Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2005:AS1733

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
10-01-2005
Datum publicatie
10-01-2005
Zaaknummer
05/090336-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht niet wettig bewezen hetgeen verdachten is tenlastegelegd en zal hen daarvan vrijspreken.

Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

Hoewel uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte zijn dochtertje die woensdagmorgen 16 juni 2004 tweemaal omhoog heeft gegooid, is het volgens de deskundigen, gehoord op de expertmeeting van 1 juli 2004, minder waarschijnlijk dat het fatale letsel is ontstaan door het omhppg gooien sec. Volgens de deskundigen is het juist zeer waarschijnlijk dat het fatale letsel is ontstaan door substantieel schudden, mogelijk in combinatie met het omhoog gooien. Weliswaar heefrt één getuige gezien dat verdachte zijn dochtertje krachtig heen en weer heeft geschud, doch dit schudden zou naar het oordeel van de getuige hebben plaatsgevonden op of om omstreeks 8/9 juni 2004, dus een week vóór het ontstaan van het fatale letsel. Daarmee blijft in het ongewisse wat zich die nacht van woensdag 16 juni 2004 exact heeft afgespeeld in het verblijf van verdachten. Naar het oordeel van de rechtbank kan dan ook niet uit de bewijsmiddelen volgen dat verdachte en zijn medeverdachte zich hebben schuldig gemaakt aan de ten laste gelegde strafbare feiten en dienen zij derhalve daarvoor te worden vrijgesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector strafrecht

Meervoudige Kamer

Parketnummer : 05/090336-04

Datum zitting : 3 januari 2005

Datum uitspraak : 10 januari 2005

VONNIS

TEGENSPRAAK

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats].

Raadsman: mr. P.W. van der Kruijs, advocaat te 's-Hertogenbosch.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 13 juni tot en met 17 juni 2004 te Ochten tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat verdachte en/of verdachtes mededader(s) opzettelijk voornoemde [slachtoffer], zijnde een baby, heeft geslagen en/of door elkaar heeft geschud en/of (een of meermalen) omhoog heeft gegooid en weer heeft opgevangen, althans zodanige handelingen heeft verricht met [slachtoffer] dat zij is komen te lijden aan een acceleratie/deceleratietrauma, tengevolge waarvan voornoemde persoon is overleden;

althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling leidt:

hij in of omstreeks de periode van 13 juni tot 17 juni 2004 te Ochten, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, aan een persoon genaamd [slachtoffer], zijnde zijn kind, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een hersenvliesbloeding), heeft toegebracht, door opzettelijk voornoemde [slachtoffer] te slaan en/of omhoog te gooien en/of door elkaar te schudden, althans met haar zodanige handelingen te verrichten dat zij kwam te lijden een acceleratie/deceleratietrauma, terwijl het feit de dood tengevolge heeft gehad;

meer subsidiair:

hij in of omstreeks de periode van 13 tot en met 17 juni 2004 te Ochten tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen (meermalen, althans eenmaal) opzettelijk mishandelend [slachtoffer], zijnde een pasgeboren baby, heeft geslagen en/of door elkaar geschud en/of omhoog gegooid, althans andere handelingen heeft verricht tengevolge waarvan voornoemde persoon een acceleratie/deceleratietrauma heeft opgelopen, terwijl dit feit de dood tengevolge heeft gehad;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 3 januari 2005 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. P.W. van der Kruijs, advocaat te 's-Hertogenbosch.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde zal worden vrijgesproken.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet wettig bewezen hetgeen verdachte primair, subsidiair en meer subsidiair is tenlastegelegd en zal hem daarvan vrijspreken. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

Op woensdagochtend 16 juni 2004 wordt [slachtoffer] in zorgwekkende toestand gebracht naar het ziekenhuis Rivierenland te Tiel. Aldaar is een inwendige foto van de hersenen gemaakt (MRI). Door de kinderarts, dr. K.E. Illy, werd gezien dat het brein ernstig beschadigd was, met veel bloed buiten de bloedvaten, hetgeen volgens dr. Illy (pagina 130 van het dossier) een oorzaak was van de comateuze toestand van [slachtoffer]. Door dr. Illy wordt gesproken over het ’shaken-baby-syndroom’ als oorzaak voor de aangetroffen letsels. Zijn conclusie is gebaseerd op de klinische bevindingen en op de resultaten van de MRI (ernstig beschadigd brein, veel bloed buiten de vaten). Na de MRI verslechtert de situatie van [slachtoffer] en wordt besloten haar over te plaatsen naar het Radboudziekenhuis in Nijmegen.

In het Radboudziekenhuis wordt geconstateerd dat er sprake is van ernstige diffuse bloedingen in- en rond de hersenen. Een CT-scan bevestigt de bevindingen van het MRI-onderzoek te Tiel. De oogarts constateert uitgebreide bloedingen in beide ogen in- en onder het netvlies, zo uitgebreid dat er geen normaal netvlies zichtbaar is. In het Radboudziekenhuis wordt gesteld dat er vermoedelijk sprake is van een niet-accidentele oorzaak van de afwijkingen (d.i. niet door ongeval veroorzaakte afwijkingen). Voor het Radboud ziekenhuis was dit aanleiding melding te doen bij het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (het AMK). Uiteindelijk wordt besloten de behandeling te staken en [slachtoffer] overlijdt op 17 juni 2004 (om 02.08 uur).

[slachtoffer] is op donderdag 17 juni 2004 overgebracht naar het Nederlands Forensisch Instituut (het NFI) te Rijswijk, alwaar sectie is verricht. Uit zowel het voorlopig sectieverslag (d.d. 17 juni 2004) als het definitief sectieverslag (d.d. 18 oktober 2004) volgt dat het intreden van de dood zonder meer verklaard kan worden door een hersenvliesbloeding, die zeer waarschijnlijk het gevolg is geweest van een acceleratie-/deceleratietrauma (d.i. het ‘shaken-baby-syndroom’). Op 1 juli 2004 is bij het NFI te Rijswijk een expert-meeting gehouden naar aanleiding van de conclusie in eerdergenoemd voorlopig sectieverslag. Het ontstane letsel (de hersenvliesbloeding) is, volgens de aanwezige deskundigen, zeer waarschijnlijk ontstaan door substantieel schudden. Mogelijk is het uiteindelijke totale letsel ontstaan door een combinatie van omhoog gooien, vangen en schudden.

In opdracht van de Officier van Justitie heeft forensisch geneeskundige, dr. R.A.C. Bilo, forensisch geneeskundige en consulent forensische pediatrie, de medische gegevens in relatie tot de in het proces-verbaal opgenomen verklaringen beoordeeld in het licht van het ontstaan van de bij [slachtoffer] geconstateerde letsels.

Samenvattend stelt dr. Bilo dat de meest waarschijnlijke verklaring voor het overlijden van [slachtoffer] de sequentie van hersenafwijkingen is geweest, die in gang is gezet als reactie op het letsel dat door afwisseling van acceleratie en deceleratie (schudden) veroorzaakt is. Volgens hem kan geconstateerd worden dat de oorzaak van het letsel en de afwijkingen van [slachtoffer] hoogstwaarschijnlijk of zelfs zeker, kindermishandeling is (pagina’s III-9 en III-29 van het verslag).

Voorts komt dr. Bilo tot de conclusie dat het fatale letsel moet zijn toegebracht na beëindiging van de voeding op dinsdagavond 15 juni 2004 om 23.30 uur en vóór het arriveren van de getuige J.T.A. [naam] op woensdagochtend 16 juni 2004 (pagina’s 26 en 27 van het verslag).

Het dossier bevat een aantal getuigenverklaringen die de conclusies van de deskundigen ondersteunen. Zo heeft de getuige J.T.A. [naam] verklaard op woensdagmorgen 16 juni 2004 naar verdachte en zijn medeverdachte te zijn gegaan omdat zij ongerust was (pagina 158 van het dossier). De getuige wilde erbij zijn als het eten voor [slachtoffer] klaargemaakt zou worden. Getuige heeft op enig moment gezien dat verdachte [verdachte] [slachtoffer] in zijn armen had en vervolgens haar in de lucht gooide en weer opving (pagina 154 van het dossier). De getuige schrok enorm en riep naar verdachte, maar nog voordat de getuige iets kon zeggen gooide verdachte [slachtoffer] wederom in de lucht. Volgens de getuige gooide verdachte [slachtoffer] boven het hoofd en los in de lucht zoals je een pop of bal in de lucht gooit (pagina 155 van het dossier). Volgens de getuige zei medeverdachte [medeverdachte] hierop dat [slachtoffer] op deze manier weer wakker werd (pagina’s 154 en 155 van het dossier). Medeverdachte [medeverdachte] is hierover verhoord en heeft de verklaring van de getuige [naam] bevestigd ( pagina 376 van het dossier). Medeverdachte [medeverdachte] is ter terechtzitting van 3 januari 2005 op haar verklaring teruggekomen, doch de rechtbank acht haar eerder afgelegde verklaring betrouwbaar mede in het licht van de door getuige [naam] afgelegde verklaringen. Verdachte [verdachte] heeft ten overstaan van de verbalisanten verklaard [slachtoffer] wel eens omhoog te hebben gegooid (pagina 358 van het dossier). Volgens verdachte [verdachte] vroeg medeverdachte [medeverdachte] aan verdachte om [slachtoffer] wakker te maken.

Voorts heeft de getuige A.M.F. [naam] verklaard te hebben gezien dat verdachte [slachtoffer] krachtig heeft geschud (pagina’s 186 en 192 van het dossier en pagina 2 van de bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring). Verdachte zou [slachtoffer] hebben vastgepakt onder de oksels en [slachtoffer] door elkaar hebben geschud. Het hoofdje ging op en neer, aldus de getuige.

Getuige heeft volgens zijn verklaring deze waarnemingen niet op de woensdagmorgen van 16 juni 2004 gedaan, maar een week eerder. Verdachte heeft ontkend [slachtoffer] te hebben geschud, zowel in de nacht van 16 juni 2004 als op enige andere datum.

Op grond van bovenstaande bevindingen en conclusies van de deskundigen, maar ook op grond van de verklaringen van de getuigen en medeverdachte [medeverdachte] is de rechtbank tot de overtuiging gekomen dat [slachtoffer] is komen te overlijden aan een acceleratie/deceleratietrauma (‘shaken-baby-syndroom’), hetgeen is veroorzaakt door een heftig schudden, al of niet in combinatie met het omhoog gooien van [slachtoffer] en naar de overtuiging van de rechtbank moet dit zijn gedaan door één van beide verdachten in de nacht van woensdag 16 juni 2004.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte [verdachte] [slachtoffer] die woensdagmorgen 16 juni 2004 tweemaal omhoog heeft gegooid, doch volgens de deskundigen, gehoord op de expert-meeting van 1 juli 2004, is het minder waarschijnlijk dat het fatale letsel is ontstaan door het omhoog gooien sec. Volgens de deskundigen is het juist zeer waarschijnlijk dat het fatale letsel is ontstaan door substantieel schudden, mogelijk in combinatie met het omhoog gooien (pagina 63 van het dossier). Weliswaar heeft één getuige gezien dat verdachte [verdachte] [slachtoffer] krachtig heen en weer heeft geschud, doch dit schudden zou naar het oordeel van de getuige hebben plaatsgevonden op of omstreeks 10 juni 2004, dus een week vóór het ontstaan van het fatale letsel. Daarmee blijft in het ongewisse wat zich die nacht van woensdag 16 juni 2004 exact heeft afgespeeld in het verblijf van verdachte en zijn medeverdachte. Naar het oordeel van de rechtbank kan dan ook niet uit de bewijsmiddelen volgen dat verdachte en zijn medeverdachte zich hebben schuldig gemaakt aan de ten laste gelegde strafbare feiten en dienen zij derhalve daarvoor te worden vrijgesproken.

4. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Spreekt verdachte vrij van de primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde feiten.

Aldus gewezen door:

mr. M. Jurgens, rechter, als voorzitter,

mr. C. Lely-Van Goch, rechter,

mr. P.J. Schreuder, rechter,

in tegenwoordigheid van drs. J. van Horn, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 januari 2005.