Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2004:AR6844

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
28-10-2004
Datum publicatie
02-12-2004
Zaaknummer
117177
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vraag of naar Duits recht de distributieovereenkomst kan worden opgezegd met een termijn van zes maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 117177 / KG ZA 04-557

Datum vonnis: 28 oktober 2004

Vonnis

in kort geding

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PRONET B.V.,

gevestigd te Arnhem,

eiseres bij dagvaarding van 25 juni 2004,

procureur mr. J.C.N.B. Kaal,

advocaat mr. R.W.F. Hendriks te 's-Hertogenbosch,

tegen

de vennootschap naar buitenlands recht

UNGER GERMANY GMBH,

gevestigd te Solingen (Duitsland),

gedaagde,

procureur aanvankelijk mr. J.M.J. Huver,

thans mr. H. Van Ravenhorst,

advocaat mr. M.R. Ruygvoorn te Utrecht.

Het verloop van de procedure

Eiseres -hierna Pronet- heeft gedaagde -hierna Unger- gedagvaard ter terechtzitting op 8 juli 2004 in kort geding voor de voorzieningen-rechter van de rechtbank ’s-Hertogenbosch. Na de mondelinge behandeling van de zaak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Hertogenbosch bij vonnis van 5 augustus 2004 zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van de vorderingen,

en heeft hij de zaak in de stand waarin het zich op dat moment bevond, doorverwezen naar de voorzieningenrechter van de rechtbank Arnhem. Naar aanleiding daarvan heeft op 16 september 2004 wederom een mondelinge behandeling van de zaak plaatsgehad, voor de voorzieningenrechter van de rechtbank Arnhem, waarbij Pronet haar vorderingen heeft toegelicht en Unger heeft geconcludeerd tot weigering van de gevraagde voorzieningen. De raadslieden van partijen hebben de zaak bepleit overeenkomstig de door hen overgelegde pleitnotities en daarbij producties in het geding gebracht.

Vervolgens is met instemming van partijen de verdere behandeling van de zaak aangehouden om partijen in staat te stellen met behulp van een mediator hun geschil in onderling overleg te beslechten.

Partijen zijn daar niet in geslaagd. Bij brief van 7 oktober 2004 aan de voorzieningenrechter heeft de raadsman van Pronet daarom gevraagd om vonnis te wijzen, waarop vonnis is bepaald.

Het geschil en de beoordeling daarvan

1. Voor de weergave van de vaststaande feiten, het geschil tussen partijen en de in verband daarmee door Pronet in deze procedure ingestelde vorderingen, wordt verwezen naar het in dit kort geding gewezen vonnis van 5 augustus 2004 van de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Hertogenbosch.

2. Voor alle weren beroept Unger zich op de onbevoegdheid van de voorzieningenrechter. Dit beroep faalt. De voorzieningenrechter acht zich ex artikel 110 lid 3 Rv jo artikel 74 lid 3 eerste zin Rv en artikel 78 Rv gebonden aan de doorverwijzing van de zaak in de stand waarin het zich bevond op het moment van de doorwijzing door de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, en mitsdien bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen.

3. Pronet legt aan haar vorderingen mede ten grondslag dat Unger jegens haar onrechtmatig handelt in de zin van artikel 5 aanhef en onder 3 EEX-Vo. De voorzieningenrechter van de rechtbank

’s-Hertogenbosch heeft in zijn vonnis van 5 augustus 2004 geoordeeld dat de gewraakte gedragingen van Unger kennelijk niet als een onrechtmatige daad zijn aan te merken omdat zij hun onrechtmatig karakter uitsluitend krijgen door hun samenhang met de tussen partijen bestaande of de bestaand hebbende distributieovereenkomst. Dit oordeel van de voorzieningenrechter van de rechtbank

’s-Hertogenbosch heeft in dit kort geding te gelden als een eindbeslissing op dat punt. Nu de zaak is doorverwezen in de stand waarin het zich bevond op het moment van de doorverwijzing,

is de voorzieningenrechter gebonden aan de door de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Hertogenbosch gegeven eindbeslissing dat de in het geding zijnde gedragingen van Unger jegens Pronet op zichzelf niet onrechtmatig zijn. Dit geldt te meer daar niet, althans onvoldoende, bijzondere omstandigheden zijn aangevoerd die het onaanvaardbaar maken dat de voorzieningenrechter gebonden is aan die eindbeslissing.

4. De vraag is daarom of de gedragingen van Unger, die -kort weergegeven- eruit bestaan dat Unger de samenwerking met Pronet voor de verkoop van Unger produkten uiterlijk per 1 januari 2005 heeft beëindigd en inmiddels buiten Pronet om (zelf) Unger produkten in Nederland verkoopt, althans tracht te verkopen, in strijd zijn met de tussen partijen bestaande samenwerkingsovereenkomst.

De voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Hertogenbosch heeft de samenwerkingsovereenkomst aangeduid als een distributieovereen-komst. Deze duiding is geschied in het kader van de beoordeling van de bevoegdheid van de voorzieningenrechter van de rechtbank

’s-Hertogenbosch om kennis te nemen van de vorderingen. Daarbij is niet overwogen waarom de samenwerkingsovereenkomst een distributieovereenkomst is, hetgeen voor de bevoegdheidsvraag ook niet relevant was. Daarom zal, ter beantwoording van de vraag of de in het geding zijnde gedragingen van Unger onrechtmatig zijn,

eerst de aard van de samenwerkingsovereenkomst tussen partijen beoordeeld moeten worden. Dit dient te geschieden naar Duits recht nu dat recht van toepassing is verklaard in het driejaarcontract

van 3 november 1997, welk contract de samenwerking tussen partijen na ommekomst van de driejaartermijn in 2000 is blijven beheersen omdat daarover geen nadere afspraken zijn gemaakt, anders dan over (jaarlijkse) aanpassingen van prijzen en betalingscondities.

5. Pronet, althans eerst haar oprichter/bestuurder en later zijzelf, verkoopt vanaf 1967 Unger schoonmaakartikelen in van leverancier Unger en verkoopt die door op eigen naam en voor eigen rekening.

In 1996 is de (mondelinge) overeenkomst daarover vervangen door een schriftelijk jaarcontract. Vervolgens zijn partijen in 1997, zoals vermeld, een driejaarcontract aangegaan dat de basis is gebleven van de samenwerking tussen partijen. Op grond van het arrest van het Duitse Bundesgerichtshof van 9 oktober 2002 (VIII ZR 95/01) is de voorzieningenrechter van oordeel dat het driejaarcontract

van 3 november 1997 heeft te gelden als een Vertragshändlervertrag (distributieovereenkomst). In het arrest van het Duitse Bundesgerichtshof staat namelijk:

“Als Vertragshändlervertrag wird ein auf gewisse Dauer gerichteter Rahmenvertrag eigener Art bezeichnet, durch den sich der Vertragshändler verplichtet, Waren des Herstellers oder Lieferanten im eigenen Namen und auf eigene Rechnung zu vertreiben, und durch den der Vertragshändler in die Verkaufsorganisation des (...) Lieferanten eingegliedert wird (vgl. BGHZ 54, 338, 340 f; siehe auch MünchKommHGB/v. Hoyningen-Huehe, Vor § 84 Rdnr. 13 m.w. Nach.). Auf dieses Vetragsverhältnis ist Handelsvertreterrecht entsprechend anwendbar, wenn der Vetragshändler durch den Rahmenvertrag handelsvertretertypische Rechte und Pflichten übernommen hat und in erheblichem Umfang Aufgaben erfüllt, wie sie auch vom Handelsvertreter wahrgenommen werden (vgl. BGH, Urteil vom 8. Juni 1988 – I ZR 244/86, NJW-RR 1988, 1305 unter D 2).”

6. Over de in acht te nemen opzegtermijn van een Vertragshändlerverhältnis staat in het hiervóór genoemde arrest van het Duitse Bundesgerichtshof:

“Das bei (...) bestehende Vertragshändlerverhältnis durfte in entsprechender Anwendung des § 89 Abs. 1 Satz 2 HGB nach einer Vertragsdauer von mehr als fünf Jahren nur mit einer Frist von sechs Monaten gekündigt werden.”

7. § 89 HGB is derhalve analoog van toepassing op een distribitieovereenkomst. Op grond van lid 3 van § 89 HGB heeft de

na 3 november 2000 voortgezette distributieovereenkomst als gevolg van de voortzetting te gelden als een overeenkomst voor onbepaalde tijd. De (jaarlijkse) aanpassingen van de prijzen en de betalings-condities doen daar niet aan af, nu het binnen een duurovereenkomst gebruikelijk is dat dergelijke aanpassingen gemaakt worden. Derhalve biedt § 89 HGB de mogelijkheid om de overeenkomst na een duur van vijf jaar en langer, in dit geval als gevolg van de voortzetting te rekenen vanaf november 1997, met inachtneming van een termijn van zes maanden op te zeggen. In de Duitse literatuur (vgl. [betrokkene] en [betrokkene], Distributieovereenkomsten, Deventer 1997, pagina 154) worden echter langere termijnen voor de opzegging van een distributieovereenkomst verdedigd in verband met de afhankelijkheid van de distributeur ten opzichte van de leverancier.

Nu de samenwerking tussen Pronet en Unger veel langer dan vijf jaar heeft geduurd en het voldoende aannemelijk is dat Pronet voor haar omzet sterk afhankelijk is van de verkoop van Unger producten,

komt het de voorzieningenrechter, voorshands oordelend, voor dat Unger bij opzegging van de samenwerking op 5 april 2004 een opzegtermijn van tenminste één jaar in acht had moeten nemen. Unger dient derhalve in ieder geval tot 5 april 2005 het driejaarcontract van 3 november 1997 na te leven.

8. Pronet heeft door ondertekening van een faxbericht van Unger van 31 januari 2003 er mee ingestemd dat Unger zelf haar producten levert aan de klanten [betrokkene]. Overleg voor het benaderen van andere klanten van Pronet is er niet geweest. Unger heeft niet, althans onvoldoende gemotiveerd, de stelling van Pronet betwist dat zij inmiddels buiten Pronet om haar producten in Nederland op de markt brengt en daarvoor actief ook andere dan de drie hiervóór genoemde klanten van Pronet benadert. Dit is in strijd met het driejaarcontract, waar staat dat “eine mögliche Akquisition in Holland in Abstimmung mit Pronet stattfindet”.

9. Al het vorenstaande brengt de voorzieningenrechter ertoe om Unger te veroordelen om tot 5 april 2005 haar verplichtingen uit het driejaarcontract van 3 november 1997 na te komen en tot die tijd niet actief andere regelmatige klanten van Pronet dan de drie hiervóór genoemde, te benaderen voor afname van Unger producten.

Omdat het kennelijk voor Unger onduidelijk is wie de andere regelmatige klanten van Pronet zijn, zal worden bepaald dat die moeten worden vermeld op een lijst, mee te betekenen met dit vonnis. De gevorderde dwangsommen zullen ambtshalve worden gematigd, één en ander zoals hierna vermeld.

10. Unger heeft Pronet (inmiddels) betrokken in een bodemprocedure voor het Landgericht Wuppertal (Duitsland) aangaande het onderhavige geschil. Daarin heeft Pronet een vordering tot schadevergoeding ingesteld, althans zij heeft aangekondigd dat te zullen doen. Voor toewijzing van een voorschot op schadevergoeding in kort geding moet in hoge mate het bestaan en de omvang van de schadevergoedingsvordering aannemelijk zijn. Nu Unger de vordering gemotiveerd heeft betwist en bovendien uitspraak in de bodem-procedure voor het Landgericht Wuppertal op korte termijn valt te verwachten, zal de vordering tot betaling van het voorschot op schadevergoeding worden afgewezen.

11. Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij zal Unger worden veroordeeld in de kosten van dit kort geding.

De beslissing

De voorzieningenrechter

veroordeelt Unger om het driejaarcontract van 3 november 1997 na te blijven komen tot 5 april 2005;

verbiedt Unger om tot 5 april 2005 actief klanten van Pronet, andere dan [betrokkene], die regelmatig Unger producten van Pronet hebben gekocht, te benaderen voor afname van Unger producten, voor zover die klanten met naam en adres vermeld staan op een met dit vonnis mee te betekenen lijst;

veroordeelt Unger om voor iedere dag dat zij na betekening van dit vonnis geen uitvoering geeft aan de vorenstaande veroordeling,

en voor ieder overtreding van het vorenstaande verbod, een dwangsom van € 5.000,00 te betalen aan Pronet, met een gezamenlijk maximum van in totaal € 1.000.000,00;

veroordeelt Unger in de kosten van dit kort geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Pronet bepaald op € 311,40 voor verschotten (€ 70,40 wegens het uitbrengen van de dagvaarding en € 241,00 wegens griffierecht) en op € 703,00 voor salaris procureur;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

weigert het anders of meer gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.J. de Vries en in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.J. Daggenvoorde uitgesproken op 28 oktober 2004.

de griffier de rechter