Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2004:AR8860

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
27-10-2004
Datum publicatie
06-01-2005
Zaaknummer
97213
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Echtheid handtekening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 97213 / HA ZA 03-358

Datum vonnis: 27 oktober 2004

Vonnis

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

procureur mr. N.L.J.M. Rijssenbeek,

advocaat mr. E.G.M. van Ewijk te Oss,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur mr. W.H.B.K. Brunet de Rochebrune,

advocaat mr. ing. A. Klein te Nijmegen.

De partijen worden hierna tevens aangeduid als [eiser] en [gedaagde].

Het verloop van de procedure

1. Voor het verloop van de procedure tot het tussenvonnis van 3 maart 2004 wordt naar dat vonnis verwezen. Ter uitvoering van het tussenvonnis is een deskundigenbericht uitgebracht. Het rapport daarvan bevindt zich bij de stukken. Verder zijn nog de volgende processtukken gewisseld:

? een conclusie na deskundigenbericht van de zijde van [gedaagde];

? een conclusie van antwoord na deskundigenbericht van de zijde van [eiser].

Ten slotte is wederom vonnis bepaald.

De verdere beoordeling van het geschil

2. In haar vonnis van 3 maart 2004 heeft de rechtbank een deskundigenbericht gelast ter beantwoording van de volgende

vraag:

Met welke graad van waarschijnlijkheid kan worden aangenomen dat de onder de kwitantie van 22 maart 2002 geplaatste handtekening door [eiser] is geplaatst?

3. De rechtbank heeft [betrokkene 1] als deskundige benoemd. Deze heeft een rapport uitgebracht, gedateerd 27 april 2004. De deskundige concludeert dat de betwiste handtekening onder de kwitantie waarschijnlijk niet is vervaardigd door [eiser] zelf. Mevrouw [betrokkene 1] geeft daarbij aan, dat gezien de geringe informatie-inhoud van de betwiste handtekening een hogere negatieve waarschijnlijkheidsuitspraak niet mogelijk is.

4. Bij conclusie na deskundigenbericht heeft [gedaagde] een rapport in het geding gebracht van [betrokkene 2] c.s., Algemeen Grafologisch Bureau. Mevrouw [betrokkene 2] komt daarin tot de conclusie dat de betwiste handtekening met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid wel is geproduceerd door de persoon die ook het vergelijkingsmateriaal vervaardigde, te weten [eiser].

5. Uit de door [eiser] vervolgens in het geding gebrachte brief van drs. [betrokkene 3] blijkt, dat deze de conclusie van mevrouw [betrokkene 2] onderschrijft, zij het dat hij aangeeft dat hij om principiële redenen een andere trede van de gebruikelijke waarschijnlijkheidstrap zou hebben gekozen. De reden die hij hiervoor aanvoert is dat het betwiste materiaal niet in originali kon worden onderzocht, dat het ter beschikking staande vergelijkingsmateriaal geen voldoende en representatieve steekproef uit het totale handtekeningrepertoire van betrokkene vormt en dat de bewegingscoördinatie van de betwiste handtekening niet als complex is aan te merken.

6. De rechtbank is van oordeel dat op basis van het rapport van de door haar benoemde deskundige niet is komen vast te staan dat de handtekening onder de kwitantie gezet is door [eiser]. Weliswaar is de mogelijkheid dat de handtekening door [eiser] is gezet door het rapport van mevrouw [betrokkene 2] vergroot, maar de rechtbank is van oordeel dat dit rapport niet rechtvaardigt dat het rapport van de door de rechtbank benoemde onafhankelijke deskundige terzijde wordt gelegd. Daarbij weegt zwaar mee dat mevrouw [betrokkene 2], anders dan mevrouw [betrokkene 1], niet over de originele handtekeningen beschikte.

7. Nu uit het deskundigenbericht niet is komen vast te staan dat de handtekening onder de kwitantie inderdaad is geplaatst door [eiser], is het bewijs dat door of namens [gedaagde] is betaald nog niet geleverd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [gedaagde] wel voldoende gesteld om hem toe te laten tot bewijslevering. Nu [gedaagde] degene is die zich op de rechtsgevolgen van betaling beroept zal de rechtbank hem, op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv., toelaten tot het bewijs dat door of namens hem de koopsom volledig is voldaan. Als [gedaagde] in dat bewijs slaagt, zal de rechtbank de vordering van [eiser] afwijzen. Slaagt [gedaagde] er niet in om het bewijs te leveren, dan is de vordering tot betaling van de koopsom en de kosten van overname van de voorraad toewijsbaar.

8. In dat geval zullen tevens de beide gevorderde boetes, ter hoogte van respectievelijk € 10.000,-- en € 56.000,--, de contractuele rente en de buitengerechtelijke incassokosten aan de orde komen. Ten aanzien van de beide boetes en het verzoek tot matiging daarvan door gedaagde overweegt de rechtbank nu reeds het volgende.

9. Gedaagde beroept zich op de toepasselijkheid van artikel 6:92 BW, waarin wordt bepaald, dat de schuldeiser geen nakoming kan vorderen zowel van het boetebeding, als van de verbintenis waaraan het boetebeding verbonden is. In het onderhavige geval geldt echter de in de parlementaire geschiedenis van dit artikel genoemde uitzondering dat de boete op de enkele vertraging is gesteld. Dat neemt niet weg dat gedaagde, naar het oordeel van de rechtbank wel een beroep toekomt op artikel 6:94 BW.

10. Gevorderd is betaling van zowel de boete van € 10.000,-- als van de boete van € 56.000,--, in totaal een bedrag van € 66.000,--. De totale koopsom bedroeg € 113.445,06. Hieruit volgt dat de boete meer dan de helft van de koopsom beloopt. Daarnaast vordert [eiser] nog een verhoging van de wettelijke rente met 4% op jaarbasis. De rechtbank is van oordeel dat een dergelijke boete buitensporig hoog is en dat toewijzing van dat bedrag in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. Een overeenkomst heeft immers niet alleen de door partijen overeengekomen rechtsgevolgen, maar ook die welke, naar de aard van de overeenkomst, uit de wet, de gewoonte of de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeien. Een tussen partijen als gevolg van de overeenkomst geldende regel is niet van toepassing, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. De rechtbank acht een boete van 15% van de totale koopsom redelijk en zal de door eiser gevorderde boete derhalve matigen tot het bedrag van € 11.345,-. De vordering tot vergoeding van 4% rente in aanvulling op de verschuldigde wettelijke rente zal de rechtbank afwijzen.

11. Tenslotte vordert [eiser] op grond van artikel 4 van de koopovereenkomst buitengerechtelijke kosten ter hoogte van € 7.076,09. [gedaagde] heeft hiertegen verweer gevoerd. De rechtbank zal deze kosten overeenkomstig het Rapport Voorwerk II forfaitair matigen tot twee punten van het toepasselijke liquidatietarief in eerste aanleg.

12. De rechtbank zal iedere verdere beslissing aanhouden. Hoger beroep van dit vonnis staat alleen open tegelijk met dat van het eindvonnis.

De beslissing

De rechtbank:

laat [gedaagde] toe tot het bewijs dat door of namens hem de gehele koopsom is voldaan,

bepaalt dat, voor zover [gedaagde] dit bewijs door middel van getuigen wil leveren, de getuigen door de rechtbank (mr. I.D. Jacobs) gehoord zullen worden in het Paleis van Justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd (in beginsel op een donderdag),

verwijst de zaak naar de tweede rolzitting na de dag waarop dit vonnis is uitgesproken voor het opgeven van eventuele getuigen met hun respectieve verhinderdagen, alsmede de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden november 2004 tot en met februari 2005, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

bepaalt dat het aan de hand van de gedane opgave(n) vastgestelde tijdstip in beginsel niet zal worden gewijzigd,

verstaat dat bij gebreke van de gevraagde opgave van getuigen geen gelegenheid meer zal worden gegeven voor het doen horen van getuigen,

verwijst in dat geval de zaak naar de zesde rolzitting na de dag waarop dit vonnis is uitgesproken, voor het nemen van een conclusie na niet gehouden getuigenverhoor aan de zijde van [gedaagde], waarbij deze desgewenst ook het bewijs schriftelijk kan leveren, of voor bepaling datum vonnis,

bepaalt dat de partijen bij de getuigenverhoren aanwezig zullen zijn,

bepaalt dat, voor zover partijen in verband met de getuigenverhoren zich nog van (schriftelijke) (bewijs)stukken willen bedienen, zij deze stukken uiterlijk twee weken tevoren in fotokopie aan de andere partij en aan de rechtbank toe zullen zenden,

verstaat dat hoger beroep van dit vonnis alleen mogelijk is tegelijk met dat van het eindvonnis,

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.D. Jacobs en uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2004.

de griffier de rechter