Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2004:AR8850

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
03-11-2004
Datum publicatie
06-01-2005
Zaaknummer
93063
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Proceskosten; Buitengerechtelijke incassokosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 93063 / HA ZA 02-1699

Datum vonnis: 3 november 2004

Vonnis

in de zaak van

de maatschap

MAATSCHAP HUISARTSENPARKTIJK WAPENVELD,

gevestigd te Wapenveld,

eiseres,

procureur mr. N.L.J.M. Rijssenbeek,

advocaat mr. M. Bemer te Amsterdam,

tegen

Uitgesloten aansprakelijkheid

ONDERLINGE WAARBORGMIJ ZORGVERZEKERAAR VGZ U.A.,

gevestigd te Nijmegen,

verweerster,

procureur mr. J.M.J. Huver,

advocaat mr. J.E. Benner te 's-Hertogenbosch.

Partijen worden hierna Wapenveld en VGZ genoemd.

7 Het verloop van de procedure

7.1 Voor het verloop van de procedure tot het tussenvonnis van 16 juni 2004 wordt naar dat vonnis verwezen. Ter uitvoering van dit tussenvonnis zijn de volgende processtukken gewisseld:

* een akteverzoek van de zijde van Wapenveld;

* een akteverzoek van de zijde van VGZ.

Ten slotte is vonnis bepaald.

8 De verdere beoordeling van het geschil

8.1 De rechtbank heeft in haar vonnis van 16 juni 2004, bij welk vonnis zij blijft, de procedure naar de rol verwezen, opdat Wapenveld zich erover kan uitlaten, welke getalsmatige consequenties de beslissing van de rechtbank over de uitleg van artikel 6.4 van de overeenkomst inzake AZC Wapenveld te Heerde heeft.

8.2 Partijen hebben in hun aktes aangegeven dat zij het erover eens zijn dat de beslissing van de rechtbank inhoudt dat VGZ nog € 26.636,94 aan Wapenveld dient te betalen. VGZ heeft in haar laatste akte gesteld dat zij genoemd bedrag reeds heeft betaald. De rechtbank wenst van Wapenveld te vernemen of dat juist is en zal de procedure daartoe naar de rol verwijzen.

8.3 Partijen hebben vonnis gevraagd, omdat zij het niet eens zijn geworden over de vraag of VGZ aan Wapenveld buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten verschuldigd is. Wapenveld stelt zich op het standpunt dat dit zo is. VGZ stelt dat er gezien de beslissing van de rechtbank aanleiding is, primair tot een kostenveroordeling ten laste van Wapenveld en subsidiair tot compensatie van deze kosten.

8.4 De rechtbank overweegt als volgt. Wapenveld heeft in deze procedure hoog ingezet. Zij stelde zich op het standpunt dat de overeenkomst meebracht dat zij aanspraak had op de volledige vergoeding voor de door haar aangeboden, maar niet afgenomen huisartsgeneeskundige zorg over de gehele periode van 1 juni 2001 tot 11 maart 2002. De rechtbank is haar daarin slechts ten dele gevolgd door over de periode van 11 januari 2002 tot 11 maart 2002 de kosten volledig voor vergoeding in aanmerking te laten komen en door over de periode van 1 juni 2001 tot 11 januari 2002 de gevorderde vergoeding met een factor 2,5 terug te brengen. Na de laatste wijziging van eis vorderde Wapenveld € 74.374,53. VGZ stelde daarop dat zij slechts € 9.450,91 behoefde te betalen. De rechtbank heeft uiteindelijk € 26.636,94 toegewezen. Dit betekent dat Wapenveld hoofdzakelijk in het ongelijk is gesteld en dat zij daarom in de kosten van het geding zal worden veroordeeld.

8.5 Op grond van het voorgaande is er geen aanleiding om buitengerechtelijke incassokosten ten laste van VGZ toe te wijzen. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat VGZ blijkens haar conclusie van antwoord en haar houding tijdens de comparitie van partijen gaarne een minnelijke regeling had willen treffen. Wapenveld heeft echter voor en gedurende de procedure een straffe stellingname ingenomen. Dit blijkt met name uit de brief van de vorige raadsman van 24 oktober 2002, waarin hij schrijft dat Wapenveld geen reden ziet om ieder ander voorstel dan integrale betaling van haar vordering in overweging te nemen. Om deze reden kan niet worden gezegd dat Wapenveld serieuze pogingen heeft ondernomen om voldoening buiten rechte te verkrijgen.

8.6 Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

De beslissing

de rechtbank

1. verwijst de procedure naar de rol van 15 december 2004, opdat Wapenveld bij akte de inlichtingen kan verstrekken, waarom in rechtsoverweging 8.2 is verzocht,

2. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.J. de Vries en in het openbaar uitgesproken op woensdag 3 november 2004.

de griffier de rechter