Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2004:AR6677

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
20-10-2004
Datum publicatie
30-11-2004
Zaaknummer
112906
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eisers vorderen, te verklaren voor recht dat de kadastrale grens tussen de percelen plaatselijk bekend Zandbergseweg 9 en 11 te Rijswijk heeft te gelden als de juridische eigendomsgrens tussen voornoemde percelen.

Vooropgesteld moet worden dat bij de beantwoording van de vraag wat de omvang is van een overgedragen perceel het aankomt op de in de notariële akte van levering tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling, die moet worden afgeleid uit de in die akte opgenomen, naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte uit te leggen, omschrijving van de over te dragen onroerende zaak (HR 8 december 2000, NJ 2001, 350).

Gedaagden beroepen zich op verjaring primair op grond van artikel 3:99 lid 1 BW en subsidiar op grond van 3:105 juncto 3:306 BW, omdat zij en hun rechtsvoorganger(s) sinds 1978 de onderhavige strook grond tot aan de heining onafgebroken in bezit hebben gehad.

Het door gedaagden gedane beroep op verjaring op grond van bezit te goeder trouw (3:99 lid 1 BW) gaat niet op nu gedaagden de loop van de grens door raadpleging van de registers hadden kunnen achterhalen (3:11 juncto 3:23 BW). Resteert de vraag of gedaagden door een onafgebroken bezit van twintig jaar op grond van de artikelen 3:105 juncto 3:306 BW eigenaars zijn geworden. Nu eisers dit gemotiveerd hebben betwist, zullen gedaagden volgens de hoofdregel van bewijslastverdeling moeten aantonen dat hun beroep op verjaring terecht is omdat zij en hun rechtsvoorganger(s) deze strook grond gedurende 20 jaar in bezit hebben gehad. Zij zullen overeenkomstig hun aanbod tot het bewijs daarvan worden toegelaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak/rolnummer: 112906/ HA ZA 04/811

Datum uitspraak: 20 oktober 2004

Vonnis

in de zaak van

[eiser],

[eiseres],

wonende te Rijswijk, gemeente Buren,

eisers in conventie bij dagvaarding van 20 april 2004,

verweerders in reconventie,

procureur mr. K.J.T. Boersma te Tiel,

tegen

[gedaagde],

[gedaagde],

wonende te Rijswijk, gemeente Buren,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

procureur mr. R.J. Sturkenboom te Culemborg.

Het verloop van de procedure.

Voor het eerdere verloop van deze procedure verwijst de rechtbank naar het tussenvonnis van 4 augustus 2004. Ingevolge dat tussenvonnis heeft een comparitie van partijen plaatsgevonden, waarvan het proces-verbaal zich bij de stukken bevindt. Ter comparitie hebben [gedaagde] een conclusie van antwoord in reconventie genomen. Ten slotte is vonnis bepaald.

De vaststaande feiten.

1.1 Sinds 12 april 1985 zijn [eisers] eigenaar van het perceel grond gelegen aan de Zandbergseweg 9 te Rijswijk, kadastraal bekend gemeente Maurik, sectie M, nr. 788. Dit perceel is ontstaan door opsplitsing van de voormalige percelen kadastraal bekend gemeente Maurik, sectie M, nrs. 206 en 479 in 2 nieuwe percelen, namelijk 787 en 788 voornoemd. [betro[betrokkene] is eigenaar van perceel 787. Op de kadastrale grens tussen de percelen 787 en 788 (namelijk die aan de achterzijde van de tuin van de Zandbergseweg 9) staat een dikke houten paal.

1.2 [gedaagde] zijn sinds medio 1991 eigenaar van het perceel grond gelegen aan de Zandbergseweg ll te Rijswijk, kadastraal bekend gemeente Maurik, sectie M, nr. 207.

1.3 De bovengenoemde percelen 788 en 207 grenzen aan elkaar. Tussen de beide percelen ligt een greppel die ter hoogte van de woning van [gedaagde] is gedempt. Er heeft in ieder geval naast de greppel aan de zijde van 788 "sinds jaar en dag" een afrastering gestaan. De kadastrale grens ligt in het hart van de (deels gedempte) greppel tussen de percelen.

1.4 Op enig moment tussen 1993 en 1997 hebben [gedaagde] over een lengte van circa 47 meter langs de onder 1.3 bedoelde (in 1996 vernieuwde) afrastering prunussen en coniferen geplant.

1.5 Omstreeks mei 1996 hebben [gedaagde] met behulp van [eiser] de afrastering die zich aan [eisers] zijde van de greppel bevond (zie 1.3) vervangen door een nieuwe afrastering op (vrijwel) dezelfde plaats.

1.6 In 1997 hebben [gedaagde] tegen de kadastrale grens een houten tuinhuisje gebouwd waarvan het dak over de kadastrale grens steekt.

1.7 In de loop van de jaren hebben de partijen jaarlijks terugkerende gesprekken gehad over de beplanting langs de afrastering. [eisers] hebben vervolgens na een gesprek met [gedaagde] het kadaster verzocht de grenzen aan te wijzen. Dit is op 18 november 2003 gebeurd.

1.8 Bij brief van 27 november 2003 hebben [eisers] [gedaagde] gemaand de zaken die door [gedaagde] over de kadastrale grens zijn geplaatst vóór 15 januari 2004 te verwijderen opdat [eisers] tegen de kadastrale grens een hekwerk zouden kunnen plaatsen.

1.9 [gedaagde] hebben hierop onder meer als volgt gereageerd bij brief van 10 december 2003:

"Het is juist dat de Dienst van het kadaster de kadestrale grenzen heeft aangewezen, wat ons echter bevreemd in Uw brief is het volgende:

- Jullie de situatie zo schetsen dat toen de betreffende afrastering werd geplaatst wij deze naar jullie kant verplaatst hebben.

- Gert notabene zelf heeft meegeholpen de oude afrastering te vervangen door de nu reeds staande afrastering, ruim 7 jaar geleden.

- Die namelijk ook op dezelfde plaats als de oude afrastering is teruggeplaatst in het bijzijn van Gert.

- Jullie zelf hebben aangegeven dat bij de overdracht van jullie huis de oude afrastering hier ook al stond.

- Deze nieuwe afrastering overigens wel volledig door ons is betaald.

Bij navraag van buurtbewoners weten zij echter ook niet beter als dat op deze plaats altijd een afrastering heeft gestaan. Sommige wonen hier al zo'n vijftig jaar en wisten te vertellen dat de vorige landgebruiker wel enkele palen en één schrikdraadje in de wei had geplaatst omdat de afrastering dermate slecht was.

Tevens hebben wij de hagen ruim tien jaar geleden geplaatst en in die tijd stond overal nog de oude afrasteringen en jullie hadden destijds ook geen bezwaar tegen de hagen.

Wat wij echter ook niet begrijpen is dat toen jullie het huis en een gedeelte van het land zeventien jaar geleden kochten (dit was één perceel met het land wat de heer [betrokkene] nu heeft) er toen gemeten moet zijn en op papier gezet moet zijn hoe groot jullie perceel is en wij begrijpen dan ook niet hoe het kan dat jullie kadastrale grens nu ineens heel ergens anders zou liggen. En ook hadden jullie bij de aankoop van jullie perceel, zeventien jaar geleden bij de verkoper aan kunnen geven dat de afrastering niet op de kadastrale grens stond en wellicht hadden jullie hem dan ook om een verklaring kunnen vragen. Misschien is er al iets overeengekomen bij vroegere eigenaren en is dat de reden dat de afrastering altijd al op deze plaats heeft gestaan."

1.10 Bij brief van 19 december 2003 aan [gedaagde] hebben [eisers] hun eis tot verwijdering van de over de kadastrale grens geplaatste zaken herhaald.

Het geschil in conventie en in reconventie

2. [eisers] vorderen, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te verklaren voor recht dat de kadastrale grens tussen de percelen plaatselijk bekend Zandbergseweg 9 en 11 te Rijswijk en kadastraal bekend gemeente Maurik, sectie M, nummers 788 en 207, heeft te gelden als de juridische eigendomsgrens tussen voornoemde percelen. Daarnaast vorderen zij [gedaagde] met inachtneming van deze erfgrens hoofdelijk te veroordelen alle roerende en onroerende zaken die op hun perceel zijn geplaatst, voor zover deze niet hun eigendom zijn, te ontruimen en ontruimd te houden, op straffe van een dwangsom van ? 5.000,- per dag(deel) dat [gedaagde] in verzuim zijn en voorts de bomen en struiken die in strijd met artikel 5:42 BW op het perceel van [gedaagde] langs de erfgrens staan, te verwijderen en verwijderd te houden en ten slotte de afdekking van de op dat perceel aanwezige gebouwen en werken zodanig in overeenstemming met de wettelijke bepalingen in te richten dat het water niet op hun erf afloopt, op straffe van een dwangsom van ? 5.000,- per dag(deel) dat [gedaagde] in verzuim zijn. Bovendien vorderen zij [gedaagde] te veroordelen tot betaling van ? 606,28 voor de door hen gemaakte buitengerechtelijke kosten en de kosten ter vaststelling van de aansprakelijkheid, vermeerderd met de wettelijke rente daarover, met de veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten. Zij stellen daartoe dat [gedaagde] na de verwijdering van de oude erfafscheiding aan de kant van de greppel van [gedaagde] (207) en door vervanging van de erfafscheiding aan de andere kant van de greppel (van 788) allerlei zaken (puin, beplanting en tuinhuisje) over de erfgrens op hun terrein hebben geplaatst en daarnaast beplanting in strijd met de wettelijk toegestane afstand tot de erfgrens hebben geplaatst.

3. [gedaagde] hebben gemotiveerd verweer gevoerd en vorderen in reconventie, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, primair te verklaren voor recht dat de erfgrens tussen de beide percelen aan de Zandbergseweg 9 en 11 te Rijswijk zich bevindt op de plaats van de huidige afrastering en [eisers] te veroordelen hun medewerking te verlenen aan inschrijving van deze erfgrens in de kadastrale registers en hen subsidiar te veroordelen tot het meewerken aan het verlenen van een erfdienstbaarheid tot het handhaven van de bestaande toestand, dan wel ter keuze van [eisers], overdracht van het benodigde deel van het perceel van [eisers] aan hen voor een door de rechtbank in goede justitie te bepalen vergoeding, op straffe van een dwangsom van ? 500,- per dag(deel) dat [eisers] daarmee in verzuim zijn en meer subsidiar, [eisers] te veroordelen mee te werken aan de oprichting van een erfafscheiding op de kadastrale grens waarbij zij voor de helft in de kosten zullen bijdragen, op straffe van een dwangsom van ? 500,- per dag(deel) dat [eisers] in verzuim zijn, met hun veroordeling in de proceskosten. [gedaagde] leggen aan hun vorderingen ten grondslag dat de in geschil zijnde strook grond reeds sinds 1978 bij hun perceel hoort waardoor deze op grond van verjaring hun eigendom is geworden.

4. Op hun beurt hebben [eisers] in reconventie gemotiveerd verweer gevoerd.

De beoordeling van het geschil in conventie en in reconventie

5. In deze zaak draait het om de vraag waar de grens tussen de erven van [eisers] en [gedaagde] ligt.

6. Het meest verstrekkend verweer van [gedaagde] is dat de perceelsgrenzen van het huidige perceel 788 ten tijde van de koop daarvan door [eisers], werden bepaald door 4 dikke houten palen waarmee dit perceel op de hoeken was afgepaald. Aan de kant van de grens tussen de percelen aan de Zandbergseweg 9 en 11 (in de stukken ook wel de westgrens genoemd), was dit perceel volgens [gedaagde] afgepaald door middel van 2 palen aan de bovenkant van de greppel aan de zijde van het perceel van [eisers], één kennelijk ter hoogte van de Zandbergseweg en één aan de achterzijde van de tuin. Deze laatste paal staat er nu nog steeds. De strook grond vanaf de denkbeeldige lijn tussen deze 2 hoekpalen tot de kadastrale grens in het hart van de greppel tussen thans 788 en 207 (de betwiste strook grond), is volgens [gedaagde] niet afgepaald en daarom niet door Van [betrokkene] aan [eisers] verkocht noch bij de transportakte van 12 april 1985 aan hen geleverd. Dit zou eveneens blijken uit de feitelijke afmeting van het perceel van [eisers] tussen deze vier palen - volgens [gedaagde] 60 aren en 62 centiaren - wat reeds meer is dan de in de notariële akte genoemde en dus geleverde grootte van 60 aren en 37 centiaren. Ter comparitie hebben [gedaagde] desgevraagd verklaard dat zij zelf nooit de 4 palen hebben gezien en dat zij dan ook niet zouden kunnen aanwijzen waar de "vierde paal" precies zou zijn geslagen. Zij meenden echter uit de tekst van de notariële akte op te maken dat het stuk was afgepaald met 4 palen. [eisers] zijn volgens [gedaagde] daarom geen eigenaars geworden van de betwiste strook grond, zodat het perceel van [eisers] niet aan hun perceel grenst en zij dan ook niet in hun vorderingen kunnen worden ontvangen.

7. Volgens [eisers] zijn er op het moment van de verkoop niet 4 maar slechts 3 dikke palen (waarvan er nu nog één staat) geslagen om de (toenmalige) percelen 206 en 479 op te delen in de twee - aan respectievelijk [eisers] en [betrokkene] - te verkopen gedeelten, zodat de palen slechts zien op de grenzen tussen deze toenmalige kopers onderling en niet op de grens tussen de nieuw te vormen percelen en perceel 207. Dit wordt door de heer [betro[betrokkene], de verkoper destijds, in een schriftelijke verklaring bevestigd. Ten aanzien van de grootte van het perceel hebben [eisers] aangevoerd dat deze in de notariële akte niet precies maar ongeveer is aangegeven. Ter comparitie is de gang van zaken rond het afpalen bovendien door [betro[betrokkene] (de eigenaar van 787, zie hiervoor onder 1.1) bevestigd. Hij heeft toen verklaard dat zijn rechtsvoorganger (zijn vader) ter plaatse, samen met Van Mourik en Van [betrokkene], met 3 palen de grenzen tussen de percelen van [eisers] en [betrokkene] hebben afgepaald.

8. Vooropgesteld moet worden dat bij de beantwoording van de vraag

wat de omvang is van een overgedragen perceel het aankomt op de in de notariële akte van levering tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling, die moet worden afgeleid uit de in die akte opgenomen, naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte uit te leggen, omschrijving van de over te dragen onroerende zaak (HR 8 december 2000, NJ 2001, 350).

9. In de transportakte van 12 april 1985 is over de onroerende zaak vermeld dat het gaat om "het woonhuis met schuur, erf, tuin en weiland en verder aan- en toebehoren, alles staande en liggende te Rijswijk, gemeente Maurik, plaatselijk gemerkt Zandbergseweg 9, uitmakende ter plaatse kennelijk aangeduide en afgepaalde gedeelten, ter gezamenlijke grootte van ongeveer zestig aren en zevenendertig centiaren, van de percelen kadastraal bekend Gemeente Maurik, sektie M, nummers 206 en 479." Verder is in artikel 4 bepaald dat over- of ondermaat van het verkochte aan geen der partijen enig recht zal verlenen. Het feit dat de grootte van het perceel zoals [gedaagde] beweren af zou wijken van de in de notariële akte bepaalde grootte, kan niet tot de conclusie leiden dat Van [betrokkene] en [eisers] niet hebben beoogd het stuk grond tot aan de kadastrale grens met perceel 207 over te dragen. Er wordt immers ongeveer 60 are en 37 centiare overgedragen en er is uitdrukkelijk rekening gehouden met over- en ondermaat. Voorts brengt een redelijke uitleg van de partijbedoeling in de notariële akte met zich dat met het afpalen van de oorspronkelijke percelen 206 en 479 is beoogd de grenzen tussen de beide kopers van de nieuw te vormen percelen vast te leggen, zonder daarmee enig rechtsgevolg te beogen ten aanzien van de grens van deze nieuwe percelen tot het naastgelegen perceel 207. Naar mag worden aangenomen hebben de partijen deze afgepaalde oppervlakte aan het kadaster aangewezen, welke aanwijzing door het kadaster vervolgens is neergelegd in de kadastrale kaart met de daarbij behorende nieuwe nummers 787 en 788. Blijkens deze kaart grenzen beide percelen 787 en 788 aan de westzijde aan perceel 207. Het betoog van [gedaagde] treft dan ook geen doel.

10. [gedaagde] hebben voorts aangevoerd dat de door hen in 1996 gerealiseerde feitelijke afscheiding op exact dezelfde plaats is neergezet als de in 1978 door hun rechtsvoorganger [betrokkene] samen met de rechtsvoorganger van [eisers], de heer [betrokkene] (bedoeld zal zijn: Van [betrokkene]), gerealiseerde afscheiding, namelijk aan de bovenkant van de greppel aan de zijde van [eisers]. Er was volgens [gedaagde] nimmer sprake van een dubbele heining aan weerszijden van de greppel. In het weiland voor hun huis stonden er pal naast de afrastering slechts enkele palen met een enkel schrikdraadje ertussen en naast het huis stond er slechts één heining en was de tuin van hun rechtsvoorganger ingericht als moestuin. [gedaagde] beroepen zich op verjaring primair op grond van artikel 3:99 lid 1 BW en subsidiar op grond van 3:105 juncto 3:306 BW, omdat zij en hun rechtsvoorganger(s) sinds 1978 de onderhavige strook grond tot aan de heining onafgebroken in bezit hebben gehad.

11. [eisers] hebben gemotiveerd weersproken dat er sprake is geweest van bezit van die grond. Daartoe hebben ze gesteld dat er tot 1995/1996 aan beide zijden van de greppel, dus ook aan de zijde van [gedaagde], een afrastering heeft gestaan bestaande uit houten palen met schrikdraad. Daargelaten dat de percelen in een landelijk gebied zijn gelegen en een afrastering ter plaatse volgens hen dient als veewerende voorziening en niet als erfafscheiding, is er gezien die dubbele afrastering geen sprake van een onafgebroken bezit van de onderhavige strook zodat er van verjaring geen sprake kan zijn, aldus [eisers]. Bovendien blijkt uit de brief van [gedaagde] van 10 december 2003 dat zij zichzelf slechts als houder van de grond beschouwden en niet als bezitter en hebben zij met het daarin gedane aanbod om de strook grond te kopen, het eigendomsrecht van [eisers] erkend, zodat de verjaring op grond van 3:318 BW toen is gestuit.

12. Dienaangaande wordt als volgt overwogen. Aan de laatstgenoemde brief kan niet de betekenis worden toegekend die door [eisers] is bepleit. De strekking van de brief is immers duidelijk, [gedaagde] stellen zich op het standpunt dat die strook altijd al bij hun perceel hoorde en het feit dat ze daarbij hebben aangeboden deze te kopen als eenvoudige oplossing van het ontstane geschil (en ter voorkoming van een verdere procedure), impliceert niet dat zij daarmee zonder meer de eigendom van [eisers] hebben erkend. Van een stuiting van de verjaring ex 3:318 BW is dan ook geen sprake, afgezien van het feit dat deze, indien de termijn - zoals [gedaagde] hebben gesteld - in 1978 is gaan lopen, in 2003 reeds was voltooid.

13. Het door [gedaagde] gedane beroep op verjaring op grond van bezit te goeder trouw (3:99 lid 1 BW) gaat niet op nu [gedaagde] de loop van de grens door raadpleging van de registers hadden kunnen achterhalen (3:11 juncto 3:23 BW). Resteert de vraag of [gedaagde] door een onafgebroken bezit van twintig jaar op grond van de artikelen 3:105 juncto 3:306 BW eigenaars zijn geworden. Nu [eisers] dit gemotiveerd hebben betwist, zullen [gedaagde] volgens de hoofdregel van bewijslastverdeling moeten aantonen dat hun beroep op verjaring terecht is omdat zij en hun rechtsvoorganger(s) deze strook grond gedurende 20 jaar in bezit hebben gehad. Zij zullen overeenkomstig hun aanbod tot het bewijs daarvan worden toegelaten.

14. Hoger beroep van dit vonnis staat slechts open tegelijk met dat van het eindvonnis (art. 337 lid 2 Rv.). Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

De beslissing

De rechtbank,

laat [gedaagde] toe tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat zij gedurende 20 jaar onafgebroken bezit van de betwiste strook grond hebben gehad,

bepaalt dat, voor zover [gedaagde] dit bewijs door middel van getuigen wil leveren, de getui-gen door de rechtbank (mr. D.M.I. de Waele) gehoord zullen worden in het Paleis van Justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem op een door de recht-bank vast te stellen datum (op een maandag) en tijd,

verwijst de zaak naar de tweede rolzitting na de dag- waarop dit vonnis is uitgesproken voor het opgeven van eventuele getuigen met hun respectieve verhin-derdagen, alsmede de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden november 2004 tot en met januari 2005, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

bepaalt dat het aan de hand van de gedane opgave(n) vastgestelde tijdstip in beginsel niet zal worden gewij-zigd,

verstaat dat bij gebreke van de gevraagde opgave van getuigen geen gelegen-heid meer zal worden gegeven voor het doen horen van getuigen,

verwijst in dat geval de zaak naar de zesde rolzitting na de dag waarop dit vonnis is uitgesproken, voor het nemen van een conclusie na niet gehouden getuigenverhoor aan de zijde van [gedaagde] waarbij deze desgewenst ook het bewijs schriftelijk kunnen leveren, of voor bepaling datum vonnis,

bepaalt dat de partijen bij de getuigenverhoren aanwezig zullen zijn,

bepaalt voorts dat de partijen tijdens en/of na de getuigenverhoren voor de genoemde rechter zullen verschijnen om aan deze inlichtingen over de zaak te geven en deze te laten onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden,

bepaalt dat voorzover de partijen in verband met de getuigenverhoren nog stukken in het geding willen brengen, dit dient te geschieden bij akte op de hiervoor bedoelde tweede rolzitting na de dag waarop dit vonnis is uitgesproken,

verstaat dat hoger beroep van dit vonnis alleen mogelijk is tegelijk met dat van het eindvonnis,

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.M.I. de Waele en uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2004.

de griffier de rechter

Coll.: NDW