Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2004:AR8832

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
10-11-2004
Datum publicatie
06-01-2005
Zaaknummer
76553
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Zaaksbeschadiging.

In een dergelijk geval dienen de herstelkosten naar objectieve maatstaven te worden beoordeeld, ook al heeft de benadeelde (zoals hier het geval is) de beschadigde zaak deels zelf of in eigen bedrijf laten herstellen (HR 16 juni 1961, NJ 1961, 444).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 76553 HA ZA 01/1292

Datum uitspraak: 10 november 2004

Vonnis

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser in conventie bij dagvaarding van 10 juli 2001,

verweerder in reconventie,

procureur en advocaat mr. H.J.R.M. Boersma te Tiel,

tegen:

1. [gedaagde 1],

2. [gedaagde 2],

beiden wonende te [woonplaats],

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

procureur mr. C.G.Th. van Ouwerkerk te Tiel,

advocaat mr. H.J. Diepeveen te Rhenen,

Het verloop van de procedure

Voor het eerdere verloop van de procedure wordt verwezen naar het vonnis van 28 januari 2004. Ter uitvoering van dat vonnis heeft ieder van de partijen een akte genomen, [eiser] onder overlegging van vier en [gedaagde 1] c.s. onder overlegging van een productie(s). Daarna is vonnis bepaald.

De beoordeling van het geschil

in conventie

1. De rechtbank blijft bij hetgeen in het tussenvonnis van 28 januari 2004 is overwogen en beslist. In dat tussenvonnis was [eiser] in de gelegenheid gesteld de hoogte van zijn schade door middel van schriftelijke bescheiden aan te tonen en desgewenst aan te geven of hij het bewijs (mede) op andere wijze wenst te leveren en zo ja, op welke wijze.

2. Bij akte heeft [eiser] overgelegd een offerte van hovenier [betrokkene 1] d.d. 19 september 2001 tot een bedrag van € 5.910,14 en diens uiteindelijke factuur van 21 mei 2002, een factuur van het kadaster van 29 januari 2001, een schriftelijke verklaring van [eiser] en facturen van Juridisch Adviesbureau Ingen, Juridisch Adviesbureau Dobbelsteijn Bisschops c.s. en van Boersma Advocaten. [eiser] heeft mede aan de hand daarvan zijn eis gewijzigd in die zin dat hij thans de veroordeling van [gedaagde 1] c.s. vordert aan hem te betalen een schadevergoeding van in totaal € 26.171,18.

3. [gedaagde 1] c.s. hebben zich niet verzet tegen de wijziging van eis, zodat de gewijzigde vordering moet worden beoordeeld.

4. De door [eiser] gevorderde schade ad € 26.171,18 is opgebouwd uit de volgende posten:

a. € 5.910,14 wegens de vervanging van de dode laurierhaag en het aanbrengen van een deugdelijke waterafvoer,

b. € 191,04 wegens kadastrale kosten

c. € 2.500,-- aan immateriële schade en

d. € 17.570,-- wegens kosten van juridische bijstand.

De schadepost sub 4.a

5. [eiser] vordert ter zake van de vervanging van de laurierhaag een schadevergoeding die overeenkomt met de eerder door [eiser] overgelegde offerte van [betrokkene 1], zoals hiervoor onder 2 bedoeld, tot een bedrag van € 5.910,14.

6. In het tussenvonnis van 28 januari 2004 is overwogen dat aangenomen moet worden dat de laurierhaag van [eiser] is verdronken als gevolg van de handelwijze van [gedaagde 1] c.s. Het gaat hier dus om zaaksbeschadiging. In een dergelijk geval dienen de herstelkosten naar objectieve maatstaven te worden beoordeeld, ook al heeft de benadeelde (zoals hier het geval is) de beschadigde zaak deels zelf of in eigen bedrijf laten herstellen (HR 16 juni 1961, NJ 1961, 444). Dat betekent dat het verweer van [gedaagde 1] c.s. dat zij niet in de gelegenheid zijn gesteld de uitgevoerde werkzaamheden zelf te verrichten, en dat de door [eiser] aan de herplant van de haag bestede uren niet voor vergoeding in aanmerking komen, als niet relevant zal worden gepasseerd.

7. [gedaagde 1] c.s. hebben bezwaar gemaakt tegen de hoogte van de offerte van hovenier [betrokkene 1]. Zij hebben van hun kant overgelegd een offerte van hoveniersbedrijf [betrokkene 2]. Diens offerte voor het vervangen van de haag komt, uitgaande van een lengte van een haag van 40 meter, uit op een bedrag van

€ 1.963,28.

Een eerste, wezenlijk verschil tussen de offertes van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] is daarin gelegen, dat [betrokkene 1] uitgaat van de aanplant van 100 stuks Prunus rotundifolia, wat uitkomt op (omgerekend) € 2.495,--, terwijl [betrokkene 2] uitgaat van de aanplant van 41 stuks Prunus laurocerasus grandiflora, wat uitkomt op € 567,85. Uiteindelijk heeft [eiser] gekozen voor de aanplant van 97 stuks van de goedkopere, maar sneller groeiende conifeer Cupressocyparis Leylandii. Dat komt uit op een bedrag van € 679,--. De rechtbank zal bij de berekening van de schade uitgaan van het laatste bedrag. Dat is weliswaar iets meer dan de kosten van aanplant van een laurierhaag, maar het is in de onderhavige situatie redelijk dat [eiser] heeft gekozen voor de aanplant van een snelgroeiende dichte haag, om op korte termijn weer een ondoorzichtige erfafscheiding te hebben. Een tweede verschil is dat in de offerte van [betrokkene 1] rekening is gehouden met de aanleg van een drainage over een lengte van ongeveer 50 meter, terwijl daarmee in de offerte van [betrokkene 2] niet is gerekend. Het is, nu de aanleg van een drainage noodzakelijk bleek, redelijk met de kosten van de aanleg daarvan rekening te houden.

Rekening houdend met dit een en ander en uitgaande van een lengte van de te vervangen haag van ongeveer 50 meter, acht de rechtbank een schadevergoeding van € 4.000,-- passend.

De schadepost sub 4.b

8. Deze vordering moet worden afgewezen. [eiser] heeft deze kosten, zo moet worden aangenomen, gemaakt in verband met zijn stelling dat [gedaagde 1] c.s. bij het aanleggen van de verharde oprit deels grond van [eiser] in gebruik hebben genomen. De daarop betrekking hebbende vordering heeft [eiser] evenwel, nadat bij gelegenheid van de comparitie ter plaatse was gebleken dat van grensoverschrijdend grondgebruik geen sprake was, ingetrokken. Deze kosten zijn dus niet het gevolg van de onrechtmatige handelwijze van [gedaagde 1] c.s.

De schadepost sub 4.c

9. [eiser] heeft aan deze vordering, zo blijkt uit zijn (als productie 3 bij akte overgelegde) schriftelijke verklaring van 10 februari 2004, ten grondslag gelegd dat hij emotionele schade heeft geleden omdat zijn vier tot tien jaar oude laurierstruiken die hij jaren met veel zorg heeft omringd, door de handelwijze van [gedaagde 1] c.s. zijn doodgegaan.

De teleurstelling die het doodgaan van de laurierstruiken bij [eiser] zal hebben opgeroepen komt niet voor vergoeding als immateriële schade in aanmerking, aangezien een meer of minder sterk psychisch onbehagen daarvoor niet voldoende is en niet als een aantasting in de persoon kan worden aangemerkt (HR 13 januari 1995, NJ 1997, 366). Deze vordering zal dan ook worden afgewezen.

De schadepost sub 4.d

10. Bij de beoordeling hiervan is allereerst van belang dat als schade alleen buitengerechtelijke kosten kunnen worden gevorderd, omdat in de kostenveroordeling krachtens artikel 56 Rv (oud) de gerechtelijke kosten in beginsel zijn begrepen en er slechts onder bijzondere omstandigheden aanleiding bestaat om van het liquidatietarief - hoewel dat is vervat in een niet bindende richtlijn - af te wijken. [eiser] heeft evenwel niet gesteld dat zich hier dergelijke omstandigheden voordoen. Voor zover [eiser] daarbij het oog heeft op de omstandigheid dat hij [gedaagde 1] c.s. redelijk heeft benaderd om te komen tot een voor beide partijen acceptabele oplossing is dat, zo al juist, onvoldoende om tot een afwijking van het liquidatietarief te komen. Evenmin is gesteld of gebleken dat de partijen omtrent een vergoeding van gerechtelijke kosten een afspraak met elkaar hebben gemaakt. Dat betekent dat de door [eiser] overgelegde facturen vanaf 28 september 2001 niet voor vergoeding in aanmerking komen. De dagvaarding is immers uitgebracht op 10 juli 2001 en de facturen vanaf genoemde datum hebben enkel betrekking op gerechtelijke werkzaamheden. Datzelfde geldt voor de factuur van 31 mei 2001 ad f 1.386,94. Blijkens de daarbij behorende specificatie gaat het ook hier om gerechtelijke werkzaamheden (met name het opstellen van de dagvaarding en daarbij behorende werkzaamheden). Resteren de facturen van 12 december 2000, 31 januari 2001 en 4 april 2001 van respectievelijk (omgerekend) € 1.377,02, € 751,-- en € 339,66. Deze facturen hebben betrekking op door Juridisch Adviesbureau Ingen in de periode van 24 augustus 2000 t/m 4 april 2001 verrichte werkzaamheden. Daaruit volgt wel dat [eiser] buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt, maar niet tot welk bedrag. Uit de specificaties blijkt niet steeds of het gaat om gerechtelijke of buitengerechtelijke werkzaamheden en bovendien is onduidelijk op welke (uiteindelijk ingestelde) vorderingen de werkzaamheden betrekking hebben. Dat laatste is van belang omdat [eiser] in de loop van de procedure de in de dagvaarding sub 3, 4 en 5 vermelde vorderingen heeft ingetrokken. In deze omstandigheden is een matiging op zijn plaats. De rechtbank zal de gevorderde vergoeding daarom matigen tot een bedrag gelijk aan twee punten van het toepasselijk liquidatietarief. Dat komt in dit geval neer op € 768,--.

11. De conclusie is dat de vordering van [eiser] toewijsbaar is tot een bedrag van in totaal (€ 4.000,-- + 768,-- =) € 4.768,--.

12. Aangezien de partijen in conventie over en weer op enige punten in het ongelijk zijn gesteld zullen de kosten van de procedure in conventie tussen hen worden gecompenseerd.

In reconventie

13. [gedaagde 1] c.s. hebben gesteld dat [eiser] redelijke schikkingsvoorstellen niet heeft willen aanvaarden en dat zij als gevolg van onterechte beschuldigingen van [eiser] de hulp van een advocaat hebben moeten inroepen. De daarmee samenhangende schade wegens rechtshulp bedraagt (omgerekend) € 1.105,65 inclusief omzetbelasting. [gedaagde 1] c.s hebben daarom gevorderd [eiser] te veroordelen dat bedrag aan hen te betalen.

Deze vordering moet worden afgewezen. Het geschil tussen de partijen is in hoofdzaak ontstaan omdat [gedaagde 1] c.s. werkzaamheden op hun terrein hebben verricht waardoor de waterloop op het terrein van [eiser] is veranderd en als gevolg waarvan de laurierhaag is verdronken. [eiser] heeft [gedaagde 1] c.s. , die steeds hebben betwist dat de haag als gevolg van hun handelwijze is doodgegaan, dan ook niet ten onrechte in een procedure betrokken.

14. De door [eiser] voorwaardelijk ingestelde vordering, inhoudende een verklaring voor recht dat zij door verjaring een erfdienstbaarheid hebben verkregen tot houden en/of plaatsen van een erfafscheiding op de bestaande wijze op het perceel van [eiser], behoeft niet aan de orde te komen omdat er, zoals al overwogen, geen sprake is geweest van grensoverschrijdend gebruik door [gedaagde 1] c.s.

15. Als de in het ongelijk gestelde partij zullen [gedaagde 1] c.s. de kosten van de procedure in reconventie moeten dragen.

De beslissing

De rechtbank

in conventie

veroordeelt [gedaagde 1] c.s. tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen een schadevergoeding van € 4.768,--,

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

compenseert de proceskosten tussen de partijen in die zin, dat iedere partij haar eigen kosten draagt,

wijst af het meer of anders gevorderde,

in reconventie

wijst de vorderingen van [gedaagde 1] c.s. af,

veroordeelt [gedaagde 1] c.s. in de kosten van de procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser] bepaald op € 576,-- voor salaris.

Dit vonnis is gewezen door mr. D. van Driel van Wageningen en uitgesproken in het openbaar op 10 november 2004.

De griffier: de rechter: