Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2005:AS4411

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
27-01-2005
Datum publicatie
31-01-2005
Zaaknummer
AWB 05/176
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Huys Teisterbant; logiesgebouw; brandveiligheid; bestuursdwang; onjuiste wettelijke grondslag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector Bestuursrecht

Reg.nr.: AWB 05/176

UITSPRAAK

van de voorzieningenrechter ingevolge artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[verzoekers], wonende te [woonplaats],

verzoekers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Buren, verweerder

[belanghebbenden], te [woonplaats], partij ex artikel 8:26 van de Awb.

1. Procesverloop

Vanwege verweerder is geconstateerd dat in het door verzoekers bewoonde pand aan [adres] te [woonplaats] (Huys Teisterbant), in strijd met (een aantal van) de in de bouwverordening en het Bouwbesluit neergelegde brandveiligheidsvoorschriften, een logiesfunctie wordt uitgeoefend.

Bij besluit van 20 januari 2005, uitgereikt op diezelfde dag, heeft verweerder verzoekers onder aanzegging van bestuursdwang gelast om binnen 24 uur na het uitreiken van het besluit de logiesfunctie te staken en alle bedden uit de gastenkamers te verwijderen en verwijderd te houden, uitgezonderd een tweetal slaapplaatsen voor privé-doeleinden.

Tegen de aanzegging van bestuursdwang is door verzoekers diezelfde dag bezwaar gemaakt. Voorts is de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen, strekkende tot schorsing van het bestuursdwangbesluit.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 25 januari 2005. Verzoekers zijn daarbij in persoon verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door P.H. Speé en P.J. Vernooij, ambtenaren der gemeente. Voorts is namens de derde partij verschenen [belanghebbende].

2. Overwegingen

Ingevolge artikel 5:21 van de Awb wordt onder bestuursdwang verstaan: het door feitelijk handelen door of vanwege een bestuursorgaan optreden tegen hetgeen in strijd met bij of krachtens enig wettelijke voorschrift gestelde verplichting is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Woningwet (Wonw) kunnen burgemeester en wethouders, indien een gebouw, niet zijnde een woning, woonkeet of woonwagen, wegens strijd met de in artikel 2, eerste lid, bedoelde voorschriften of uit andere hoofde noodzakelijke voorzieningen behoeft dan wel wegens strijd met de in artikel 2, tweede lid, bedoelde voorschriften voorzieningen behoeft, degene die als eigenaar of uit anderen hoofde tot het treffen van die voorzieningen bevoegd is aanschrijven binnen een door hen te bepalen termijn de door hen aan te geven voorzieningen te treffen.

Op voet van artikel 17, derde lid, van de Wonw kunnen burgemeester en wethouders, indien een gebouw als bedoeld in het eerste lid wordt gebruikt op een wijze, die niet in overeenstemming is met de desbetreffende voorschriften uit de bouwverordening, de hoofdgebruiker of elke afzonderlijke gebruiker aanschrijven binnen een door hen te bepalen termijn het gebruik in overeenstemming met die voorschriften te brengen. In het vierde lid van dit artikel is bepaald dat burgemeester en wethouders tevens kunnen bepalen dat het gebruik gedurende de gestelde termijn dient te worden gestaakt, indien de aanschrijving geschiedt met het oog op gevaar of ernstige hinder.

Ingevolge artikel 21, eerste lid, van de Wonw is degene tot wie de aanschrijving is gericht, of zijn rechtsopvolger, verplicht daaraan te voldoen.

De voorzieningenrechter stelt vast -en ter zitting is van de zijde van verweerder ook bevestigd- dat het besluit van 18 januari 2005 geen aanschrijving betreft op grond van artikel 17 van de Wonw. Het besluit is niet gebaseerd op die wettelijke bepaling en behelst geen aanschrijving als bedoeld in die bepaling tot het treffen van aangegeven voorzieningen aan het pand.

Uit het voorgaande volgt dat het besluit van 18 januari 2005 tot toepassing van bestuursdwang niet strekt ter handhaving van een door verzoekers geschonden, bij of krachtens wettelijk voorschrift gestelde verplichting. Dit besluit is derhalve, met miskenning van artikel 125 van de Gemeentewet gelezen in samenhang met artikel 5:21 van de Awb, in strijd met de wet genomen en zal reeds om die reden niet in stand kunnen blijven. Verwezen wordt in dit verband op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 april 2004, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder nummer LJN AO7475.

Voorgaande brengt evenwel niet zonder meer met zich dat de gevraagde voorziening moet worden toegewezen. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter dat schorsing niet is aangewezen indien op voorhand aannemelijk is dat verweerder in bezwaar alsnog een juiste wettelijke basis aan het besluit ten grondslag kan leggen, op grond waarvan hij wel tot het aanzeggen van bestuursdwang bevoegd is. Dienaangaande wordt het volgende opgemerkt.

Zoals hiervoor reeds is aangegeven zal, indien een logiesgebouw uit hoofde van het Bouwbesluit of -verordening voorzieningen behoeft, het college van burgemeester en wethouders langs de weg van artikel 17 van de Wonw kunnen aanschrijven om deze voorzieningen te treffen. In het licht hiervan ziet de voorzieningenrechter zich voor de vraag geplaatst of verweerder alsnog op basis van dit artikel tot een handhavend optreden jegens verzoekers kan overgaan. Deze vraag wordt voorshands ontkennend beantwoord, althans voor zover het betreft de aanschrijving vanwege het niet voldoen aan de in het besluit nader omschreven bepalingen uit het Bouwbesluit.

Hiertoe wordt overwogen dat uit het bestreden besluit kan worden opgemaakt dat verzoekers, niet zijnde de eigenaren van het pand, vanwege de door hen gesloten huurovereenkomst “niet uit andere hoofde” tot het treffen van voorzieningen bevoegd zullen zijn, als in artikel 17, eerste lid, van de Wonw bedoeld. Dit brengt mee dat verweerder, indien hij tot een aanschrijving wil overgaan, naar voorlopig oordeel dezerzijds niet verzoekers doch de eigenaar van het pand zal dienen aan te schrijven.

Dit ligt anders voor zover het betreft het niet naleven van het bepaalde in artikel 2.6.2 van de gemeentelijke bouwverordening. Uit het bepaalde in meergenoemd artikel 17, derde en vierde lid, van de Wonw volgt immers dat verweerder in zulk een situatie de (hoofd)gebruiker

kan aanschrijven het gebruik te staken totdat de (ingevolge de voorschriften uit de bouwverordening) noodzakelijke voorzieningen zijn aangebracht. Op voorhand valt niet in te zien dat verweerder deze wettelijke grondslag tot het aanzeggen van bestuursdwang niet in de beslissing op bezwaar zou kunnen opnemen. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter aanleiding om dit onderdeel aan een nadere inhoudelijke beoordeling te onderwerpen, in welk verband het volgende wordt opgemerkt.

Ingevolge het bepaalde in artikel 2.6.2, eerste lid, onder a, van de in de gemeente Buren geldende bouwverordening dient een logiesgebouw, waarvan de hoogste vloer van een verblijfsruimte is gelegen op meer dan vijf meter boven het meetniveau als bedoeld in het Bouwbesluit, te worden voorzien van een brandmeldinstallatie als bedoeld in NEN 2535, uitgave 1996, en NEN 2535/A1, uitgave 2002.

Verweerder heeft zich, in navolging van het advies van de gemeentelijke brandweer, in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de vloeren van de voor logiesdoeleinden (bed & breakfast) in gebruik zijnde “gastenkamers” zijn gelegen op een hoogte van meer dan 5 meter boven het meetniveau als in het Bouwbesluit bedoeld, zodat ingevolge het bepaalde in artikel 2.6.2 van de bouwverordening een (doorgeschakelde) brandmeldinstallatie is vereist.

Verzoekers kunnen zich hiermee niet verenigen. Onder verwijzing naar het door hen ingebrachte deskundigenrapport van Atlas Adviesbureau te Druten van 24 januari 2005, stellen zij zich op het standpunt dat slechts één vloerniveau, zijnde de kamer aan de noordzijde (rechts), niet voldoet aan de ingevolge artikel 2.6.2 van de bouwverordening gestelde grenswaarde van 5 meter.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

De voorzieningenrechter ziet vooreerst voor de vraag geplaatst of het door verzoekers bewoonde gebouw, bekend onder de naam “Huys Teisterbant”, als een logiesgebouw kan worden aangemerkt.

Vastgesteld wordt dat in de bouwverordening geen definitiebepaling is opgenomen van het begrip “logiesgebouw”. Naar voorlopig oordeel dezerzijds dient voor de uitleg van dit begrip te worden aangesloten bij de begripsbepaling zoals opgenomen in artikel 1.1, vijfde lid, van Bouwbesluit: een gebouw of een gedeelte van een gebouw, waarin twee of meer logiesfuncties liggen, die zijn aangewezen op een of meer gemeenschappelijke verkeersroutes. Onder een logiesfunctie dient ingevolge het bepaalde in artikel 1.1, derde lid, van het Bouwbesluit te worden verstaan: gebruiksfunctie voor het bieden van recreatief verblijf of tijdelijk onderdak aan mensen.

Gelet op de hiervoor weergegeven begripsbepalingen en vanwege de omstandigheid dat in Huys Teisterbant in ieder geval twee kamers voor de logiesfunctie worden gebruikt, is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat sprake is van een logiesgebouw als in het Bouwbesluit -en daarmee de bouwverordening- bedoeld.

Nu voorts niet wordt betwist dat de kamer aan de noordgevel (rechts) van het gebouw wordt gebruikt ten behoeve van een logiesfunctie en de vloer van deze kamer is gelegen op een hoogte van meer dan 5 meter boven het meetniveau als in het Bouwbesluit bedoeld, moet de voorzieningenrechter vaststellen dat ingevolge het bepaalde in artikel 2.6.2 van de bouwverordening een (doorgeschakelde) brandmeldinstallatie is vereist. Gelet hierop en vanwege de omstandigheid dat uit het tot de stukken behorende rapport van de brandweer blijkt dat sprake is van een zeer brandgevaarlijke situatie, is verweerder naar voorlopig oordeel bevoegd om op grond van het bepaalde in artikel 17, derde en vierde lid, van de Wonw het gebruik van het gebouw als logiesgebouw te verbieden zolang de noodzakelijke brandmeldinstallatie niet is aangebracht. Aldus is het aannemelijk dat verweerder het geconstateerde gebrek in de bezwaarprocedure zal kunnen wegnemen. Schorsing van het besluit, althans voor zover dit strekt tot het beëindigen van de logiesfunctie, is dan ook niet aangewezen.

Voorgaande geldt evenwel niet voor zover verweerder verzoekers heeft gelast de bedden in de gastenkamers te verwijderen en verwijderd te houden. Naar voorlopig oordeel dezerzijds is deze lastgeving te ruim, nu de bedden ook voor andere dan logiesdoeleinden kunnen worden gebruikt. Tevens is daarbij in aanmerking genomen dat naar voorlopige oordeel een effectieve controle daardoor weliswaar wordt bemoeilijkt maar niet onmogelijk wordt gemaakt. In zoverre zal het verzoek om voorlopige voorziening dan ook worden ingewilligd. .

Tot slot, en in deze procedure volledig ten overvloede, merkt de voorzieningenrechter nog op dat -anders dan verweerder kennelijk meent- ingevolge het bepaalde in artikel 43, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wonw geen bouwvergunning is benodigd ingeval het bouwen geschiedt op aanschrijving van burgemeester en wethouders.

De voorzieningenrechter acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:84, vierde lid, jo. artikel 8:75, eerste lid, van de Awb en verweerder te veroordelen in de door verzoekers gemaakte proceskosten, bestaande uit de kosten die zijn verbonden aan het uitbrengen van het deskundigenrapport door Atlas Adviesbureau te Druten. Deze kosten worden, overeenkomstig de hiertoe overgelegde factuur, begroot op een bedrag van € 142,80. Dat het rapport niet heeft bijgedragen aan de grond waarop (deels) tot inwilliging van het verzoek om voorlopige voorziening is overgegaan, vormt daarbij naar vaste jurisprudentie geen relevante factor. Voorts bestaat aanleiding de gemeente Buren te gelasten de door verzoekers betaalde griffierechten aan hen te vergoeden.

Beslist wordt als volgt.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter

I wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening gedeeltelijk toe;

II schorst het besluit van 18 januari 2005 voor zover daarbij aan verzoekers is opgedragen de in het besluit nader geduide bedden te verwijderen;

III wijst het verzoek voor het overige af;

IV veroordeelt verweerder in de door verzoekers gemaakte proceskosten ten bedrage van €142,80 en wijst de gemeente Buren aan als de rechtspersoon die deze kosten aan verzoekers dient te vergoeden;

V bepaalt dat de gemeente Buren aan verzoekers het door hen betaalde griffierecht van € 136,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. J.J. Penning als voorzieningenrechter en in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2005, in tegenwoordigheid van mr. S.A. van Hoof als griffier.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Verzonden op: