kon echter niet worden vastgesteld of deze stoornis van invloed is geweest op de gedragskeuzes c.q. de gedragingen van verdachte ten tijde van het tenlastegelegde.

Nu niet anderszins is gebleken of gesteld, kan de rechtbank niet anders concluderen dan dat verdachte volledig toerekeningsvatbaar is.

Er is ook anderszins geen omstandigheid of feit aannemelijk geworden waardoor de strafbaarheid van verdachte wordt opgeheven of uitgesloten. Verdachte is dus strafbaar.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 19 november 2004;

- de onder 5. genoemde pro justitia rapportage;

- een voorlichtingsrapport betreffende de verdachte, opgemaakt door de Reclassering Nederland, d.d. 5 juli 2004.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft zich in Arnhem, Velp en Lathum, in de avond/nacht van 21 op 22 februari 2004, samen met drie anderen, schuldig gemaakt aan doodslag op [slachtoffer] en aan afpersing van die [slachtoffer].

Voorts heeft verdachte op 16 april 2004 in Arnhem een nabootsing van een pistool voorhanden gehad, heeft hij op 15 mei 2003 in Arnhem een hond van het Pit-bull-terrier-type voorhanden gehad en heeft hij zich op 24 juni 2004 in Arnhem schuldig gemaakt aan huisvredebreuk en aan het vernielen/beschadigen van de meterkast -en het slot en de deur van die kast- in die woning.

Verdachte en zijn drie mededaders, te weten [mededader 1], [mededader 3] en [mededader 2], hebben in de avond van 21 februari 2004 in Arnhem het latere slachtoffer [slachtoffer] opgepikt met een door verdachte bestuurde auto, omdat [mededader 1] geld en kleding van het slachtoffer tegoed had. [mededader 1] was kwaad op het slachtoffer en was opgefokt. Ook verdachte was, om andere redenen, kwaad en opgefokt. In de auto nam het slachtoffer op de achterbank tussen [mededader 2] en [mededader 1] plaats. [mededader 3] zat voorin op de passagiersstoel.

In de auto heeft [mededader 1] het slachtoffer tot bloedens toe geslagen en heeft hij het slachtoffer bedreigd terwijl verdachte met grote snelheid en deels met aanwijzingen van [mededader 3] naar een stille, donkere en afgelegen plek langs de IJssel in Velp reed. Even voor het voertuig door verdachte tot stilstand werd gebracht, vroeg [mededader 3] aan het slachtoffer of hij kon zwemmen. Nadat de auto tot stilstand was gebracht, stapten verdachte en zijn mededaders uit de auto en moest ook het slachtoffer uitstappen. Het slachtoffer moest achter de auto gaan staan. [mededader 1] ging voor hem staan terwijl verdachte vlak achter hem ging staan. [mededader 3] en [mededader 2] stonden op korte afstand achter [mededader 1]. Het slachtoffer werd door [mededader 1] in zijn zij geschopt en/of geduwd, en moest op bevel van [mededader 1] zijn jas uittrekken. De temperatuur schommelde op dat moment rond het vriespunt. Het slachtoffer vluchtte plotseling weg waarbij [mededader 1], verdachte en [mededader 3] achter het slachtoffer aangingen.

Kennelijk om zich van zijn achtervolgers te ontdoen, is het slachtoffer de IJssel ingerend. [mededader 1] en verdachte hebben stokken en stenen in het water gegooid. [mededader 3] heeft onder meer naar verdachte geroepen: “ Wat doe je nu, gek? Kom er uit.” Korte tijd later zijn verdachte en zijn mededaders, met meeneming van de jas en de mobiele telefoon van het slachtoffer, weer in de auto gestapt en zijn weggereden. In de auto is er door verdachte en/of zijn mededaders nog geopperd dat het slachtoffer misschien nog in leven was. Hoewel verdachte en zijn mededaders zich ervan bewust waren dat het slachtoffer zich in een levensbedreigende situatie bevond, hebben zij toen en ook later niets ondernomen om het slachtoffer hulp te bieden. Zij zijn weggereden en hebben het slachtoffer in het koude water van de IJssel aan zijn lot overgelaten. Het slachtoffer is op 23 februari aan de andere zijde van de rivier, met zijn been verstrengeld in prikkeldraad, gevonden. Hij bleek te zijn overleden.

Verdachte heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan een zeer ernstig delict.

De rechtbank neemt het verdachte niet alleen zeer kwalijk dat hij moedwillig heeft bijgedragen aan het creëren van een situatie die zo bedreigend was voor het slachtoffer [slachtoffer] dat deze daaraan trachtte te ontkomen door, in die koude en donkere februarinacht, de IJssel in te rennen. De rechtbank neemt het verdachte vooral ook kwalijk dat hij nadien, terwijl hij zich er van bewust was dat het slachtoffer zich in een levensbedreigende situatie bevond, geen enkele actie heeft ondernomen om het slachtoffer te redden. Verdachte heeft daarmee een grote onverschilligheid getoond ten opzichte van het leven van een ander. Ook ter terechtzitting heeft verdachte er geen blijk van gegeven inzicht te hebben in de ernst van zijn handelen én van zijn nalaten, nu hij de dood van [slachtoffer] heeft bestempeld als een ongeluk.

Met hun daad hebben verdachte en zijn mededaders het slachtoffer diens meest waardevolle bezit -zijn leven- ontnomen en hebben zij onherstelbaar leed toegebracht aan de nabestaanden.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte en zijn mededaders de rechtsorde hevig geschokt hebben. Een delict als het onderhavige roept in de samenleving gevoelens van grote onveiligheid op, hetgeen ook in de straftoemeting tot uitdrukking moet komen.

Uit het aangehaalde uittreksel uit het algemeen documentatie-register blijkt dat verdachte niet eerder ter zake van misdrijf is veroordeeld.

Met de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel is dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur op zijn plaats is.

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte een blanco strafblad heeft. Anderzijds laat de rechtbank zwaar meewegen dat verdachte in grote mate heeft bijgedragen aan het creëren van de bedreigende situatie, zoals hierboven beschreven.

6. De beoordeling van de civiele vorde-ring, alsmede de

gevor-derde op-legging van de schadevergoedings-maat-regel

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vorde-ring, strekkende tot vergoeding van geleden schade.

De verdachte heeft de vordering van de benadeelde weerspro-ken. De rechtbank acht de vordering - nu het tenlas-te-gelegde bewezen is verklaard en de vordering voldoende is onderbouwd - toewijsbaar.

De vordering zal dan ook worden toegewe-zen.

Voor de toewijsbare delen van de vorderingen geldt tevens dat de rechtbank de schadevergoe-dingsmaatregel ex art. 36f van het Wetboek van Strafrecht zal toepassen en dus verdachte de verplich-ting zal opleggen een bedrag, gelijk aan het door de rechtbank toe te wijzen schadebe-drag, aan de Staat te betalen ten behoeve van de benadeelde partijen.

De verdachte is niet meer tot vergoeding gehouden indien en voor zover het gevor-derde door zijn mededaders is of wordt voldaan.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is, behalve op de hiervoor genoemde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 27, 36f, 47, 57, 63, 138, 287, 312, 317 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2, 13, 55 en 56 van de Wet wapens en munitie en de artikelen 73, 121 en 122 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Spreekt verdachte vrij van het bij parketnummer 05/090209-04 onder 2 tenlastegelegde feit.

Verklaart bewezen dat verdachte de overige tenlastegelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van vier (4) jaren.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoer-legging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer].

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan mw. [slachtoffer 1], wonende te [adres], te betalen € 3.186,19 (zegge drieduizend honderdenzesentachtig euro en negentien cent), met dien verstande dat indien en voorzover [mededader 1], [mededader 3] en/of [mededader 2] betaalt ook veroordeelde daardoor tegenover zal zijn gekweten.

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Maatregel van schadevergoeding ad € 3.186,19, subsidiair 63 dagen hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer mw. [slachtoffer 1], wonende te [adres], te betalen € 3.186,19 (zegge drieduizend honderdenzesentachtig euro en negentien cent), bij gebreke van volledi-ge betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 63 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat, indien en voor zover de veroordeelde of

[mededader 1], [mededader 3] of [mededader 2] heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, het daarmee corresponderende gedeelte van de civielrechtelijke verplichting van veroordeelde om aan de benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien en voor zover veroordeel-de of [mededader 1], [mededader 3] of [mededader 2] aan de benadeelde partij heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Aldus gewezen door:

mr. N.W. Huijgen, vice-president, als voorzitter,

mr. M.C.G.J. van Well, rechter,

mr. M. Jansen, rechter,

in tegenwoordigheid van

mr. M.G.J. Post, griffier en

mr. H.G. Eskes griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 februari 2005.