Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2004:AR8763

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
22-12-2004
Datum publicatie
05-01-2005
Zaaknummer
AWB 04/852
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2005:AU7585
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om een zuiver schadebesluit t.w. kostenvergoeding rechtsbijstand gemaakt in een aan een Awb-besluit voorafgaande voorprocedure. Vatbaar voor bezwaar en beroep bij de bestuursrechter, want in voldoende mate voldaan aan de eis van materiële en processuele connexiteit.

Uitspraak in hoger beroep vernietigd met niet-ontvankelijkverklaring beroep; LJN AU7585.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector bestuursrecht

Registratienummer: AWB 04/852

Uitspraak

ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[eiseres],

gevestigd te [vestigingsplaats], vertegenwoordigd door mr. T.E.P.A. Lam,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 15 maart 2004.

2. Procesverloop

Bij brief van 29 september 2003 heeft eiseres aan verweerder verzocht om vergoeding van de kosten die eiseres heeft moeten maken in verband met een - na bezwaar herroepen - bouwvergunning met vrijstelling ten behoeve van de vestiging van een restaurant aan de [adres] te [woonplaats].

Bij besluit van 25 november 2003 heeft verweerder dit verzoek niet in behandeling genomen.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het ingediende bezwaar, met een gewijzigde motivering, ongegrond verklaard en het eerdergenoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 12 november 2004. Voor eiseres is aldaar verschenen [gemachtigde], bijgestaan door mr. T.E.P.A. Lam, advocaat te Nijmegen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. S.G. Blasweiler, ambtenaar der gemeente.

3. Overwegingen

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 26 maart 2002 heeft verweerder vrijstelling verleend ex artikel 15 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening voor het verbouwen van het pand [adres] te [woonplaats] tot restaurant. Op 6 mei 2002 heeft verweerder hiervoor voorts een bouwvergunning verleend. Bij besluit van 23 januari 2003 heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen voornoemde bouwvergunning en vrijstelling gegrond verklaard en de bouwvergunning alsnog geweigerd.

Bij de in rubriek 2 genoemde brief van 29 september 2003 heeft eiseres verweerder verzocht de kosten van deskundige en rechtskundige bijstand tot een bedrag van € 13.264,50 te vergoeden. Hiertoe is - samengevat - aangevoerd dat de primaire besluiten van 2 april 2002 en 6 mei 2002 onrechtmatig zijn, omdat namens eiseres reeds naar aanleiding van de publicatie van de bouwaanvrage en tijdens de bedenkingenprocedure in het kader van de voorgenomen vrijstelling, dezelfde argumenten zijn aangedragen die uiteindelijk tot herroeping van die besluiten hebben geleid. Onder die omstandigheden heeft verweerder tegen beter weten in tot vrijstelling en bouwvergunning besloten, aldus eiseres.

Bij het primaire besluit van 25 november 2003 heeft verweerder dit verzoek niet in behandeling genomen, waartoe is overwogen dat het verzoek van eiseres is ingediend na de totstandkoming van het besluit op bezwaar van 23 januari 2003, zodat het verzoek niet is gedaan binnen de in artikel 7:15, derde lid, van de Awb bedoelde termijn.

In bezwaar heeft eiseres te kennen gegeven dat de verzochte kostenvergoeding betrekking heeft op de voorbereidingsfase van het primaire besluit en niet op de bezwarenprocedure, zodat het niet zijn grondslag vindt in de Wet kosten bestuurlijke voorprocedure, maar moet worden opgevat als een verzoek om een zuiver schadebesluit. Gelet hierop heeft verweerder bij het thans bestreden besluit het verzoek van eiseres van 29 september 2003 aangemerkt als zijnde een verzoek om een zuiver schadebesluit in vorenbedoelde zin, doch (ook) dit verzoek niet in behandeling genomen.

De rechtbank stelt op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting vast dat het bestreden besluit moet worden opgevat als een weigering de facturen van de raadsman van eiseres van 7 februari 2001, 7 juni 2001 en 5 februari 2002 voor vergoeding in aanmerking te brengen. Het betreft hier mitsdien louter de kosten van rechtskundige bijstand in de fase voorafgaand aan de (herroepen) besluiten van 2 april en 6 mei 2002. Voorts heeft verweerder ter zitting bevestigd dat het bestreden besluit moet worden opgevat als een weigering deze kosten te vergoeden.

De rechtbank overweegt voorts als volgt.

De rechtbank is van oordeel dat een besluit als het onderhavige, strekkende tot weigering van de vergoeding van kosten van rechtsbijstand gemaakt in een aan een Awb-besluit voorafgaande voorprocedure, vatbaar is voor bezwaar en beroep bij de bestuursrechter. Hoewel ten aanzien van dit soort kosten niet kan worden gezegd dat zij een rechtstreeks gevolg zijn van een onrechtmatige besluit, zijn deze wel gemaakt binnen het kader van een publiekrechtelijke rechtsbetrekking, uitmondend in een tweetal besluiten waarover de bestuursrechter bevoegd is te oordelen. Naar het oordeel van de rechtbank is aldus in voldoende mate aan de eis van materiele en processuele connexiteit voldaan. Nu eiseres voorts aan haar verzoek ten grondslag heeft gelegd de stelling dat de primaire besluiten tegen beter weten in zijn genomen, moet een voldoende causaal verband aanwezig worden geacht tussen de beweerdelijk geleden schade en de bij het besluit van 23 januari 2003 herroepen primaire besluiten.

De rechtbank meent voor deze opvatting tevens steun te vinden in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 16 mei 2000 (LJN: AL2879, 20000423/11), waarbij de AbRS zich (impliciet) bevoegd heeft geacht een oordeel te geven over de (mogelijkheid tot) vergoeding van kosten van rechtsbijstand die zijn gemaakt in het kader van een voorbereidingsprocedure, die heeft geleid tot een primair besluit waartegen bezwaar en beroep openstaat ingevolge de Awb. De omstandigheid dat het verzoek tot kostenvergoeding in die procedure is gedaan op grond van artikel 8:73 van de Awb, doet hieraan naar het oordeel van de rechtbank niet af. De in laatstgenoemd artikel gegeven mogelijkheid om in beroep schadevergoeding te vorderen laat immers onverlet dat degene ten aanzien van wie een onrechtmatig besluit is genomen pas later een verzoek indient tot het nemen van een zuiver schadebesluit. De rechtbank verwijst hiertoe naar bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 21 augustus 1998, gepubliceerd in RSV 1998/327. Evenmin staat hieraan in de weg dat met de Wet kosten bestuurlijke voorprocedure (Wet van 24 januari 2002, Stb. 55) voor de kosten van rechtsbijstand in de bezwarenprocedure een speciale regeling in het leven is geroepen, omdat het in casu niet gaat om de kosten gemaakt in de bezwarenfase.

Naar het oordeel van de rechtbank is verweerders beslissing van 25 november 2003 mitsdien een besluit in de zin van de Awb, waartegen op grond van de artikelen 7:1 en 8:1 van de Awb bezwaar en beroep kan worden ingesteld.

Uit meergenoemde uitspraak van de AbRS volgt evenwel tevens dat de kosten die worden gemaakt in een voorbereidingsprocedure in de regel voor rekening van de inbrenger van de bedenkingen blijven en slechts in bijzondere gevallen voor vergoeding in aanmerking komen. Daarbij zal het moeten gaan om een situatie waarbij het tot besluitvorming bevoegde orgaan tegen beter weten in een (uiteindelijk) onrechtmatig geoordeeld besluit heeft genomen.

Naar het oordeel van de rechtbank bieden de gedingstukken hiervoor echter onvoldoende aanknopingspunten. Weliswaar staat vast dat een deel van de argumenten die eiseres reeds na de publicatie van de bouwaanvrage en nadien in het kader van de bedenkingen naar voren heeft gebracht, in bezwaar tot herroeping van de aangevochten besluiten hebben geleid, maar niet kan worden geoordeeld dat verweerder, met name bij de hier relevante berekening van de gevelbreedten waarbinnen horecabedrijven konden worden gevestigd, zodanig onzorgvuldig te werk is gegaan dat gezegd moet worden dat zulks tegen beter weten is geschied. De enkele omstandigheid dat eiseres reeds voorafgaande aan de besluiten tot vrijstelling en bouwvergunning de later als juist erkende berekeningsmethode onder de aandacht van verweerder heeft gebracht, acht de rechtbank hiertoe onvoldoende.

Uit het vorenoverwogene volgt dat verweerder het verzoek van eiseres op goede gronden niet voor toewijzing in aanmerking heeft gebracht.

Het beroep is mitsdien ongegrond.

De rechtbank acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb (proceskostenveroordeling).

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. F.H. de Vries, rechter, in tegenwoordigheid van mr. R. Zijmers, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 22 december 2004.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: